Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Jezuïeten - Zending Vandaag / Waarom veranderen de Geestelijke Oefeningen ons zo weinig?

Waarom veranderen de Geestelijke Oefeningen ons zo weinig?

Redactie Cardoner on 28/06/2018 - 3:13 pm in Jezuïeten - Zending Vandaag

door Jan Stuyt SJ (red.)

De verzoening met God is voor alles een oproep tot een diepgaande bekering voor elke jezuïet en voor ons allemaal. De grote vraag is waarom de Oefeningen ons niet zo diep veranderen als we zouden hopen. Wat in ons leven, werk en onze levensstijl belemmert ons vermogen om ons door Gods genadige barmhartigheid te laten bewegen?  (Uit Decreet 1 van de 36e Algemene Congregatie van de Sociëteit van Jezus (nrs. 17 en 18):

In navolging van het Indiase jezuïetenmaandblad JIVAN hebben wij de vraag “waarom de Oefeningen ons niet zo diep veranderen als we zouden hopen” voorgelegd aan enkele mensen die ervaring hebben in geestelijke begeleiding.

Bij wijze van inleiding geven we een aantal reacties die bij ons binnenkwamen via Jan van de Poll S.J. Hij begeleidt in Dublin jezuïeten tijdens hun tertiaat, het “derde noviciaatsjaar”, de afronding van hun opleiding.

Een aantal van deze jonge jezuïeten sprak over het individualisme dat zelf een ideaal kan worden. Het ignatiaanse en christelijke doel “waarvoor wij geschapen zijn” (GO 23) ligt dan wel erg ver over de horizon. Een belangrijk kenmerk van het postmoderne denken is het einde van de grote idealen. Ook meenden zij dat de eerste jezuïeten, de primi patres, in een radicaal andere situatie waren dan de huidige: de Sociëteit kreeg vorm, ging groeien en er was een veelheid van keuzes voor de toekomst. Jonge religieuzen vandaag zijn in hoge mate gebonden door de structuren die ze aantreffen in de Orde en door de verantwoordelijkheid voor werken die door voorgaande generaties zijn gekozen en groot gemaakt.

Verder merkten zij op dat we de vraag niet te voluntaristisch moeten uitleggen: alsof wij het verkeerd doen en we gewoon harder ons best moeten doen om onverschillig te zijn. Het komt er dan op neer dat we meer moeten letten op de gesteldheid van het derde van de drie paar mensen (GO 155), die geleerd hebben om het initiatief echt over te laten aan God. Wie is daarvoor nederig genoeg? En wie is echt een mens van gebed die kan luisteren?

Tot zover de reacties uit het tertiaat in Dublin. Hieronder volgen vier antwoorden, twee uit de Lage Landen en twee uit India.

Antwoord van Vernon D’Cunha S.J. (*1956), assistent ad providentiam van de generale overste van de jezuïeten in Rome en voormalig provinciale overste van Bombay.

Ik heb over een antwoord nagedacht en ik heb erover gesproken met een paar mensen met ervaring hier in de curie in Rome. Ik ben negen jaar novicenmeester geweest. Samenvattend kom ik tot een lijstje mogelijke antwoorden en suggesties voor de toekomst met betrekking tot de vraag: Waarom veranderen de Oefeningen ons maar zo weinig?

