Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Jezuïeten - Zending Vandaag / De gave van de oude dag, Oudere jezuïeten in hun eigen woorden.

De gave van de oude dag, Oudere jezuïeten in hun eigen woorden.

Redactie Cardoner on 01/08/2013 - 12:49 pm in Jezuïeten - Zending Vandaag

door Gerald L. McKevitt S.J.

Het Amerikaanse tijdschrift Studies in the Spirituality of Jesuits bracht een nummer uit over jezuïeten en ouder worden. Uitgebreide interviews met oudere jezuïeten maken korte metten met veel stereotiepe beelden. Deze mannen brengen een rijke ervaring mee in de latere fase van hun leven en velen van hen hebben het gevoel dat zij ook dan nog groeien in hun roeping. Ondanks een duidelijke achteruitgang wat betreft hun gezondheid en mogelijkheden heeft een aantal de overgang naar de ouderdom met succes gemaakt. Zij hebben niet alleen vrede gevonden, maar zijn ook gelukkig. De tekst werd hier en daar door de redactie lichtjes ingekort.

 “De heel ouden … zijn ons voorgegaan op een weg die wij misschien ook moeten gaan, en ik denk dat we bij hen te rade moeten gaan wat voor een weg dat is” (Plato).

 

I. Inleiding

Ben je gelukkig in je roeping? Dat was de belangrijkste vraag waarover jezuïeten uitgenodigd werden na te denken tijdens het jaarlijkse gesprek met hun provinciaal. Ofschoon de rekenschap van geweten tegenwoordig over heel wat andere zaken kan gaan, is deze basisvraag nog altijd belangrijk. Als iemand tevreden is in zijn roeping, is dat een richtingwijzer bij het onderscheiden welke apostolische zendingen voor hem mogelijk zijn en of hij wel of niet zal volharden in zijn roeping. Maar hoe is dat als je oud wordt? Is tevredenheid nog mogelijk als iemands geheugen achteruitgaat, zijn energie afneemt en allerlei verschijnselen van minder-worden zich steeds duidelijker aftekenen? Veel oudere jezuïeten houden vol dat je ook dan tevreden kunt zijn. Voor hen is en blijft de belangrijkste vraag, zelfs in de laatste jaren van hun leven: ben je gelukkig in je roeping?

Dat is het thema van dit nummer. Met behulp van interviews met oudere religieuzen wordt geprobeerd te ontdekken of jezuïeten inderdaad op een gelukkige manier oud worden in de Sociëteit. En ook, wat de oorzaak is van het feit dat sommigen op een aangename manier oud worden, terwijl anderen daarin nooit rust kunnen vinden. Omdat we allemaal ooit ouder worden, is het antwoord op deze vragen van cruciaal belang voor iedere jezuïet, jong, van middelbare leeftijd of oud. Wat de journalist David Brooks over oude mensen zei is waar voor ieder van ons: “De ouderen, zij zijn onze toekomst.”

Maar hoe kan een tachtigjarige die moeizaam door het leven gaat door verzwakte spieren en een afnemend geheugen, tevreden zijn? Als de jaren vorderen “kunnen we niet meer zo snel lopen als we dat gewoon waren”, schrijft iemand, en we ontdekken “overal pijntjes die er tevoren niet waren”. Zeventig jaar, waarschuwt psalm 90, is de boog van ons leven en alles na je tachtigste “is moeite en leed”. Volkswijsheid zegt dat de ouderdom een tijd is die velen vervloeken: “Ouderdom is niet voor moederskindjes.”

In tegenstelling tot de heersende opinie tonen recente studies aan dat mensen gelukkiger zijn naarmate ze ouder worden. Volgens een rapport uit 2010 van de Nationale Academie voor Wetenschappen zijn senioren tevredener dan mensen van middelbare leeftijd, en als ze de leeftijd van 85 bereiken zijn zij gelukkiger dan toen ze achttien waren. We veronderstellen dat het wegvallen van gezondheid lijden met zich meebrengt, en toch zeggen deskundigen dat mensen zich aanpassen aan de meeste chronische gezondheidsproblemen. Vandaar dat een tachtigjarige jezuïet van Georgetown, ondanks een bypassoperatie en een vroeger gebroken heup, meldt: “Ik geniet ontzettend van het leven.”

De methode van het interview

Deze verhandeling begint met enige basisobservaties over ouder worden, die voor de meesten niet nieuw zullen zijn. Daarna analyseer ik de interviews met een groot aantal jezuïeten wier opmerkingen de kern van mijn verhaal vormen. Deze jezuïeten traden allen in vóór het Tweede Vaticaans Concilie en de serie Algemene Congregaties die het leven en werken van de Sociëteit in het midden van de twintigste eeuw vormgaven. Vervolgens komt dit opstel op minder bekend terrein en geeft het de lezer een inkijk in de innerlijke ervaring van oudere jezuïeten door middel van hun antwoorden op een reeks vragen. Wat verklaart, na tientallen jaren van religieus leven waarvan vele in een hoogst onrustige fase van de kerkgeschiedenis, dat een man dat leven toch heeft volgehouden? Heeft de Sociëteit hem teleurgesteld en zou hij het nog eens over willen doen? Hoe kan iemand het aan als hij fysiek achteruitgaat en de laatste fase van het leven in zicht is? Wat is de spiritualiteit van oude mensen? Evolueren de relatie van een jezuïet met God en zijn manier van bidden gaandeweg? Het eerste doel van deze monografie is niet zozeer te ontdekken wat doorgewinterde jezuïeten zeggen over ouder worden, maar vooral in hun verhalen te onderscheiden wat ook ons zou kunnen helpen om een tevreden leven te leiden. Het artikel komt dan tot de conclusie dat voor veel jezuïeten de ouderdom geen last is, of althans niet allereerst een last – het is een gave.

De antwoorden op de vragen werden niet verkregen door middel van een statistisch overzicht, maar met methodes die algemeen gebruikt worden door historici en andere sociale wetenschappers. Het onderzoek vereiste het doornemen van een steeds groter wordende hoeveelheid literatuur over het onderwerp ouder worden, evenals het verwerken van de memoires van jezuïeten, inclusief de transcripten van 36 interviews met oudere jezuïeten gepubliceerd door de provincie van New England en de communauteit van Georgetown. Mijn belangrijkste bron van informatie waren echter de interviews die ik afnam van bijna veertig oudere jezuïeten uit de tien provincies van de Amerikaanse assistentie. Mijn gesprekspartners waren allen ouder dan zeventig; er werden er ook een paar geïnterviewd die jonger waren, om een breder zicht te krijgen op ouder worden in de Sociëteit. Onze gesprekken waren gebaseerd op een vragenlijst.

Wie zijn deze jezuïeten? Sommigen zijn kennissen van mij; anderen werden mij aanbevolen door collega’s die, toen zij hoorden van mijn project, zeiden: “Je moet zeker die en die interviewen.” Zij vertegenwoordigen een breed spectrum van apostolaatsvormen: parochiepastoors, sociale werkers, schrijvers, begeleiders van retraites, vroegere rectoren en provinciaals, leraren op een middelbare school, universiteitsprofessoren en allerlei soorten bestuurders. Unaniem worden zij door hun medebroeders als geslaagde religieuzen beschouwd. Velen van hen zijn nog actief en sommigen hebben nog een verantwoordelijke functie. Een deel van hen is gepensioneerd of werkt deeltijds; anderen wonen in een bejaardenhuis van de provincie. Sommigen hebben een slechte gezondheid en enkelen zijn stervend.

