Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Jezuïeten - Geschiedenis van de Orde / God alles in alles. De mysticus Egied Van Broeckhoven

God alles in alles. De mysticus Egied Van Broeckhoven

egied
Redactie Cardoner on 23/03/2017 - 4:47 pm in Jezuïeten - Geschiedenis van de Orde, Jezuïeten - Zending Vandaag

door Dominik Terstriep S.J.

Vijftig jaar geleden kwam Egied Van Broeckhoven om bij een bedrijfsongeval; het was 28 december 1967. Hij was een Vlaamse jezuïet, 34 jaar oud, priester en arbeider. Zijn dagboekaantekeningen werden gepubliceerd en het feit dat zij in verschillende talen vertaald werden, geeft aan dat zij veel weerklank vonden. De redactie van Cardoner zal in elke aflevering van jaargang 2017 aandacht geven aan Egied, die vaak omschreven wordt als een mysticus. Het eerste artikel is van de Duitse jezuïet Dominik Terstriep. 

 Het kan ongebruikelijk lijken om een boek opnieuw uit te geven dat veel opgang maakte in de zeventiger jaren; bovendien een boek dat de jezuïet en priester-arbeider Egied Van Broeckhoven niet zelf uitgaf, maar dat na zijn dood verscheen: een bloemlezing uit zijn dagboekaantekeningen die een van zijn medebroeders in 1971 voor het eerst uitgaf. De uitgeverij Johannes Verlag heeft besloten het door hen in 1972 gepubliceerde en intussen al lang niet meer voorhanden boek Freundschaft in Gott (Vriendschap in God) opnieuw uit te geven en getuigt daarmee van de bijzondere aantrekkingskracht die dit boek nog steeds heeft.

Men kan boeken op een verkeerd moment lezen. Ik kreeg de aantekeningen van Egied voor het eerst in handen als jonge theologiestudent in de negentiger jaren. Mijn spirituaal vond dat ik het moest lezen. En dat deed ik. Maar het raakte mij niet erg. Toen ik het voor de tweede keer las ongeveer vijftien jaar later was dat voor mij een “openbaring”. Het was als brood waarop je kon kauwen, geen suikergoed. Hoe meer ik de afzonderlijke aantekeningen overwoog des te meer smaak kreeg ik voor de mystiek van Egied.

Het lijkt erop dat veel andere lezers ook iets vonden in dit boek. Toen in 1971 de Vlaamse uitgave verschenen was, volgden in een snel tempo vertalingen (soms in meerdere oplagen) in het Duits (1972), Italiaans (1972), Spaans (1973), Portugees (1975), Engels (1977) en zelfs in het Zweeds (1979). Een theologisch zwaargewicht als Hans Urs von Balthasar was onder de indruk van de echtheid, de helderheid en de spiritueel-theologische diepgang van Egied. Met het oog op dit succes kan men zich afvragen waarom het rondom Egied zo stil geworden is minstens vanaf het midden van de tachtiger jaren.

Heeft ieder boek zijn eigen tijd? In de laatste tijd is er toch weer een nieuwe belangstelling voor de mystiek van Egied aan het opkomen. Zijn aantekeningen worden opnieuw uitgegeven, spirituele en theologische artikelen worden over hem geschreven.

Egied was een mysticus, een man die in een diepe eenheid en verbondenheid met de drie-enige God leefde. Hij probeerde de eenheid met de drie-enige God in de vriendschap te beleven en dat te doen met de armen in het arbeidersmilieu van Brussel in de jaren 1960. Vriendschap was voor hem een sacrament, een plaats waar God zich aan de mens openbaart en zich aan hen geeft; vriendschap die zijn plaats heeft in de ruimte van de drie-enige God. Egied vond God niet buiten maar midden in de werkelijkheid, niet een algemeen begrip van God maar de drie-enige. Wat laat Egied Van Broeckhoven mensen vandaag opnieuw ontdekken? Misschien is dat de bijzondere verbinding van diepe verbondenheid met God en het concrete leven hier en nu, de verwondering over een kort leven dat diep in het geheim van de drie-enige God verworteld was en daardoor tegelijk in de wereld.

Wie was Egied Van Broeckhoven?