  1. Onvoldoende voorbereiding op het doen van de Oefeningen. De meeste groepen beginnen eraan met nauwelijks vier dagen voorbereiding. Wat gebeurt er aan voorbereiding in onze noviciaten? Als je de Oefeningen wilt doen moet je ook vrije tijd hebben ervoor en vlak erna. Dat is een luxe die maar weinig mensen zich kunnen veroorloven.
  1. Velen die de Oefeningen komen doen hebben grote emotionele en psychologische problemen die zeker een hindernis vormen voor het werken van de Geest.
  1. De Oefeningen zijn voor velen die ze doen een verplichting – bijvoorbeeld voor een wijding of geloften. Ook de jezuïeten hebben geen keuze: ze moeten de Oefeningen doen. De Geestelijke Oefeningen worden maar zelden gedaan uit vrije keuze, wat wel het geval was bij de primi patres.
  1. In de huidige cultuur willen we de zaken niet te zwaar of te moeilijk maken. Het hoeft allemaal niet zo volgens het boekje. Ik weet van een novicenmeester in India die zegt dat vijftig minuten meditatie wel genoeg is, en dat je de resterende tien minuten kunt gebruiken voor reflectie. De meditatie midden in de nacht die Ignatius vraagt wordt steeds vaker weggelaten als iets dat niet meer van deze tijd zou zijn.
  1. Ignatius was vóór het aanpassen van Oefeningen aan degen die ze doet (GO 18 en 19), maar tegenwoordig worden delen weggelaten die wezenlijk zijn voor ignatiaanse oefeningen.
  1. Een andere reden zou kunnen zijn een onvoldoende vorming van de begeleiders. Sommigen hebben niet voldoende gestudeerd en gereflecteerd; anderen hebben gewoon het talent niet om oefeningen te geven en mensen te begeleiden. Ik ken jezuïeten die de “eenvoudige oefeningen” geven maar die echt niet voldoende onderlegd zijn.
  1. Tegenwoordig is het moeilijk om levenslange engagementen aan te gaan. Het is makkelijker om iets tijdelijks te kiezen totdat iets beters zich aandient. De Oefeningen mikken duidelijk op het aangaan van een levenslange verbintenis.
  1. Er zijn tegenwoordig menswetenschappen, zoals psychologie, die terreinen bestrijken die vroeger gereserveerd waren voor het spirituele. Iets als zondebesef is daardoor uit onze cultuur verdwenen. Er is meer nadruk op zelfontplooiing en nooit meer op versterving of het jezelf iets ontzeggen – iets wat juist hoort bij het wezen van de Oefeningen.

Wat ik hier neerschrijf is zeker niet uitputtend, maar het biedt wellicht wat steun aan mensen die de Geestelijke Oefeningen geven en die verlangen dat degenen die de Oefeningen doen meemaken dat de Oefeningen je leven veranderen, iets waarvoor ze uiteindelijk bedoeld zijn.

 

Antwoord van Jacques Haers S.J. (*1956), pastor en theoloog in Leuven 

Waarom veranderen de Oefeningen ons niet zo diep als we zouden hopen?

Deze vraag klinkt als een zelfverwijt in de officiële teksten van de 36e Algemene Congregatie (1:18). Ik vind dat wat onterecht. Wellicht mogen we er het gezonde streven proeven naar “meer”, het “magis” van de ignatiaanse spiritualiteit. Hoe kunnen we in een snel veranderende wereld, als individuen en als Sociëteit van Jezus, ons handelen versterken vanuit “de transformerende ontmoeting met de genade van God in Christus die ons beweegt tot een genereuze respons” en de “ervaring van Gods barmhartigheid” verdiepen zodat die ons motiveert tot “de apostolische durf die de Sociëteit heeft gekenmerkt” (1:19)?

De complexe wereldwijde uitdagingen van vandaag en de aantasting van de waardigheid van zovele mensen, slachtoffers en daders van onrecht met een naam en een gezicht, vragen veel van ons, op het terrein en in de studiekamer. Denk aan de meditatie over de menswording (GO 101-109) waarin God, bij het zien van wat op aarde gebeurt, alles geeft: de Zoon wordt kwetsbare mens onder gekwetste mensen. Jezus’ leven getuigt van grootmoedige durf (de “parresia” van Sint-Paulus) in een spreken en handelen dat zich voedt aan de diepe relatie tot de vrijmoedige God die hij als “Vader” aanspreekt. Net als Ignatius voelen ook wij de goddelijke roep tot vrijmoedig denken en optreden. In onze samenlevingen vraagt het bijzondere aandacht om die roep te beluisteren en te beantwoorden.

Een visie op de Geestelijke Oefeningen

 Roland Barthes’ analyse van de Geestelijke Oefeningen legt hun narratieve structuur bloot: via de geestelijke ervaring van Ignatius van Loyola toegang krijgen tot Jezus van Nazareth en zijn verbondenheid met God en de schepping. We leven zelf, in eigen context en op eigen wijze, een spirituele ervaring zoals die van Ignatius en we raken zo de god-menselijke dynamiek in Jezus Christus.