Een opvallende eigenschap van deze jezuïeten was hun ruimhartige eerlijkheid. Ofschoon Amerikaanse mannen de naam hebben zo opgevoed te zijn dat ze niet praten over hun gevoelens, hebben deze mannen op weinige uitzonderingen na frank en vrij mijn vele vragen beantwoord. Vanwege de kwetsbaarheid en de vaak intieme aard van onze gesprekken zijn de namen en de verwijzingen naar het instituut waar de geïnterviewden bij horen veranderd, om de vertrouwelijkheid te bewaren. Waarom waren mijn gesprekspartners zo welwillend? Iemand zei dat het vraaggesprek voor hem persoonlijk een hulp was, omdat “het mij de kans gaf om erover na te denken hoeveel geluk ik gehad heb.” Een ander vergeleek het gesprek met een miniretraite. Aangezien de meesten priester zijn, zijn ze zelf gewend om confidenties aan te horen; zij zijn geoefend in het pastoraal gesprek, een belangrijk apostolaat van de Sociëteit van Jezus; en zij hebben een leven lang hun innerlijk opengelegd in de rekenschap van geweten.

Een dergelijk mondeling historisch onderzoek biedt unieke voordelen. Het doel ervan is te ontdekken wat het betekent in een specifieke tijd en ruimte deel uit te maken van een specifieke groep in de maatschappij – in dit geval oudere Amerikaanse jezuïeten. Deze benadering maakt het vaak mogelijk om iets meer te begrijpen van marginale of ondervertegenwoordigde groepen in een groter cultureel geheel. Het is mijn overtuiging dat oudere jezuïeten een te weinig bestudeerde groep zijn in het geheel van de Sociëteit van Jezus. Daarom verschaft dit project niet alleen informatie over een aspect van het religieuze leven (ouder worden) dat anders te weinig gedocumenteerd zou zijn of verloren zou gaan, het schept ook de mogelijkheid dat verschillende generaties met mekaar in gesprek gaan over een onderwerp waarover wij jezuïeten zelden praten. Een andere voordeel is dat mondeling historisch onderzoek informatie verkrijgt door middel van open vragen. Deze werkwijze laat de onderzoeker toe bepaalde gebieden te bestuderen die voor hemzelf van belang zijn, terwijl tegelijk degene die ondervraagd wordt het gesprek kan leiden in een richting die híj belangrijk vindt. Daarom gaat de gedachtewisseling soms in een onvoorziene richting, en zijn de antwoorden vaak spontaan en hebben ze het karakter van hardop denken. Afhankelijk van de opstelling van de geïnterviewde stelt deze gesprekstechniek de interviewer in staat om dieper in te gaan op de affectieve ervaringen en het innerlijk leven van de gesprekspartner. Dit resultaat kan heel verrijkend zijn, zoals uit de volgende bladzijden zal blijken.

Op een paar punten moet er een voorbehoud worden gemaakt bij deze methode. Omdat het aantal geïnterviewden beperkt was, zijn hun ervaringen – hoewel verhelderend – niet per se typerend voor een grotere groep. Vandaar dat de conclusies die in dit artikel worden getrokken, niet zomaar op alle oudere jezuïeten kunnen worden toegepast. Bovendien waren mijn gesprekspartners merendeels personen die door anderen worden getypeerd als graag gezien en succesvol in hun werk. Zelden ging het om iemand die je zou kunnen beschrijven als bitter of ongelukkig; integendeel, de meesten van deze religieuzen leken tevreden. Ja, een van de redenen om hen te interviewen was juist om te ontdekken hoe zij het klaarspeelden om zo goed om te gaan met de beperkingen waarmee het ouder worden gepaard gaat. Een andere waarschuwing: dit artikel is even beschrijvend en anekdotisch als analytisch. Terwijl het gebruik maakt van de bevindingen van deskundigen op het gebied van de gerontologie, die een licht werpen op de ervaring van het ouder worden, is mijn belangrijkste doel als historicus geweest te ontdekken wat die ervaring voor jezuïeten betekent, en dan – als dat mogelijk is – te onderzoeken hoe de overige jezuïeten met deze wijsheid hun voordeel zouden kunnen doen. Het lijkt duidelijk dat wij, ook al hebben we het verloop van een groot deel van onze levensreis niet zelf onder controle, toch keuzes kunnen maken die een hulp zijn voor een gelukkige oude dag.

Jezuïeten en ouder worden

Het is meer en meer nodig dat wij ons op die levensreis voorbereiden, omdat we steeds langer leven. Sinds 1840 is de levensverwachting van een Amerikaan jaarlijks met een kwart jaar omhooggegaan, zodat zij nu ongeveer 78 jaar bedraagt, een leeftijd die hoger is dan vroeger voor mogelijk werd gehouden. Vijftig jaar geleden vormden jezuïeten die zeventig jaar en ouder waren slechts 6 procent van de Amerikaanse Sociëteit. In 2010 was die groep als een paddenstoel gegroeid tot 66,35 procent. Deze tegenstelling is de jezuïeten die dit tijdperk van ongekend hoge leeftijd meemaken, niet ontgaan. “Je staat paf van het getal”, merkt een priester op als hij terugdenkt aan het moment dat hij zeventig werd. “Ik was toen tweemaal zo oud als mijn vader ooit was, en ik ben nu zelfs ouder dan mijn moeder geworden is.” Sommige deskundigen menen dat minstens de helft van de baby’s die vandaag in Amerika en de ontwikkelde wereld geboren worden, mogen verwachten honderd jaar te worden. Dit nieuwe gegeven dat mensen veel langer leven zal grote consequenties hebben voor de Sociëteit.

De doorsneejezuïet ligt niet wakker van de sociale implicaties van het ouder worden. Dat onderwerp mag de ouderen bezighouden – “Ik denk veel na over het ouder worden,” zegt een van hen, “ik word er voortdurend aan herinnerd” – bij de meesten van ons wekt het weinig interesse op. Er is een stroom van literatuur over de spiritualiteit van jongeren en mensen van middelbare leeftijd, merkt de jezuïet-theoloog Gerald M. Fagin op, maar “we hebben de ouderen verwaarloosd, omdat we aannamen dat de ouderdom geen groei meer kent.” Afgezien van een persoonlijk verhaal hier en daar, zijn er weinig beschrijvingen van ouder wordende jezuïeten in hun eigen woorden. Vanwaar die stilte? Het kan een gevolg zijn van het feit dat de stichtingsdocumenten van de Sociëteit over dit onderwerp zwijgen. Ignatius schreef in de Constituties over ziekte en dood, maar hij zei niets over de ouderdom – misschien omdat hij daarvan in de Sociëteit geen ervaring had. Franciscus Xaverius stierf op de leeftijd van 46 jaar, Pierre Favre werd veertig en Laínez 53. Ignatius zelf bereikte de leeftijd van 64 jaar, wat Joseph Conwell ertoe bracht op te merken: “In de Sociëteit die hij kende was hij de oude man.”

Het gebrek aan belangstelling kan ook toegeschreven worden aan een verkeerde interpretatie van elementen in de spiritualiteit van de Sociëteit die actie en productiviteit lijken te idealiseren. Ofschoon apostolaat terecht een eerste prioriteit is, kan apostolische activiteit de vorm aannemen van een openlijk of vermomd goed. Als ijver “tendenzen van werkverslaving bevordert of de jezuïet ervan weerhoudt om ook aandacht te hebben voor andere levensgebieden,” zo waarschuwt een psycholoog, dan zal de inactiviteit die bij de oude dag lijkt te horen met minachting en verlegenheid worden bekeken. De weerstand onder jezuïeten om dit onderwerp verder te onderzoeken wordt nog versterkt door de seculiere cultuur. Als Amerikanen leven wij in een maatschappij die op succes gericht is, waarin je waarde bepaald wordt door je prestaties. In deze context lijkt ouder worden “vooral een verlies en geen winst”.