Als je kijkt naar de buitenkant van het leven van Egied dan is daar niet veel over te vertellen. Hij was juist 34 jaar geworden toen hij op 27 december 1967 overleed aan de gevolgen van een arbeidsongeval in een fabriek en leidde verder geen voor die tijd uitzonderlijk leven. Egied werd op 22 december 1933 geboren in Antwerpen en verloor reeds op de zesde dag van zijn leven zijn moeder. Zijn vader gaf hem aan een tante en haar man die hem als hun zoon opvoedden. Op de leeftijd van 16 jaar trad hij in in het noviciaat van de jezuïeten in Drongen en kreeg de gewone vorming van de orde zoals die toen was. Eigenlijk wilde hij wis- en natuurkunde studeren maar hij haalde de toelatingsexamens daarvoor niet. In de zomer van 1964 werd Egied priester gewijd. Van 1965 tot 1967 werkte hij als priester-arbeider in verschillende fabrieken in het agglomeraat van Brussel en vestigde zich met twee medebroeders in een arbeiderswijk.

De uiterlijke gegevens van het leven van Egied kunnen nauwelijks een verklaring zijn voor het feit dat zijn dagboekaantekeningen na zijn dood zoveel aandacht kregen. Zijn innerlijk leven waarvan deze aantekeningen getuigen, wijst daarentegen op een rijkdom die met zo’n kort leven niet in overeenstemming lijkt. De dagboeken omvatten 26 schriften en de tijd van het eind van de filosofiestudie (april 1958) tot zijn dood. De schriften zijn een weerspiegeling van de geestelijke ontwikkeling van Egied, van zijn vragen, zijn worstelen en de inzichten die hem gelukkig maakten, het leven van alledag en zijn mystieke ervaringen. Hij had geen literaire ambities. De teksten waren ook niet voor publicatie bestemd. Het ging hem er alleen om  datgene op te schrijven wat hij “zag” in zijn contemplatie, in de onderscheiding der geesten, in het leven van alledag – kortom: alle tekenen van Gods tegenwoordigheid.

De mystiek van Egied cirkelt rond drie grote thema’s: de vriend, de armen en God. Zij vormen zijn “drie-eenheid”, doordringen elkaar zodanig dat zij een eenheid in verscheidenheid vormen. De vriend staat voor het emotionele in alle relaties, voor een liefdevolle relatie. De armen staan voor de concrete wereld waarin Egied zich geroepen voelde. God is de mysterievolle grond en eenheid van beide. De vriend, de armen en God kan men met communicerende vaten vergelijken. Als het waterpeil in het ene stijgt, dan stijgt het ook in de beide andere; daalt het in het ene, dan daalt het ook in de beide andere.

De vriend

Vriend en vriendschap, die beide woorden vallen het meest op in de dagboeken van Egied. Hij wilde God in de intimiteit met de vriend en de vriend in de intimiteit met God vinden. Dat was voor hem een levensopgave. “Mijn roeping is: aan de mensen de mystieke diepte van de vriendschap te leren.” (7 maart 1966) Op een andere plaats in zijn dagboek spreekt hij de wens uit “een Teilhard van de vriendschap” te zijn, d.w.z. aan zijn vriend duidelijk te maken dat dezelfde oneindige diepte van het mysterie van God, dat Pierre Teilhard de Chardin in de kosmos en de ontwikkeling daarvan zag, in iedere vriendschap aanwezig is. Hij wilde de ander in God en God in de ander zoeken.

Daarbij komt hij steeds weer op het woord “intimiteit” terug om zijn zoeken en vinden te beschrijven. Dit sleutelbegrip betrekt Egied zowel op God als op de mens. “Zo is een mens pas te zien in zijn eigenlijke diepste rijkdom, wanneer men het licht ziet  dat in zijn diepste intimiteit licht en de rest verlicht: God.” (2 mei 1959)” Het apostolaat bestaat hierin dat voor een intimiteit een andere intimiteit moet opengaan: een intimiteit groeit naar God toe, dit is naar ‘de’ intimiteit.” (20 september 1958)

Als Egied spreekt over intimiteit, dan heeft hij het over het meest innerlijke centrum, het allerpersoonlijkste en diepste, het mysterie dat in ons woont en dat nooit opgelost kan worden alsof het een raadsel was. Iemand vragen toegelaten te worden tot dit heiligdom of iemand toestaan er binnen te gaan, veronderstelt vertrouwen. Als men dit vertrouwen heeft, dan kan men zich aan iemand bloot geven zonder schaamte en zonder angst uitgelachen, gekwetst of gebruikt te worden. Men kan zich laten zien zoals men is. Egied moet deze gelukkig makende intimiteit zelf ervaren hebben – zowel in zijn relatie met God als met vrienden.