We ervaren Gods barmhartigheid die ons tot daadwerkelijk mededogen nodigt: ze loopt als rode draad door de Oefeningen. We zijn de zondaars van de eerste week, bewust van het kwaad dat we aanrichten en hoe dit God in Gods schepping kwetst.  Als zondaars ervaren we Gods barmhartigheid als verlangen, om ons vanuit die barmhartigheid in te zetten voor de wereld, door te delen in Gods visioen, toegezegd in de barmhartigheid. We weten ons als zondaars opgeroepen tot bekering en inzet, tot een grootmoedig antwoord, in het spoor van Jezus.

In de tweede en derde week bevinden we ons met Jezus steeds dichter bij de mensen en met name de armen. Jezus belichaamt Gods helende aanwezigheid bij gekwetste mensen aan de rand van de samenleving. Hij – en wij – nemen hun waardigheid als beeld van God ernstig. Dit gaat ver: Jezus deelt het lot van de uitgesloten mensen, wordt onschuldig als misdadiger terechtgesteld, slachtoffer van politieke en religieuze belangenspelletjes. Ook hier breekt Gods barmhartigheid door voor daders en slachtoffers: verrijzenis wordt toegezegd vanuit de uit het graf opgewekte Heer. Onze angst om de Heer te volgen ligt nu in Gods handen.

Gods barmhartigheid wekt zondige mensen tot inzet in het spoor van Jezus, solidair met gekwetste mensen. Wij hervinden onze goddelijke waardigheid wanneer we de goddelijke waardigheid erkennen van de slachtoffers van ons egoïsme, door aan hun zijde te staan. Gods barmhartigheid wekt gekwetste mensen tot inzet in het spoor van Jezus, die zondaars vergeeft. Wij hervinden onze goddelijke waardigheid wanneer we medemensen die ons belagen erkennen als groter en beter dan hun kwaad.

Wat maakt de ervaring van Gods barmhartigheid dan zo moeilijk?

 Persoonlijke en maatschappelijke factoren die onze zondigheid en ons leed toedekken bemoeilijken de ervaring van vrijmoedige barmhartige lotsverbondenheid. We vinden bijvoorbeeld niet de nodige rust bij Gods aanwezigheid in ons leven. Zo smaken we niet Gods vrijmoedigheid die waarheid spreekt, angst verdrijft en kracht wekt. Samen met de verinnerlijking verdwijnt het bewustzijn van de barmhartigheid die ons draagt en uitdaagt. Drukdoenerij en grootsprakerigheid komen in de plaats, en we worden elkaars gestresseerde en meedogenloze concurrenten. De Geestelijke Oefeningen vragen om de rust waarin we liefde, saamhorigheid en mededogen smaken.

Zonder rust is het moeilijk om ons als zondaars te (h)erkennen. Dit kan psychologische gronden hebben: we zijn overweldigd, platgeslagen door ons kwaad; we voelen schaamte als zondaars en weten ons veroordeeld en onwaardig, ook in onszelf. We vluchten, zoeken ons vrij te spreken. De samenleving steunt ons in het verzet tegen zondebewustzijn: zonde wordt langzamerhand verengt tot “in strijd met de wet”. Dit wordt versterkt door de nadruk op het creatieve, eigenmachtige individu losgerukt uit zijn lotsverbondenheid en funderende relaties en alleen gebonden door onderlinge afspraken die macht en belangen weerspiegelen. De samenleving heeft ons vervreemd van het zondebesef en stelt onze ongebreidelde individuele creativiteit boven onze medemenselijke verbondenheid en verantwoordelijkheid. Daarbij komt de steeds complexere structuur van het kwaad, of beter: van het versluierde kwaad dat mensen ertoe verleidt om op nieuwe manieren medeplichtig te worden (bijvoorbeeld in financieel en economisch onrecht). Het besef van structurele zonde is daarbij aan het vervagen want de angel van de menselijke verantwoordelijkheid wordt eruit weggenomen. Zo wordt onze toegang tot de Oefeningen bemoeilijkt. Deze vragen onderscheiding om onszelf niet te bedriegen over onze zondigheid en te zeggen: “Dit heb ik/dit hebben wij gedaan.” Vandaag vraagt de ervaring van Gods barmhartigheid meer aandacht omdat we zoveel kansen krijgen om onze verantwoordelijkheid en het bewustzijn van zondigheid te ontvluchten.