Ofschoon jezuïeten niet veel inkt aan het onderwerp hebben besteed, is er toch een snelgroeiende hoeveelheid literatuur over gerontologie. De psychiater George E. Vaillant bv. komt tot de conclusie dat er zeven factoren zijn die een gezonde manier van oud worden, zowel fysiek als psychisch, voorspellen. Naast het ontwikkelen van volwassen manieren om met moeilijkheden om te gaan noemt hij opvoeding, een stabiel huwelijk, niet roken, het vermijden van verslaving aan alcohol, matige lichaamsbeweging en een gezond gewicht. Hij ontdekte ook dat sociale vaardigheid, meer nog dan intelligentie of de sociale klasse van de ouders, bevorderlijk is voor een geslaagde manier van oud worden.

 De studie van Vaillant heeft wonderlijk genoeg weinig te zeggen over religie, die tegenover spiritualiteit wordt geplaatst. De meeste religies, zo stelt Vaillant, zijn “erg rigide en dogmatisch, en daarom hebben hoop en liefde méér dan geloof een positieve invloed op het ouder worden. Het al of niet aanwezig zijn van spiritualiteit of het aanhangen van een religie hebben er weinig mee te maken. Bovendien is het nog steeds onzeker of geloof en spiritualiteit werkelijk verdiept worden als je ouder wordt.”

Dit wordt tegengesproken door de ervaring van de meeste jezuïeten. In 1980, toen James F. Maguire van de provincie van Detroit in een onderzoek werd gevraagd wat hem op de been hield en wat hem voldoening gaf, schreef de 75-jarige zijn tevredenheid eerst toe aan “mijn leven samen met medebroeders en mijn werk, dat veel contacten met universiteit, studenten en vrienden inhoudt”. Maar “de belangrijkste verklaring van mijn tevredenheid en gevoel van geluk in het jezuïetenleven is van spirituele aard. Langzaam – heel langzaam – heb ik tijdens de 57 jaren van mijn leven als jezuïet de geleidelijke verdieping mogen ervaren van mijn gezel-zijn van Christus.” Als de ervaring van Maguire niet alleen de zijne is, dan is religieus engagement een bepalende factor bij jezuïeten.

Mijn eigen geboeid zijn door het fenomeen van het ouder worden heeft te maken met twee ervaringen, een daarvan heel alledaags. Ik heb mij lang afgevraagd waarom cartoons in populaire tijdschriften oude mensen afbeelden op een bank in het park. Waaraan denken oude mensen als zij daar zo zitten en de wereld aan zich voorbij zien trekken? Hoe verschilt hun leven van blijkbaar niets te doen hebben van mijn eigen bezige leven? Op die vragen vond ik een gedeeltelijk antwoord vijf jaar geleden. Terwijl ik aan de Fordham universiteit doceerde, moest ik een spoedoperatie aan mijn rug ondergaan, die mij het gevoel gaf oud te zijn op de leeftijd van 66. Toen ik voor revalidatie in de ziekenboeg van de provincie van New York was, kwam ik dagelijks in contact met veel mensen die ziek waren en ouder dan ikzelf. Gesprekken met deze jezuïeten en een langere herstelperiode later in Californië brachten mij ertoe te onderzoeken wat het betekent om ouder te worden in de Sociëteit. Na het een en ander over dit onderwerp te hebben gelezen begon ik oudere jezuïeten in heel de assistentie te interviewen. Deze ontmoetingen resulteerden in een aantal gesprekken die rijker waren dan ik ooit in mijn leven had gehad. Dit artikel is opgebouwd rond vragen die tot doel hadden te ontdekken hoe de ouderen en de gepensioneerden (en dat is niet noodzakelijk hetzelfde) hun bestaan interpreteren.

Ik schrijf dit niet op de eerste plaats voor tachtigjarigen – er is niet veel wat ik hen kan zeggen wat ze al niet weten – maar voor jongere lezers, die er misschien profijt van kunnen hebben te horen hoe ouderen vertrouwelijk spreken over een onderwerp dat in de recreatie zelden wordt aangeraakt. Ik hoop dat wat jezuïeten op deze bladzijden tegenkomen hen zal helpen om al onderscheidend keuzes te maken met betrekking tot hun eigen leven. Aangezien meerderen van ons langer zullen leven, zullen we ook meer van onze dagen slijten als oudere mensen. Daarom zou het verstandig zijn om ons af te vragen wat er van ons gevraagd zal worden, zoals Socrates aanspoorde: “Ik houd ervan met heel oude mensen te spreken. Zij zijn vóór ons een weg gegaan die wij misschien ook moeten gaan. En ik denk dat we hen moeten vragen wat voor weg dat is, ongeplaveid en moeilijk, of gemakkelijk te begaan.” Een gerontoloog zegt het directer: “De ouderdom lijkt op een mijnenveld; als je voetafdrukken ziet die leiden naar de overkant, stap daar dan in.”

 

II. Zij vertellen hun verhaal: gesprekken met oudere jezuïeten

Wie is oud?

Net zoals andere Amerikanen hebben jezuïeten geen eensluidende mening over de oude dag. Maar wanneer de gezondheid gaat wankelen, dan verdwijnt de onzekerheid al gauw. “Zie je al die pillen daar op mijn bureau? Ik had een hartaanval en daarom heb ik nu te maken met een aantal doktoren en neem ik veel medicijnen in. Dat is een teken van ouder worden.” Gevraagd wanneer hij zichzelf als oud begon te beschouwen zegt een 87-jarige vroegere pastor: “Ik dacht er niet echt aan tot twee of drie jaar geleden, omdat mijn gezondheid goed was, maar toen werd ik ziek en zakte achter het altaar in elkaar. Het was op dat moment dat ik tegen mezelf zei ‘Je wordt oud!’”

Hoe mensen zichzelf beleven komt niet altijd overeen met hun werkelijke toestand. Zoals anderen hebben opgemerkt, “komt de oude dag voor iedereen als een verrassing en niemand komt er ooit echt mee klaar”. De drang om te ontkennen dat alles minder wordt, is groot. Er zijn zeventigjarige jezuïeten die in een spiegel kijken en daar een vijftigjarige zien. Misschien omdat celibatairen geen echtgenoot, kinderen of kleinkinderen hebben, die hen als spiegels laten zien dat zij ouder worden, zijn zij dikwijls verbaasd als anderen hen als oudgedienden behandelen. “Ik had een grappige ervaring in een bus in San Francisco”, herinnert zich een jezuïet uit Californië. “Toen ik instapte, keek een oud dametje dat in de afdeling zat die bestemd was voor oude mensen en invaliden, naar mij en bood mij haar plaats aan.” Een leraar in zijn late zeventiger jaren zegt: “Voor mijn studenten ben ik blijkbaar een oude man. Daar moet ik mijzelf voortdurend aan herinneren, want ik voel mij vijftig.” Als we geluk hebben, zullen anderen ons echter helpen om onszelf geleidelijk aan meer realistisch te gaan kennen. “Een van de redenen waarom je gaat denken dat je oud bent is dat anderen op die manier naar je kijken. Het begint in een sociale context.” Kinderen beginnen te zeggen: “Kan ik u helpen, mijnheer?” en anderen vragen je om raad. Of je begint te merken dat je over het hoofd wordt gezien, dat je niet meer meetelt. Daar ga je dan op reageren en je begint jezelf anders dan tevoren te beleven.