Christus zelf heeft zich van zichzelf ontdaan (vgl. Fil 2,6-11) en God geopenbaard als degene die zichzelf schenkt en intieme vereniging en vriendschap aanbiedt (vgl. Rom 8,32). God zelf is vriendschap, relatie, vereniging, gevend en ontvangend. (vgl. Joh 17,7) Vader, Zoon en Geest, één God voor wie men geen angst hoeft te hebben, omdat Hij de mensen onvoorwaardelijk liefheeft. Egied beleefde zijn roeping tot vriendschap met de drie-ene God vanuit dit mysterie. De drie-ene God woont in de intimiteit van ieder mens. Gods liefde maakt het de mensen mogelijk zich voor Hem en anderen te openen, de intimiteit van anderen te raken en zichzelf diep inwendig te laten raken. Intimiteit is daarom meer dan alleen maar het meest inwendige, want dat klinkt individualistisch. Intimiteit drukt een relatie uit. Juist dit was voor Egied beslissend.

Hij beleefde deze intimiteit in trouw aan zijn vrienden en in een liturgie: een buurman begeleiden naar een instantie voor buitenlanders, zittend op de grond thee drinken met een Marokkaanse familie, een woning zoeken voor een Afrikaanse familie. Op deze manier probeerde Egied zijn roeping tot vriendschap te beleven. “Ik verlang één ding, dat is Uw liefde, en die liefde bij de mensen brengen.” (5 juli 1958) Deze ontmoetingen waren voor hem ontmoetingen met God. “Heer, ik zocht naar de intimiteit van mijn vriend, ik vond Uw intimiteit.” (31 januari 1960)

Vriendschap is voor Egied inderdaad niet iets wat men kan vasthouden. Als men dat probeert, dan bereikt men niet de diepte van de vriendschap. Men moet bereid zijn de vriend te verliezen, de “natuurlijke” liefde, om de “bovennatuurlijke” liefde te winnen. Voor Egied was het belangrijk de liefde te zuiveren van egoïstische motieven. Hij zocht vriendschap niet voor zichzelf, niet om zichzelf in anderen te vinden, maar om de ander in deze intimiteit te ontmoeten. “Ik ben opnieuw op mijn meest fundamentele ervaringen gestoten: alles achterlaten voor God die ons zo wonderlijk aantrekt. (…). De vriend in God verliezen om hem in God volledig te ontdekken (…)”.

In de dood is het leven te vinden. Deze christelijke paradox ervoer Egied in de vriendschap. Hij kent het verdriet van het verlies en de donkere nacht van het verliezen, maar leeft in de hoop dat daarin een belofte schuil gaat. “Ik had een kostbare parel,/ en God zei: werp hem in het diepste van mijn hart./ En ik deed het/ en voelde me armzalig,/ want ik kende de diepte van Gods Hart niet;/ het was als wierp ik alles in de duisternis./ Oh noche amable màs que el alborada!” (1 mei 1959)

Door zijn vrienden ging Egied dieper verstaan wie de drie-ene God is en omgekeerd. Het is niet zo maar een God die in de vriend woont, maar de drie-ene. “Mijn vriend is als een stad op een verre berg, waarheen ik op pelgrimstocht ben, In het hart van die stad is een tempel gebouwd, door God bewoond, de Drie-ene. Heer, help me om nooit mijn tent aan de rand van de stad op te slaan.” (10 september 1961)

Op  21 januari 1965 vatte Egied enkele van zijn belangrijkste gedachten over God en de vriendschap samen: “1. Hoe meer ik God nabij kom, des te meer kom ik ook mijn vriend nabij (…) 4. Hoe meer ik mij uitsluitend aan God overgeef, des te meer geef ik mij aan mijn vriend over. 5. Als ik de één volledig liefheb, heb ik ook de ander volledig lief (…) 6. Hoe contemplatiever men is, des te actiever is men, en omgekeerd.” Wie de drie-ene God is en wie de vriend is wordt over en weer verduidelijkt: men leeft immers in een intieme gemeenschap met beiden.