Het is zo ook steeds moeilijker om ons als lotsverbonden in armoede te erkennen. Van zodra wij ontglippen aan het besef dat wij zondaars zijn, wordt het ook moeilijk om slachtoffers van ons egoïsme als slachtoffers te herkennen; ze zijn eerder onvermijdelijke collateral damage en onze verantwoordelijkheid daarin is zeer beperkt. Lotsverbonden mededogen ten aanzien van slachtoffers en lijdende mensen verwordt tot geïndividualiseerde compassie zonder verantwoordelijkheid. Ook al kunnen we beslissen ons in te zetten voor onze broeder, we zijn niet de hoeder van onze broeder. De geslagen mens is niet geslagen, maar iemand die zijn of haar creativiteit niet ten volle weet te ontvouwen: een individu dat tekort schiet. Mededogen, dat ontspringt aan lotsverbonden mens- en scheppingswaardigheid, verdwijnt uit het blikveld en wordt weggemoffeld door theorieën die ons toelaten om de dimensie van onrecht van het lijden te ontwijken. Het eigenmachtige individu vervangt de lotsverbonden medemens.

De afwezigheid van mededogen in eigen hart en samenleving wekt angst, want we beseffen dat ons wellicht ook geen mededogen betoond zal worden, dat het samen leven geen veiligheidsnet meer is. Uitgesloten zijn ook wij zelf wanneer we medemensen uitsluiten. De ervaring van Gods barmhartigheid in de Oefeningen roept op tot bereidwilligheid om, zoals God, de schreeuw van lijdende mens te horen: het besef in waardigheid hersteld te worden, als zondaar, opent ons hart voor lotsverbonden mededogen dat ons met de schepping en met onze medemensen verbindt, zowel met onze zondige medemens, als met de slachtoffers van onze zondigheid of onverschilligheid.

Een keuze voor Gods barmhartigheid

 Vandaag kiezen voor de ervaring van Gods barmhartigheid – leren leven als zondaar en in solidariteit met de lijdende, geslagen mens – is geloofsovergave, vertrouwen in God zelf: we zijn bereid om onze zondigheid niet te minimaliseren als een soort onvermijdelijk kwaad of als bestaanscomplexiteit en om ons in lotsverbonden mededogen door het lot van onze medemens te laten raken. Zo hervinden we onze mens- en scheppingswaardigheid. Onze harde samenlevingen vandaag, die onze vooroordelen en vanzelfsprekendheden mee bepalen, maken deze weg niet gemakkelijk en suggereren als levensstrategie eerder de wedijver van het individuele overleven. En toch, ook al gebeurt het soms uit angst en onzekerheid, de onmacht of de onwil om te kiezen voor Gods barmhartigheid brengt nieuwe vormen van angst en onzekerheid met zich mee, want de weigering om ons als zondaar te erkennen en om lotsverbonden te leven met onze lijdende medemens spreekt ons eigen bestaan tegen. Het fundamentele levensvertrouwen tussen mensen en in de schepping wordt geschaad: de andere mens wordt vreemde, concurrent en zelfs boosdoener, zoals wij ook in de ogen van die andere mens vreemde worden, concurrent en boosdoener.

Vandaag de Geestelijke Oefeningen ernstig nemen vraagt een inspanning om tegendraads te denken en te handelen in onze wereld. Dat is een uitdaging die wij waarnemen, maar die naar “meer” blijft smaken.

 

Antwoord van Wauthier de Mahieu S.J. (*1933), geestelijk begeleider in de Oude Abdij in Drongen en antropoloog

Waarom de Geestelijke Oefeningen ons niet zo diep veranderen als we zouden hopen.

Misschien moeten we ervan uitgaan of, beter nog, tot het besluit komen, dat het inderdaad niet de Geestelijke Oefeningen zijn die ons in de diepte zullen veranderen. Zij zijn enkel een weg. En een weg kan nooit als absoluut gesteld worden, hoezeer de neiging hiertoe ook bestaat, de neiging tenminste tot een zekere verheerlijking van – of is het een dwepen met? – de ignatiaanse spiritualiteit in het algemeen, en van de Geestelijke Oefeningen in het bijzonder. Ignatius zelf heeft die weg, als weg, verlaten en zich geheel opengesteld voor de genade waarin die weg zoekt uit te monden. Het betreft hier de genade te mogen leven vanuit de liefde; de liefde tot God, concreet gemaakt in de liefde voor onze medemensen. Het is enkel de ruimte die wij voor deze genade maken die ons in de diepte zal veranderen. Denk maar aan het verhaal van Egied Van Broeckhoven. Verder moeten we niet zoeken.