Oude mensen zullen gemakkelijk beamen dat ouderdom zijn nadelen heeft, maar zij verschillen van mening als het erom gaat die te benoemen. Als iemand bv. geen zinvol werk meer heeft, kan dat een last worden. “Dat is het moeilijkste van gepensioneerd zijn. Je wereld wordt heel klein en je raakt verschrikkelijk op jezelf geconcentreerd. Daarom helpen sociale contacten om je aandacht van jezelf weg te halen en om je te realiseren dat er nog andere dingen gebeuren die belangrijk zijn. Anders word je nog meer hypochondrisch dan je al bent.”

Als iemand voor een groot deel van zijn leven midden op het toneel heeft gestaan, brengt ouder worden onvermijdelijk het onwelkome gevoel met zich mee naar de rand te worden gedrongen. “Ik moest ermee klaar komen dat ik iemand van het verleden ben en niet van de toekomst, en dat anderen mij goedschiks of kwaadschiks ook als zodanig beschouwen. Zij doen er aardig over, maar je weet goed dat wanneer zij erover denken wie zij advies zullen vragen of op wie zij kunnen rekenen, zij dan niet bij jou zullen komen. Ze gaan naar de mensen achter jou en dat kwetst je ijdelheid.” Zodoende brengt de oude dag iemand – misschien voor de eerste keer in zijn leven in zo sterke mate – ertoe om de onwelkome maar heilige weg van de nederigheid op te gaan. “Het ergste is de fysieke beperking”, meent een ander – en toch tonen studies aan dat zelfs chronische gezondheidsproblemen op termijn weinig effect hebben op het geluksgevoel, omdat we de neiging hebben ons erop in te stellen.

De luidste klachten worden gehoord over het afnemen van de energie, méér dan over het lichamelijk ongemak. “Ik sta ’s morgens heel vroeg op en het eerste waaraan ik denk is: wanneer zal ik weer gaan rusten?” Een ander zegt: “Van het ouder worden ben ik mij voortdurend bewust. Ik werk niet meer zo gestaag, energiek en effectief als vroeger.” Dat inzicht trof als een bliksemschicht een jezuïet terwijl hij de Geestelijke Oefeningen aan het geven was. “Ik herinner mij dat ik ongeveer halfweg de retraite tegen mijzelf zei: ‘Dit kan ik niet meer.’ Mijn gezondheid was in het algemeen goed, maar ik had de energie niet meer.” De psychische kracht neemt ook af. “Ik kan de dingen niet meer voor de vuist weg doen”, zegt een nog actieve man uit het Midden-Westen. “Als ik nu een voordracht of iets dergelijks moet houden, moet ik het echt voorbereiden. In het verleden kon ik met gemak een workshop in elkaar zetten; ik deed dat snel en op het laatste moment. Dat kan ik nu niet meer.”

Bijna iedereen merkt dat zijn geheugen hem af en toe in de steek laat. Een 82-jarige stelt vast: “Het is heel geleidelijk gegaan, maar ik moet nu zoeken naar namen, zelfs als die mij heel vertrouwd zijn.” Een ander moppert: “Ik kan de studenten niet meer bij name noemen. Drie minuten nadat ik ze gezien heb, klikt het. Maar dat is te laat. Ik houd daar niet van.” De achteruitgang van het geheugen roept soms bezorgdheid op omtrent somberder mogelijkheden. “Soms, als mijn geheugen mij in de steek laat, denk ik bij mezelf: ‘Ik word toch niet dement?’ Dat is een schrikaanjagende gedachte, omdat mijn moeder alzheimer had.” Deskundigen op het gebied van het ouder worden beweren dat mensen die beschikken over een goed verdedigingssysteem tegen zulke angsten of een goed aanpassingsvermogen hebben, meer kans maken om gezond oud worden. Geslaagde oude mensen schijnen constant hun leven opnieuw uit te vinden. “Ze hebben het vermogen om van citroenen limonade te maken en maken van een muis geen olifant.” Een jezuïet met de gave van de zelfspot zegt over het uitvallen van zijn geheugen: “Ik denk dat het beste antwoord is er niet op te mopperen maar erom te lachen. En tegen jezelf en je vrienden te zeggen: ‘Kijk wat een ezel ik geworden ben!’”

 

De gebreken van de Sociëteit aanvaarden

Bewust van deze uitdagingen hebben de meesten van ons schrik voor de oude dag. We hebben allemaal oudere mensen ontmoet die de indruk gaven ongelukkig te zijn en die dat gevoel op anderen overdroegen. Ieder die leefde in de jaren zestig en zeventig kan verhalen vertellen over kwade ouderen, dikwijls alcoholist, die de schrik van hun communauteit waren. Die ervaring was zo algemeen dat leden van veel provincies onvriendelijke maar veelzeggende termen uitvonden om die groep van oudgedienden te beschrijven die met luide stem het postconciliaire tijdvak domineerde: “dinosaurussen”, “oude lieverdjes”, “het Sanhedrin”. Omdat ze een vooropgezet idee hadden van wat het betekent jezuïet te zijn, konden veel van deze mensen, die tijdens het Tweede Vaticaans Concilie van middelbare leeftijd waren, niet meer tot andere ideeën worden gebracht. Vandaar de veelgehoorde klacht: “Dit is niet de Sociëteit waarin ik ingetreden ben!”

Als je de anekdotes mag geloven, zijn er vandaag de dag minder zonderlinge types. “Ik ben op deze plek in verschillende fasen van mijn leven geweest”, zegt een vroegere bestuurder over het bejaardenhuis van zijn provincie waarin hij nu leeft. “Enkele tientallen jaren geleden was het huis gevuld met afgedankte, boze en verbitterde mensen. Maar nu zitten er kerels die een leven lang goed werk gedaan hebben. Het is goed volk en het is geweldig om met hen te leven.” De man die in die vroegere periode overste van het huis was, denkt terug aan wat toen de sfeer bepaalde: dood, ontkenning en depressie. Sindsdien zijn veel van die troosteloze figuren verdwenen.

Veel van de mensen die voor dit project geïnterviewd werden, gingen door een turbulente periode. Hun loopbaan als jonge priester of scholastiek had iets van een spreidstand over de afgrond tussen de voor- en de naconciliaire kerk heen. “Ik legde mijn geloften af in 1962 in de oude kerk, en toen werd opeens alles veranderd.” Als jonge religieus beleefden zij de woelige jaren zestig en zeventig en het einde van het traditionele communauteitsleven en apostolaat. Zij waren ook de eerste generatie die moest meemaken hoe medebroeders in drommen de Sociëteit verlieten. Wat deze generatie onderscheidt van die groep sarcastische ouderen is dat zij veel van de veranderingen die in kerk en Sociëteit werden ingevoerd, verwelkomden. Als pasgewijde priesters bv. omarmden de meesten van hen de vernieuwingen in de liturgie. Ook zij konden zeggen: “Dit is niet de Sociëteit waarin ik ben ingetreden”, maar zij waren blij met de breuk met het verleden. Een priester beschrijft hoe hij op zijn campus naar de kerk ging op de zondag dat de eucharistie voor de eerste keer in het Engels gevierd kon worden. “Ik stond daar en ik huilde, omdat er iets gebeurde waarvan ik had gedacht dat ik het tijdens mijn leven nooit zou meemaken. Het overweldigde me.”