De armen

Behalve voor de woorden intimiteit, diepte en werkelijkheid had Egied een voorliefde voor het woord “concreet”. Dat is niet verwonderlijk, omdat de menswording naast de Drie-eenheid tot het wezen van het christelijk geloof hoort. God heeft zich in Christus “concreet” gemaakt, in een concrete historische situatie (Augustus, Quirinius, Herodes, Pilatus) en in het concrete leven van alledag (timmerman). Egied, die de  mens geworden Zoon van God volgde, ontdekte niet de vriendschap in het algemeen als zijn roeping, maar vooral de vriendschap met de armen. De armen van zijn tijd waren de gastarbeiders en de fabrieksarbeiders. Egied wilde aan hen gelijk worden, leven, wonen, eten en werken als zij. De vriendschap en het leven met hen was de plaats waar hij zijn mystieke ervaringen had.

Nog gedurende zijn vormingstijd voelde Egied zich aangetrokken door het afgezonderde Kartuizerleven. Deze aantrekkingskracht die van het contemplatieve leven uitging bleef hem boeien. Maar Gods Geest leidde hem de “wereld” in op de weg van de contemplativus in actione. Zoals de monniken God zoeken in de kruisgang, de kerk, de cel en in handenarbeid, zo wilde hij Hem zoeken aan de machines, in onrechtvaardige en harde werkomstandigheden, op de straten en in de huizen van de arbeiderswijk. “Mijn persoonlijke genadegaven zijn: de eucharistie als voedsel, contemplatie in de actie, God in het werkelijke leven.”

Brussel en de fabriek werden voor Egied het brandende braambos – plaats waar God zich openbaart: “Brussel, het brandende braambos van Gods Tegenwoordigheid.” (10 augustus 1967) Dit bijbels motief was heel belangrijk voor hem. Het verwijst van de ene kant naar de wens van God om de mensen te ontmoeten en zich aan hen te openbaren en van de andere kant naar de feitelijke mogelijkheid om Hem in de concrete wereld te ontmoeten – voor Egied in het Brussel van de arbeiders. “Het leven is schoon hier: heel reëel schoon; volledig communiceren met deze wereld, deze concrete wereld van nu is Gods schepping nu (…).Het is een vreugde te ontdekken dat die epische heilige schepping van God deze concrete wereld van nu is: Brussel, die concrete mensen, in die smerige gieterij, onze vrienden ook, dat alles is de realiteit en die realiteit is heilig want het is de enige plaats waar God ons kan raken en dus raakt. Zelfs als ik kon kiezen tussen het brandende braambos en Brussel, ik zou Brussel kiezen.” (13 maart 1966)

Het braambos, dat brandde en toch niet verbrandde (Ex 3,2), laat zien dat God zich werkelijk meedeelt aan deze wereld, maar zonder die wereld te vernietigen. In plaats daarvan krijgt de wereld een nieuwe glans en wordt sacramenteel doorzichtig. Daarom verlangde Egied: “De Kerk moet terugwinnen: 1. De volle sacramentaliteit van het samen-gemeenschap-zijn; 2. De waarde van alle concrete vormen van de werkelijkheid als sacrament van de tegenwoordigheid van God (iedere ontmoeting enz.).”

Wie waren die mensen in wie God zich openbaarde? Vooral gastarbeiders uit Zuid-Europa en Afrika die in snel groeiende, sociaal arme wijken woonden. Het waren mensen aan wie men het eenvoudigste, gevaarlijkste en slechtst betaalde werk gaf. Met hen werkte Egied als ongeschoolde arbeider. Hij was gedwongen zijn identiteit als priester geheim te houden omdat hij anders ontslagen zou worden.