De moeilijkheid is dat wij, ondanks ons samen horen, op dat vlak, zoals Egied, altijd een stukje alleen staan. Het formele, het onderhouden van richtlijnen en regels, waarop vroeger zoveel nadruk werd gelegd, maakten wij gezamenlijk waar. Ook de eredienst beleven wij gemeenschappelijk. En aan ons bezig zijn in deze wereld, aan onze inzet en onze projecten, besteden wij belangrijke en heel vruchtbare samenkomsten. Doch wat ons van binnen bezielt, de persoonlijke kern van datgene waartoe elk zich geroepen voelt, daar pakken we heel karig mee uit. Hoogstens wat aantekeningen in een notaboekje dat een medebroeder dan, na ons heengaan, uit één van onze schuiven bovenhaalt.

Liefde heeft haar domein in het hart, de plek waar ons rotsvast geloof in een parel verandert, en zij wordt daar op de eerste plaats persoonlijk beleefd, zoals al wat diep menselijk is. Wel kan zij zich daar soms in alle bescheidenheid uitzeggen en (mee)gedeeld worden onder medebroeders die op dezelfde innerlijke golflengte leven. Zo is er, vanaf haar ontstaan, in de Sociëteit een onvermijdelijk onderscheid geweest tussen een groep vrienden in de Heer, en medewerkers in de oogst. Een onderscheid in het beleven van de broederlijkheid dat men weliswaar altijd zocht te boven te komen, hoe moeilijk dit soms ook was, en blijft.

Om ons dieper aan te spreken dan op inzichtelijk vlak, en ruimer dan op persoonlijk vlak, hebben het Woord van God en de levenswijze van Jezus een bepaalde context nodig. Wij komen, en groeien weg uit een periode waar ons samenleven sterk gestroomlijnd was en zijn nu in een andere context beland. De discontinuïteiten die hierdoor ontstaan zijn, het feit bijvoorbeeld dat wij in het gehoorzamen, of beter in het gehoor geven, voor een flink stuk zijn overgegaan van verticaliteit naar horizontaliteit, hebben wij wellicht nog niet genoeg samen voor ogen genomen, om op de beste manier om te gaan met de implicaties hiervan, en om ons, zeker in de diepte, maar ook in onze uiterlijke levenswijze, op hetzelfde spoor te behouden.

 

Antwoord van Francis Pudhicherry S.J. (*1976), hoogleraar spiritualiteit in Pune, India, en redacteur van Ignis

De weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen.

Er is geen gebrek aan goede voornemens aan het einde van een dertigdaagse of bij de jaarlijkse achtdaagse retraite. Maar ondanks onze goede bedoelingen en verlangens om omgevormd te worden naar Gods beeld en gelijkenis zijn we in het gewone leven al weer snel terug bij Af – en staat het er soms nog slechter voor dan tevoren. Waarom veranderen we niet? Dat komt allereerst omdat we gebed apart zetten als één van onze activiteiten op een dag, in plaats van dat ons hele leven een gebed wordt. Bidden en werken horen beiden bij ons charisma, maar ze kunnen niet zomaar onderling geruild worden. Ons apostolaat zou de vrucht moeten zijn van een diep gebedsleven. Het apostolaat kan ons voeden en helpen op onze geestelijke weg, maar het kan het gebed niet vervangen: we gaan pas veranderen in de mate dat er een volgehouden en echt gebedsleven is.

Wat is gebed? Wat betekent het om gebed als de basis van je leven te hebben? Een passage uit het Geestelijk Dagboek van Ignatius kan ons helpen (GD 24 Febr 1544):

…toen ik met Carpi (kardinaal Carpi, de kardinaal beschermheer van de Sociëteit) had gepraat en terugkeerde had ik veel devotie. Later, na het middageten toen ik door de poort ging bij de vicaris (de vicaris van Rome, Felipe Archinto) en in het huis van Trana (kardinaal Cupis, aartsbisschop van Trani) voelde en zag ik Jezus en had veel innerlijke gevoelens met veel tranen …

De tekst laat zien hoe een werkdag van Ignatius eruitzag als algemeen overste. Naast een drukbezet leven met veel verschillende taken zoals mensen spreken, projecten besturen, Constituties schrijven en de orde besturen had Ignatius een buitengewoon en diep gebedsleven. Zijn apostolisch werk combineerde hij met een leven van grote devotie, een bijna voortdurend ervaren van de aanwezigheid van God en innerlijke bewegingen die alsmaar leidden tot tranen van troost.