Niettemin zijn er dingen in het begin van hun religieuze leven die deze jezuïeten betreuren. Als we willen verstaan hoe zij op hun oude dag rust vonden, is het nodig te begrijpen dat teleurstelling en beproeving hen niet bespaard bleven. Het zijn geen naïevelingen of heiligenbeeldjes, maar realisten die getekend zijn door minstens een halve eeuw jezuïetenleven. In het algemeen is hun ervaring dat religieus leven, zoals alle menselijk leven, zijn kruiswegstaties kent. Voor het geluksgevoel dat deze ouderen nu met betrekking tot hun roeping kennen, hebben ze hard moeten vechten. Maar hun vermogen om klaar te komen met de beproevingen van het leven maakt de vrede die zij als oude mensen hebben gevonden, geloofwaardig en geeft er een context aan.

Ofschoon hun vorming hen een stevig fundament gaf, moet ook gezegd worden dat dit gebeurde in afzondering van de wereld die zij geacht werden te dienen. “Hoog en droog op een bergtop gedurende de eerste zeven jaar in de Sociëteit”, herinnert zich een priester van zestig, “waren we zo geïsoleerd dat het zien van een meisje je een schok gaf.” De weinige gelukkigen die filosofie studeerden op een campus met lekenstudenten, waardeerden die ervaring. Maar “de scholastieke filosofie die we kregen was zonder meer nonsens, vooral de kosmologie”. Als scholastieken leefden zij in een Sociëteit waarvan de houding ten aanzien van seksualiteit getekend was door verlegenheid. Dat wordt duidelijk uit wat men zich herinnert van de instructies over de kuisheid en de geloften zoals die in het noviciaat werden gegeven.

Hun theologiejaren zijn vaak voorwerp van scherpe kritiek, zelfs vandaag nog. “Op het platteland, omringd door koeien en met een ouderwetse faculteit – het was de slechtste tijd van mijn hele leven als jezuïet. Gewoonweg verschrikkelijk. De lessen waren armoedig, vooral de exegese. We hadden wel een aantal goede profs, maar het kaliber van de theologie in die jaren was van zeer ongelijke kwaliteit en de faculteit was tamelijk oudbakken en statisch. De passiviteit in het hele leerproces kon dodelijk zijn en creativiteit werd niet aangemoedigd.”

Terwijl jezuïeten de dag van vandaag het tertiaat een tijd van genade vinden, waren hun voorgangers dikwijls erg teleurgesteld. Tenzij je op een charismatische instructor stootte, leken de programma’s “ouderwets”, “kinderachtig”, zelfs “verschrikkelijk”. “Het tertiaat was het ergste jaar van mijn leven.” De eerste fase van apostolaat in de jaren na het Concilie was dikwijls getekend door onrust en verwarring. Iemand die zijn leven lang bestuurder was, denkt terug aan zijn benoeming tot rector van een grote lagere school in 1964, toen hij 35 was: “Helemaal onvoorbereid en onervaren was ik te jong om te weten wat het inhield om leiding te geven. We hadden in die dagen het idee dat een overste zoiets als een directeur was, en dat werkte niet.” Een ander, die een hoge bestuurspost op een universiteit kreeg een jaar nadat hij zijn doctoraal had gedaan, zegt dat “hij zelfs niet in de verste verte was voorbereid om zo’n job op zich te nemen”.

En toch is dit geen groep jammeraars. “Ik denk dat de Sociëteit mij teleurstelde voordat ik rijp genoeg was om te begrijpen wat mens-zijn betekent. Als jonge kerel, vol idealisme en enthousiasme, zag ik allerlei dingen die mij ontgoochelden. Maar gaandeweg begreep ik dat de Sociëteit een menselijke organisatie is van allemaal mensen. De uitspraak van de 32e Algemene Congregatie ‘Wij zijn zondaars’ zegt het helemaal voor mij. Ik houd van de Sociëteit en ook van mijn leven. Ik voel me dankbaar dat de dingen zijn gelopen zoals ze gelopen zijn. Ik zie Gods hand in de gebeurtenissen van mijn leven. Ik zou nooit de dingen gedaan hebben die ik gedaan heb, als ik niet ingetreden was in de Sociëteit.”

Deze mannen hebben een heel diepe genegenheid voor de Sociëteit met elkaar gemeen. Iemand die zeventig jaar in de orde is, zegt het met een beeld: “De Sociëteit is voor mij een prachtige moeder geweest. Ik ben helemaal gelukkig geweest, helemaal gelukkig als jezuïet, en ik voel me helemaal vervuld. Ik kan er nauwelijks zonder tranen over praten.” Een ander zegt: “De Sociëteit is voor mij een bron van inspiratie. Ik denk niet dat ik ergens anders zulke geweldige mensen had kunnen ontmoeten of zulke ongelooflijke ervaringen had kunnen opdoen. Ik heb geweldige jezuïeten ontmoet en een heleboel leken en studenten die grootse mensen waren. Het was een hele ervaring, niet gemakkelijk, maar ik heb er geen spijt van.”

Leven met je eigen tekorten

“Het was niet gemakkelijk.” Wat schuilt er achter die terloopse opmerking? Het roept herinneringen op aan jaren van persoonlijke strijd, waarin je moest klaarkomen met je zondigheid, je minder goede impulsen leren beheersen en ontdekken wat het geheim is van een religieuze roeping. Het verwijst ook naar de onzekerheid waarmee geloven noodzakelijk gepaard gaat, inclusief twijfels omtrent God. “Als je jarenlang bidt zonder dat er iets schijnt te gebeuren, ga je je afvragen of daar wel iemand is.” Vandaar de vaak herhaalde bede: “Heer, ik geloof, maar kom mijn ongeloof te hulp.” Een priester herinnert zich de turbulente eerste tien jaren na Vaticanum II, “toen zovelen uittraden zelfs na hun wijding, onder wie velen die ik respecteerde en nog steeds respecteer. Ik moest opnieuw nagaan wat mijn eigen engagement was en onder woorden brengen waarom ik niet geneigd was het op te geven.”

Oud worden betekent niet dat je overtuigingen niet meer worden getest. Niet weinig jezuïeten die geschokt zijn door gebeurtenissen in de meer recente jaren, vechten ervoor om hun vertrouwen in de hiërarchische kerk niet te verliezen. “Ik had nooit eerder dat gevoel voor de kerk dat in mij opkwam toen Johannes Paulus II Arrupe en de Sociëteit zo afschuwelijk behandelde.” Een ander: “De toekomst van de Sociëteit gaat mij ter harte, ook die van de kerk, maar ik zie dat de kerk een geweldige verandering moet ondergaan. Ik kijk naar wat ik denk dat nodig is en hoever we daarmee nu zijn, en ik zeg tegen mijzelf: ‘Alleen God kan dat doen.’”

De crisis van het seksueel misbruik heeft zijn tol geëist van alle gelovigen, priesters en leken, jong en oud. Na vijftig jaar in de Sociëteit verklaart een priester: “Dit is het meest ontmoedigende wat ik in heel mijn leven heb meegemaakt. Dit schandaal heeft mij geleerd dat ik in een illusie leefde, en het was ontmoedigend die te verliezen.” “Ik herinner me dat ik, toen het schandaal voor het eerst uitbrak, met mijn boordje om in de stad liep”, zegt een eerbiedwaardige man van negentig jaar. “Ik had het gevoel dat iedereen naar me keek en zei: ‘Daar gaat een van die kerels.’” Jezuïeten in een gezagspositie kwamen voor de uitdaging te staan om publiekelijk op dit schandaal in te gaan. “Het is moeilijk met woorden uit te leggen hoe mij dat raakte. Eerst had ik het gevoel van door de grond te zakken. Het was alsof je nauwste relaties erbij betrokken waren. En toen kwamen de krantenartikelen, sommige behoorlijk accuraat, maar andere beschuldigend en grof. Hoeveel kun je daarvan verdragen? Je gaat je ervoor afsluiten. Maar ik kon daar niet al te lang op prakkeseren, omdat we in onze school een open symposium over dat onderwerp moesten organiseren.”