Op een bijeenkomst in mei 1967 legde Egied verantwoording af van zijn weg als priester-arbeider. Aanvankelijk voelde hij zich aangetrokken tot de ontkerstende grootstad. Hij wilde daar missioneren. Toen  ontdekte hij de armen en de eenvoudigen als prioriteit van het evangelie. Zijn voornaamste doel werd de heilsgeschiedenis niet vooral te verkondigen maar zichzelf te zien als een deel daarvan. Voor Egied betekende dat concreet in navolging van Jezus arm te worden zoals zij: “Dus moeten we gaan werken zoals zij, machteloos worden zoals zij.” (14 mei 1967) Egied wilde toegankelijk worden voor de kleinsten en hen liefhebben en dat kan alleen maar lukken als men hun lot deelt. Een ander motief om naar de armen te gaan was een diep verlangen naar God. En Hem – zo was zijn overtuiging – kun je het beste vinden in het hier en nu, in de wereld en vooral bij de armen. Andere redenen voor zijn besluit als priester-arbeider te leven, waren zijn zorg om de kerk waarvan de boodschap de armen niet bereikte, de sociale onrechtvaardigheid, het verdiepen van zijn priesterlijk bestaan en tenslotte de vriendschap die – aldus Egied – “mij nog het meest aan dit  leven bindt en al de rest samenvat (…), deze concrete, totale vriendschap, voor mij de enige echte, soms moeizame maar zeer troostvolle weg waarlangs het Rijk Gods groeit in deze wereld van nu.” (14 mei 1967)

Egied liet zich in zijn mystiek van de vriendschap sterk inspireren door Pierre Teilhard de Chardin. Voor de ‘Teilhard van de vriendschap’ begon de voltooiing van de schepping met de geleefde vriendschap met de armen. Het punt Omega waar volgens Teilhard al het geschapene naar op weg is, is voor Egied de alomvattende vriendschap die al in de tegenwoordigheid van Christus gerealiseerd wordt. “Zalig zijn de armen = aan het eind van de tijd zullen er geen armen meer zijn. Allen zullen kinderen van God en broeders van Christus zijn. “Wat jullie aan de geringsten van mijn broeders hebt gedaan…” = wij ontmoeten Christus volledig in de ander = pleroma, God alles in allen. Het punt Omega nu is een dynamische werkelijkheid: nu gericht op het punt Omega; als waarheid is dit het punt Omega nu; als leven is het nu op het punt Omega gericht.”

God

God was de grote hartstocht in het leven van Egied. Hij leefde in de geest van de Bergrede. “Zoekt eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid” (Mt 6,33). Men kan God alleen maar zoeken als men Hem al gevonden heeft of minstens een vermoeden van Hem heeft. Hoe meer Egied God vond, des te meer zocht hij Hem. Dit zoeken beleefde hij in het gebed en in zijn leven als arbeider. God en mensen zoeken zijn zeker twee verschillende dingen, Egied beschouwde ze nochtans als twee aspecten van dezelfde beweging. Hij kon niet over God spreken zonder te spreken over de wereld van de arbeid, de ontmoeting met buren en arbeiders of zijn zorgen over de arbeidsvoorwaarden. Het leven met en door God vergeleek hij met een veeleisende onderzoekingstocht. “Er is geen tocht die de mens voor zo’n onbekende offers plaatst als het zoeken naar God; altijd staat men voor het grote geheim; een ontdekkingsreiziger moet dikwijls zijn leven op het spel zetten; wie God zoekt moet ook de Liefde op het spel zetten. Op die tocht staat men alleen zelfs in de vriendschap; want, om de vriend in zijn diepste intimiteit te vinden, waagt men zich veel dieper en verder dan de menselijke liefde; omdat men God zoekt, zal men soms ook van de uiterlijke tekenen van de vriendschap afzien, om juist dichter bij de vriend te komen.” (15 november 1961)

Egied herkende zich in Abraham die naar een onbekend land vertrok, die verliest en in de overgave aan God “wint”, die niet in het vage blijft maar concrete stappen zet op de weg van het geloof: “Er is geen andere Godsontmoeting dan daar waar men zijn leven verliest, zijn land verlaat; geen andere vriendschap dan daar waar men zijn vriend in God kan verliezen. Er is geen echte Godservaring waar deze niet het wezenlijke engagement wordt in de concrete te verlossen wereld van nu.” (augustus 1967)