Die integratie van diepe mystieke ervaringen en een ongewoon vruchtbaar apostolisch leven is het resultaat van een authentiek en gedisciplineerd leven van gebed. De tekst van het Geestelijk Dagboek zegt dat hij bij het wakker worden “het gebruikelijke gebed” zei, “wanneer hij het altaar klaarmaakte en hij zich aankleedde voor de mis verscheen de Naam van Jezus aan hem”, hij vierde de mis “met grote devotie; na de mis begon hij het gebed”, en gedurende de dag “was hij aan het bidden en smeken tot Jezus”, en hij verlangde ernaar vergeven te worden “door de Allerheiligste Drie-eenheid”.  Uit deze citaten blijkt wel dat Ignatius aandacht gaf aan het formele gebed en tegelijk zich inspande om de hele dag te blijven in een houding van gebed. Het was in de eerste plaats door gebed dat Ignatius groeide in devotie. Natuurlijk zijn sommige wijzen van uitdrukken typisch voor de 16e eeuw, maar er is geen twijfel aan dat Ignatius alles inzette op een leven dat geworteld was in gebed.

Ignatius geloofde dat gebed leidt to devotie. Devotie betekende voor hem niet vrome oefeningen in privé of in het openbaar. In de Autobiografie [99] vertelt hij “dat hij was gegroeid in devotie, dat wil zeggen in het gemak om God te vinden; en nu meer dan ooit. Iedere keer, ieder moment als hij God wilde vinden, dan vond hij Hem ook.” Voor Ignatius is het doel van het gebed groeien in devotie, en dat is de mogelijkheid om God te vinden, altijd: in de sacramenten, in het werk, in gebedstijden, in gesprekken, op straat, bij het rusten en zo verder. Door echt gebed word je je bewust van Gods voortdurende aanwezigheid – en de Autobiografie getuigt van de groei op dat gebied. Deze vorm van gebed is het resultaat van levenslang groeien in de praktijk van de Geestelijke Oefeningen. Door volgehouden gebed word je veranderd. Hij vond het belangrijk om verschillende manieren van bidden aan te bieden in verschillende fases van de Oefeningen.

Trouw volhouden in gebed, op de wijze zoals aangegeven in de Oefeningen en gedaan met de juiste instelling, helpt mensen om mensen van gebed te worden. Er zijn twee valkuilen die we moeten vermijden omdat ze het geestelijk leven laten afstompen. In de eerste plaats is er de verwaarlozing van het gebed. Het dagelijkse examen, het gewetensonderzoek, kan ons hier behoeden voor gemakzucht en helpt ons om Gods aanwezigheid op te merken. Een tweede gevaar is het vervangen van de Oefeningen van Ignatius door andere vormen van gebed die niet christelijk zijn en die meer van doen hebben met narcisme en zelfliefde dan met echt gebed.

Tenslotte kan gebed alleen maar de kans krijgen om ons te veranderen als er veel stilte is. Pater Adolfo Nicolas onderstreepte dat in zijn toespraak tot de vergadering van procuratoren in Nairobi in 2013:

We hebben allemaal nood aan een plek van stilte in ons binnenste waar geen lawaai is, waar de Geest van God met zachte stem kan spreken en onze onderscheiding kan leiden. We moeten zelf stilte worden, leegte, een open ruimte die gevuld kan worden door het Woord van God, en die de Geest van God in vuur en vlam kan zetten voor het welzijn van anderen en van de Kerk.

Meer en meer mensen doen vandaag de Oefeningen, mensen van heel verschillende achtergronden. Zij zijn erdoor veranderd, ze hebben een innerlijke bron aangeboord waarmee zij hun geestelijk leven voeden en bijdragen aan de totstandkoming van het Rijk van God.

De bijdragen uit India verschenen eerder in JIVAN in juli 2017.
Redactie van dit artikel en vertaling uit het Engels door Jan Stuyt SJ. 

Print Friendly, PDF & Email