Naast de publieke teleurstellingen, die het vertrouwen in de kerk ondermijnen, zijn er ook de persoonlijke misstappen, die het vertrouwen in zichzelf afbreken. Kijkend in de achteruitkijkspiegel van het leven zien deze jezuïeten veel dingen die ze betreuren. “Ik zette heel wat verkeerde stappen. Ik betreur veel dingen die ik deed, en ik heb er veel spijt van. Ik moet me toevertrouwen aan de barmhartigheid van God, omdat sommige van die beslissingen stom en verkeerd waren.” Een ander zegt het op deze manier: “De Sociëteit heeft mij niet teleurgesteld, maar zij kan met recht zeggen dat ik haar teleurstelde. Ik zou willen dat ik een ongeschonden blazoen had, maar dat heb ik niet. Ik heb een hoop gebreken die mij het gevoel geven ontrouw te zijn. Ik heb niet de indruk dat mijn overtuigingen altijd in harmonie zijn met mijn feitelijk handelen. Dat bedroeft mij. De wijsheid van de latere jaren brengt mij tot de nederige erkenning dat we tenslotte gered worden door Gods trouw en niet door de onze.”

Anderen zijn opgezadeld met een of andere verslaving. “Er was een tijd vroeg in mijn leven, dat ik moeite had met alcohol. Toen mijn drinken uit de hand liep, dacht ik: ‘Ik ga er werkelijk aan ten onder.’ Omdat ik bang was voor wat er kon gebeuren en ik die manier van leven niet wilde, begon ik de AA (Anonieme Alcoholici) te bezoeken en volgde hun methode van één-dag-tegelijk.” Zoals anderen op de weg van het herstel, ontdekte hij dat God gevonden wordt niet alleen in het succes, maar vaak nog dieper en authentieker in het falen.

Zelfs zij die vriendschap beschouwen als een van de weldaden van het religieuze leven, vinden het communauteitsleven soms een beproeving. “Er zijn mensen in dit huis waar ik niet goed mee overweg kan”, zucht een man. “Ik ben heel onverdraagzaam. Ik zou in staat willen zijn om God te zien in iedereen. Maar ik zie Hem niet. Hij is er, dat weet ik. Ik heb het verlangen, maar het wordt verdrongen door mijn minder edele instincten. Ik kan met Paulus zeggen: ‘Ik begrijp mijn eigen daden niet. Ik doe immers niet wat ik wil, maar wat ik verafschuw.’”

Het feit dat je meer vrije tijd hebt wanneer je gepensioneerd bent, schept de gelegenheid om over je verleden na te denken, wat een bron van verleiding kan zijn. Oude mensen staan voor de uitdaging om hun illusies en onrealistische verwachtingen omtrent zichzelf en anderen te laten varen. Wie bv. de last van de verantwoordelijkheid heeft gedragen, is achteraf geneigd om jarenlang zijn beslissingen kritisch te bevragen. “Er zijn dingen die ik beter had kunnen doen”, zucht een oud-provinciaal, “en misschien heb ik in een of twee gevallen – en feitelijk in meer gevallen – sommige mensen pijn gedaan door hen te verplaatsen, terwijl ze het gevoel hadden dat ze in staat waren om te blijven waar ze waren. Ze hielden er een trauma aan over.” Een andere patriarch kijkt terug op zijn rectoraat van een communauteit bij een middelbare school in de roerige jaren zestig. “Ik realiseerde mij ten slotte na een aantal jaren, dat de provinciaal mij een paar scholastieken stuurde met de verwachting dat ik hen zou begeleiden bij hun uittreden uit de Sociëteit. Ik herinner me nog een stel van die mannen. Het was een heel moeilijke tijd. Ik was werkelijk niet voorbereid op een dergelijke taak. Wat mij nu achtervolgt op mijn oude dag, is hoeveel mensen ik misschien schade heb toegebracht in die tijd.”

Leven onder geloften is zowel een geschenk als een uitdaging. Relaties zijn een bron van veel vreugde in het leven van een jezuïet, maar ze kunnen je ook op de proef stellen. “Waarmee ik het meest moeite heb is dat ik niet altijd trouw ben geweest in het onderhouden van de kuisheid. Het gaat niet over grote zaken – niet gevaarlijk of slecht – maar genoeg om mij over te schamen. Neem bv. de zelfbevrediging. Dat had ik nooit gedaan, maar nu en dan is het een probleem. Het is niet chronisch en ik ben er ook niet aan verslaafd, maar ik vraag me af of ik nonchalant ben als ik tegen mijzelf zeg dat ik daar niet al te gespannen over moet doen… Als ik mijzelf voor de Heer plaats, voel ik dat dit niet is wat ik beloofd heb en dat ik daarin tekortschiet.” Niemand ontkomt eraan verliefd te worden. “Ik raakte bevriend met een vrouwelijke religieuze en vroeg me af wat het zou betekenen getrouwd te zijn. Zij had die gedachte ook. Maar als ik geneigd was om in die richting verder te gaan, was zij dat niet; en wanneer zij het was, was ik het niet. Ik heb de genade gekregen dat ik mij realiseerde dat het feit dat je je soms een beetje eenzaam voelt, erbij hoort. Als je celibatair bent, gaat dat nu eenmaal zo. Zou het fijn geweest zijn om getrouwd te zijn en een gezin te hebben? Jazeker, dat zou geweldig zijn, maar het is niet mijn weg.”

 

Ben je gelukkig?

“Toen ik novice was, kregen wij een blad papier met vragen om het bezoek van de provinciaal voor te bereiden”, herinnert een gepensioneerde priester zich. “Bovenaan stond de eenvoudige vraag: ‘Ben je gelukkig in je roeping?’ Ik denk dat dat nog altijd de belangrijkste vraag is als je ouder wordt.” Ondanks de moeilijkheden die ook aan het religieuze leven niet vreemd zijn, beschrijven de meeste jezuïeten die werden geïnterviewd zichzelf als “tevreden”, “dankbaar”, “gezegend”. “Ik heb meer pijntjes en kwalen dan ik ooit in mij leven heb gehad, maar ik ben nog nooit zo tevreden en vredig geweest als nu”, verklaart een oude jezuïet. Een ander zegt: “Er waren veel gelukkige tijden in mijn leven, maar geen was zo rustig als de tegenwoordige.” Wat iemand zei van John Henry Newman op zijn oude dag, kan ook gezegd worden van veel van deze bejaarde jezuïeten: “Hij ziet er oud uit; hij heeft iets melancholisch, als iemand die door veel strijd heen is gegaan, maar hij is ook sereen, als iemand die vrede heeft gevonden.”