Het leven met God – een waagstuk van de liefde dat gedragen wordt door het vertrouwen dat de oneindige God, in wie wij leven, bewegen en zijn (Openbaring 17, 28) ons draagt. Deze grondinstelling van de gelovige beschrijft Egied met een treffend beeld: “De Incarnatie is een aspect van de toenaderende Liefde van God die zich steeds weer herhaalt; zoals wanneer iemand zich dieper en dieper in de zee wil begeven, dan komt telkens een nieuwe golf die niets anders is dan het naderen van de zee; maar steeds blijft verderop de onmetelijke zee vol mysterieuze oneindigheid de mens aantrekken. Hoe verder hij gaat – en getrokken wordt door het getij –, hoe mysterieuzer en dieper en rijker het toenaderen van de zee wordt; tot hij totaal in de zee verdwijnt en in de inwendige strandeloze beweging van de zee wordt opgenomen.” (9 april 1962)

God is het mysterium tremendum et fascinosum waarin Egied een onbegrensd vertrouwen had. Wie door het mysterie van God wordt aangetrokken en door Hem opgenomen wordt, verliest de grond onder de voeten maar wordt gedragen door een beweging die de mens verandert in degene die hij eigenlijk moet zijn: een met God en in God. Deze eenheid schouwde Egied in het geheim van de drie-ene God.

De drie-ene God

Egied was niet alleen met zijn sacramentele visie op de werkelijkheid een trouwe leerling van Ignatius, maar ook in de trinitaire vorm van zijn mystiek. God alles in alles (verg. 1 Kor 15, 28) citeert hij steeds weer. De hele werkelijkheid moet van God vervuld worden, zonder in Hem op te gaan. De drie-ene God heeft ruimte in zich voor wat Hij niet is. Het wederzijdse “zijn-in”, de eenheid met God en met de vriend, is een trinitarische eenheid. God en mens zijn geen concurrenten, maar ze zijn in een communio met elkaar verbonden. Daarom moet de mens niet verdwijnen maar in God meer mens worden. En dat wordt hij in de mate dat God alles in alles en allen wordt.

In het leven van Egied viel het bekende geloof in de drie-ene God samen met het geleefde geloof. Dat is helemaal niet vanzelfsprekend. Op 17 april 1966 vatte hij zijn belangrijkste inzichten over de samenhang van Drie-eenheid en leven samen: “Wij leven een leven dat zich totaal aan de mensen en aan  God geeft (…) 1.De diepte van ons leven is trinitair (…) 3. Het doel van alles is: God alles in allen (…) 5. De vriendschap (haar trinitaire leven) is de weg naar 3e (…) 7. De plaats waar we God ontmoeten is de wereld nu, hier, de vriendschap, Brussel, onze reële situatie (…) 9. De voornaamste deugden van nu zijn: (I) de moed, (II) de ghemeyne mens, (III) het van-God-zijn en het van-de-wereld (de mensen) zijn (…) 12. Dat God beminnen en de mens beminnen een eenheid vormen (…) 13. Het ‘werk’ op alle niveaus is een werk in de geboorte van de Zoon uit de Vader in de Geest: “gij zijt mijn zoon”, dat zegt God in alle werk, dat realiseert zich in alle werk (handenarbeid, “werc” in mystieke zin). Werk: al wat iets toevoegt aan de realisatie van God alles in allen.”

Deze samenvatting getuigt van de nabijheid van de drie-ene God in het leven van alledag. Het geheim van de Triniteit is geen abstracte constructie maar geeft vorm aan heel het leven van de mens. De gemeenschap met de drie-ene God is de roeping van de mens, die moet worden wat God hem toebedacht heeft: mens. “God is de diepste intimiteit van de mens; laat men God God zijn, dan wordt de mens ook meer mens.”

Een grensganger

Egied Van Broeckhoven was een grensganger, iemand die grenzen opzocht en eroverheen ging: de grenzen tussen God en wereld, kerk en arbeiders, contemplatie en actie, het inwendige en het uiterlijke, het geestelijke en het alledaagse, het centrum en de periferie. Hij was in veel opzichten iemand die aan de marge leefde: ideologisch, maatschappelijk, kerkelijk en cultureel. Daarin komt hij overeen met twee jonggestorven mystieke vrouwen uit de 20e eeuw: Etty Hillesum en Simone Weil. Alle drie stierven zij een dood die te maken had met hun leven aan de grens; een leven voor anderen dat zijn oorsprong vond in het hart van God.