 Gevraagd naar de gelukkigste periode van zijn leven als jezuïet noemt een priester die nu in een verzorgingshuis woont, eerst zijn theologiestudie vijftig jaar geleden in Europa. “Maar als ik echt eerlijk ben, dan is de gelukkigste tijd die van dit moment. Ondanks hart- en nierproblemen. Als ik kijk hoe de zaken er nu voor staan – en niet alles is geweldig – moet ik toch zeggen dat ik hier en nu erg, erg gelukkig ben.” Hij vertelt van een recente ontmoeting met een kassabediende in een supermarkt. “Ik weet niet waarom, maar de man zag eruit alsof hij op de een of andere manier in de put zat. Daarom vroeg ik hem: ‘Hoe voel je je? Is alles oké?’ Hij antwoordde dat alles in orde was. En dus had ik het fout. Hij was alleen maar met zijn gedachten ergens anders. Maar toen vroeg hij mij: ‘En hoe is het met u?’ Tot mijn verrassing hoorde ik mijzelf zeggen: ‘Als ik nog gelukkiger was, zou ik in de hemel zijn!’ Het was maar een gesprekje van dertig seconden, maar het was heerlijk.”

Ofschoon niet allen even enthousiast zijn als deze vrije geest, is het toch opvallend dat de meesten tevreden zijn, en zij delen dat met de meeste oudere Amerikanen. Hoewel algemeen wordt aangenomen dat jeugd de belangrijkste factor is om gelukkig te zijn, toont nieuw onderzoek aan dat voldoening in het leven dikwijls groeit met het klimmen van de jaren. Wat is daarvan de reden? Deels is het toe te schrijven aan het feit dat de oude dag gewoonlijk een tijd is voor uitzonderingen en vrijstellingen. Zoals een gepensioneerde jezuïet het formuleert: “Ik doe wat ik graag doe en verveel me nooit.” “Ik ben erg blij dat ik gepensioneerd ben”, zegt iemand die na een lange bestuurlijke carrière nu zijn dagen doorbrengt met lezen en nadenken. “Ik heb mij nooit eenzaam gevoeld. Ik heb me nooit verveeld. Dit is een tijd om alles op een rijtje te zetten en hoe meer ik dat probeer te doen, des te duidelijker wordt het voor mij dat dat niet helemaal mogelijk is. Feitelijk is het leven voor mij een groter geheim geworden, maar ik heb nu tenminste tijd om erover na te denken. Het is een gezegende tijd.”

Als daarop wordt aangedrongen, geven deze mensen verschillende verklaringen. De priester die de bediende in de supermarkt ontmoette, denkt dat zijn tevredenheid deels het gevolg is van het feit dat hij zich nu kan overgeven aan hobby’s en interesses waar hij in zijn actieve leven niet aan toe kwam. “Ouder worden is meer een positieve dan een negatieve ervaring,” zegt een man uit het Midden-Westen, “omdat ik in een heel prettige communauteit woon en vrienden heb die ik graag bezoek en die mij steunen. In één woord, ik leid een heel plezierig leven. Voor mij zijn dit echt de gouden jaren. Ik moet de beperkingen aanvaarden die de ouderdom met zich meebrengt, maar ik ben dankbaar voor alles. Zoals ik de provinciaal zei, ik denk dat ik gelukkiger ben dan ooit.”

 Ook de dankbaarheid waarvan veel van deze senioren getuigen, kan hun geluksgevoel verklaren. Zoals spirituele schrijvers opmerken: “Tevreden zijn met het leven verdiept zich tot een dankbare kijk op het leven.” Het is een door velen gedeelde overtuiging dat God het is die hun leven geleid heeft. Iemand schrijft zijn succesvolle carrière toe aan “het feit dat ik mijn voordeel heb gedaan met Gods genadegaven en dat ik geprobeerd heb daarmee te woekeren. Ik voel me daar heel dankbaar voor. Je vroeg me over mijn intreden in de Sociëteit. Dat is allemaal Gods plan. Ik ben ervan overtuigd dat ik niet zo gelukkig zou zijn op dit moment en dat ik niet op zoveel goede dingen zou kunnen terugkijken, als God mij niet tot de Sociëteit geroepen had.”

Het verminderen van verplichtingen wordt ook verwelkomd door mensen die nog apostolisch bezig zijn. Een parttimebestuurder zegt het zo: “Ik ben blij dat ik niet meer ergens verantwoordelijk voor ben, dat ik niet voortdurend vooruit hoef te denken of te plannen wat ik wel of niet doe. Het bevalt me, omdat het nu voor mij veel moeilijker is om al die dingen te doen. Ik heb niet meer de leiding en kan zeggen: ‘Ik doe nog altijd mijn job, en het is een goede job en ik houd van wat ik doe, maar de zorgen zijn nu voor anderen, en dat vind ik prima.’” “Ik zit nog in een aantal besturen,” zegt een energieke 86-jarige, “maar het goede van besturen is dat je ernaartoe gaat en je suggesties geeft en dan weer naar huis gaat, en iemand anders moet ermee verder. Ik heb niet veel zorgen meer, geen dingen die mij verontrusten en geen verantwoordelijkheden meer. Dit is een heel gelukkige fase van mijn leven.” “Het beste van het ouder worden is dat je niets meer hoeft te bewijzen. Je hebt het gedaan en je vertrouwt erop dat je je leven geleid hebt zo goed als je kunt. Je bent niet altijd trouw of voortreffelijk geweest, maar het is een bevrijding dat je geen dingen meer hoeft te bewijzen.”

 III. Zending, de kern van het jezuïetenleven

 Wat doet je ’s morgens opstaan?

Ook al wordt minder verantwoordelijkheid door ouderen verwelkomd, toch vind je zelden iemand die blij is met geen enkele verantwoordelijkheid. “Mijn leven is wat wij gewend waren te noemen de more”, klaagt een jezuïet uit een grote universitaire communauteit. “Iedere dag is hetzelfde, en het is saai.” Geen hobby’s hebben, geen doelgerichte projecten, geen verplichtingen om saaie dagen te vullen, daar is hij ongelukkig over. “Een oudere jezuïet heeft een zending nodig,” schrijft Joseph Conwell, niet zomaar om belangrijk gevonden te worden, maar “om enigszins het gevoel te hebben dat hij een aandeel heeft in het gezamenlijke werk van de Sociëteit. Jezuïet zijn betekent gezonden zijn en het gevoel hebben mee te doen aan het werk van de Sociëteit.” Gerontologisch onderzoek ondersteunt deze bewering en laat zien dat waardevolle projecten essentieel zijn om gelukkig te worden. Je wijden aan een aantal doelen geeft je het gevoel iets te doen te hebben, het verleent structuur en zin aan het leven, zo luidt de slotconclusie van een studie. Oudere mensen die het doel hebben om zichzelf in leven te houden, hebben minder het gevoel controle over hun situatie te hebben, terwijl degenen die als doel hebben om zich te ontwikkelen, dat veel meer hebben. Eenvoudigweg een waardevol doel hebben, onafhankelijk van vroegere successen, gaat samen met grotere voldoening. Tijdens de pensioenleeftijd moet creativiteit, zoals het spel, het eerste doel zijn, aldus een expert.

Ouder wordende religieuzen blijven spiritueel en psychisch gezond onder meer door apostolisch bezig te blijven. Bijgevolg beschrijven de meeste jezuïeten zichzelf als gepensioneerd wat hun werk betreft, maar niet wat betreft het geestelijk ambt. Hun activiteiten vertonen een grote verscheidenheid – van de mis opdragen in een plaatselijke parochie tot geestelijke begeleiding geven; van gepensioneerde medebroeders bezoeken in het bejaardenhuis van de provincie tot bidden voor anderen. Omdat wij langer leven, is dienstbaar blijven belangrijker dan twintig jaar geleden. Zoals William Barry schrijft, was het belangrijkste van spiritualiteit in het verleden hoe goed dood te gaan als je met de onvermijdelijke aftakeling geconfronteerd werd; in deze eeuw, waarin we steeds ouder worden, is de uitdaging echter “hoe goed te leven”. En zinvol bezig zijn is een van de manieren om goed te leven.