De mystieke ervaring van de vriendschap werd beslissend voor Egied in een tijd die getekend werd door een groeiende oorlogszucht, de roep om een sterke man en sterke ideologieën, die voorbijgingen aan de gevoelswereld van de afzonderlijke mens. Tegen deze achtergrond heeft de bescheiden, wijze ern boeiende affectiviteit van Egied een weldoende en ontregelende werking – niet alleen toen, maar ook vandaag nog. Egied zette in op de nabijheid, de concrete persoon, de afzonderlijke mens, niet op de vermeende nabijheid van een globale communicatie.

De ervaring van Egied getuigt van een man die zich met alle consequenties in de wereld van de arbeiders begaf. Hij wijdde de lichamelijkheid van Jezus toe aan de werkelijkheid, waarin hij ‘inwoning’ gevonden had. Wij leven tegenwoordig daarentegen in een cultuur van het ‘inter’ in plaats van het ‘in’. Dankzij de globale communicatie kunnen wij ons met één klik van de muis alle mogelijke informatie verschaffen en contacten leggen. Het dialectische spel tussen ‘inter ‘en ‘in’ is gewonnen door het ‘inter’. Velen engageren zich meer in het ‘inter’: inter-cultureel, inter-religieus, inter-nationaal, inter-actief, inter-textueel enz. Dat hoeft geen bedreiging te zijn. Het kan ook een nieuwe solidariteit teweeg brengen. Maar wil men “inter” zijn, dan moet men ook ‘in’ zijn, moet men met de werkelijkheid vertrouwd en innig verbonden zijn. Precies dat kunnen wij van Egied leren. Hij leefde in beide dimensies: geïncarneerd  en verworteld “in”  God en zo verbonden met de mensen (“inter”).

Het “in” van Egied werd zichtbaar in zijn omgaan met de armen. Zij waren voor hem geen nummers of gevallen, maar hadden een gezicht, een naam en een geschiedenis, waar het dagboek vol van is. In plaats van in te zetten op de globale anonimiteit zette hij in op nabije relaties. Zijn tempo was langzaam – de persoonlijke ontmoeting in plaats van de klik van de muis.`

Egied beëindigde zijn vorming als jezuïet in de voor-conciliaire tijd. Met het tweede Vaticaans concilie dat tijdens zijn theologiestudie werd gehouden, kwam de Kerk geweldig in beweging. Egied is daarvan een getuige. Hij werkte na zijn priesterwijding niet meer zoals gebruikelijk in een van de traditionele werken van de Sociëteit (bijv. een college), hij leefde niet in een van de jezuïetenhuizen die vaak in de betere wijken gelegen waren, maar besloot om priester-arbeider te worden en zoals de andere arbeiders te leven. Egied zocht de grenzen van de Kerk op en ging daar overheen in zijn leven met en voor degenen die met hem in de fabriek werkten.

Veel is er veranderd in Kerk en wereld sinds Egied stierf. God, de vriend en – helaas ook nog steeds – de armen zijn en blijven belangrijke thema’s. De jezuïet en priester-arbeider kan voor ons een wegwijzer zijn om het leven van alledag in zijn dieptedimensie te beleven: de geheimnisvolle tegenwoordigheid van God in alles. “God alles in alles”. Hij is een sympathieke, vriendelijke en positieve tochtgenoot; een vriend, die thuis is bij God en in de wereld; een ervaren en betrouwbare begeleider die ons onze persoonlijke weg laat zoeken en vinden. Iemand die ons eraan herinnert dat het christelijke leven een leven in gemeenschap is: in de drieëne God met de mensen. “De plaats waar men God ontmoet is die waar men alles achterlaat voor deze wereld: dan wordt deze het brandende braambos (…). Het hart van die wereld is de mens, het hart van de mens is de Liefde, (het hart van) de Liefde is God. Zo is zich verliezen aan de wereld = zich verliezen aan de vriend = zich verliezen aan God” (augustus 1967).

uit: Geist und Leben, 88 (2015)
vertaling: Hans van Leeuwen S.J.

De auteur, Pater Domink Terstriep, is geboren in 1971, ingetreden in 2003 en woont sinds 2009 in Zweden. In Stockholm is hij verbonden aan de rooms-katholieke parochie en in Uppsala is hij docent dogmatiek aan het Newmaninstituut.

 

Print Friendly