Welke ook hun leeftijd is, de centrale plaats van de zending komt geregeld op in gesprekken met jezuïeten. “Ik hoop zolang als ik kan dienstbaar te blijven, niet alleen op de universiteit of in het parochiewerk, maar in alles wat zich aandient”, vertelt een leraar van middelbare leeftijd mij. “Ik kijk niet uit naar nietsdoen. Ik hoop dat creativiteit mij altijd weer in beweging zal brengen, tot het einde.” Terugkijkend op zijn carrière erkent een intellectueel dat het geluk van zijn meer dan zestig jaren van religieus leven vooral te danken is aan zijn productiviteit. “Toen Sigmund Freud gevraagd werd: ‘Wat zijn de bronnen van het geluk, wat maakt gelukkig?’ antwoordde hij: ‘Liefde en werk’ – met andere woorden, iets om je aan te geven en iets waarin je productief kunt zijn, of bij gebrek aan een betere term, Gods genade. Ik heb dat ook zo ervaren.”

Het belang van zinvolle projecten wordt duidelijk door de antwoorden die deze jezuïeten geven op de vraag: “Wat maakt dat je ’s morgens uit je bed wilt komen?” De spontane reactie van een oudere theoloog typeert de groep: “Het werk dat gedaan moet worden! Er is zoveel dat gedaan zou moeten worden, en dat de moeite waard is om gedaan te worden. Ik geniet ervan. Dat haalt mij uit bed,” grapt hij, “en dikwijls laat ik het brevier schieten om het gedaan te krijgen!” En hij is niet de enige. “Er is zoveel dat ik wil doen”, verklaart een nog functionerende bestuurder. “Ik kom zelden klaar met de agenda voor de dag, omdat er altijd iemand telefoneert en iets nieuws voorstelt. Wat ik doe vind ik heerlijk en ik heb veel te doen. Ik zit nooit met de duimen te draaien en vraag mij nooit af wat ik vandaag eens zal gaan ondernemen.” Een andere oudere priester vindt het heerlijk om de ignatiaanse spiritualiteit met leken te delen. “Dat haalt mij uit bed ’s morgens”, zegt hij. “Ik houd ervan tot een veranderende kerk te behoren. Dat geeft mij echt energie. Waar ik voor opsta ’s morgens is om alles te doen wat ik kan voor een kerk die wereldvriendelijk, inclusief is.”

Een vermindering van verantwoordelijkheden betekent niet dat de apostolische belangstelling verdwijnt. “Als ik wakker word, overdenk ik wat ik de komende dag ga doen”, zegt een 86-jarige paaonderlinge types onder de priester die deeltijds assisteert op een bureau van de provincie. “Ik zeg dan: ‘Heer, dit is voor U. Ik sta op om dit vandaag te doen.’ Dat helpt om mij te motiveren, want ik ben geregeld een beetje stijf. Dan strompel ik naar de douche en begin mijn dag. Soms denk ik: als ik deze motivatie niet had, wat zou ik dan doen?” En lachend geeft hij zichzelf antwoord: “Ik zou in bed blijven liggen!”

Anderen klagen over de afwezigheid van een doel. Een bewoner van een bejaardencentrum: “Het is moeilijk om hier een bezigheid te vinden, want er is niet genoeg te doen voor iedereen. Maar het is noodzakelijk dat je een actief, nuttig werk vindt, zelfs nu.” Een andere gepensioneerde, verantwoordelijk voor het bezorgen van de post aan zijn medebroeders, vertelt: “Ik hou van postdag. Het houdt mij ’s morgens anderhalf tot twee uur bezig, en ’s middags een half uur tot een uur. Het geeft mij iets te doen,” zegt hij enthousiast, “en daar houd ik van.”  “Je wordt een kluizenaar,” waarschuwt een ander, “als je geen dingen hebt om te doen, of iets waar je je leven mee kunt vullen.” Het kan iets kleins zijn, maar je hebt iets nodig waar je voor leeft.

Dat “iets” kan van alles zijn. Wat de bejaarde John LaFarge vijftig jaar geleden opmerkte, is nog altijd waar: “De oude dag zou ons niet in onszelf moeten keren. Integendeel, het is de tijd om eropuit te gaan en mensen te ontmoeten, in het bijzonder diegenen die jij alleen kunt benaderen. Want hoe ouder iemand wordt in de dienst van God, hoe toegankelijker hij wordt voor de jeugd, voor degenen die zorgen hebben, die twijfelen, die wanhopig zijn of verward. Je advies, je waarschuwing, je profetisch woord kunnen honderd keer verloren gaan. Maar die honderdste keer kan – zoals de kleine inkepingen van een Yale-sleutel – een mensenhart openen.”  Zo schrijft een oud-leraar klassieke talen “dat pensionering mij de tijd heeft gegeven om mij in het priesterlijk dienstwerk te engageren, mijn eerste roeping”. Toen hij niet langer zelf kon rijden naar verder gelegen plekken, begon een andere gepensioneerde leraar met mis te lezen voor de zwarte parochies vlak bij zijn residentie. “Het was een van de fijnste dingen die ik ooit heb gedaan.”

Een zeer gewaardeerde oudere spreekt over een apostolaat waarvoor zijn confraters vaak geen oog hebben. “Ik zeg dit wat voorzichtig, maar er is een soort vormende rol van een oudere persoon. Je bent niet de grote goeroe, en je hebt ook niet alle antwoorden,” benadrukt hij, “en je moet leren wanneer je je grote mond moet houden. Maar de mensen verwachten nog altijd iets, en die verwachting is gerechtvaardigd. Mensen kijken daarvoor naar jou. Vervul die rol, voorzichtig”, adviseert hij. “Stel die verwachting niet teleur.”

Ouderen beoefenen eveneens het apostolaat van stichting, hoewel zij zich gewoonlijk niet realiseren hoeveel invloed zij wel hebben. De huidige generatie tachtigjarige jezuïeten is in staat om aan dit geschenk een omvang te geven zoals nooit eerder in de Sociëteit is gebeurd, eenvoudigweg door hun aantal. In de geschiedenis van de orde zijn er nooit eerder zoveel richtingwijzers zoals zij geweest. Voor degenen van middelbare leeftijd zijn ze een rolmodel hoe gelukkig oud te worden, en voor de jongeren een voorbeeld hoe het leven goed te leven. Terugdenkend aan de tijd dat hij filosofie studeerde zegt een jonge jezuïet mij: “Als ze ouder zijn, willen sommige medebroeders de scholastieken niet leren kennen. Zij wekken de indruk dat zij gewoon willen genieten en zich niet druk willen maken om nieuwe mensen te ontmoeten. Maar Joe (niet zijn echte naam) wilde altijd bij ons in de buurt zijn. Wat mij bij hem als man van in de tachtig opviel, was dat hij de namen van iedereen probeerde te onthouden. Hij leerde ons kennen, wilde weten van welke provincie wij waren, en hij wist zelfs kleine details over ons. Joe had het verlangen om mensen te leren kennen. Er was openheid en aandacht voor anderen, goede kwaliteiten die een spirituaal moet hebben.”

Ouderen hebben unieke gaven om aan hun medebroeders door te geven als “behoeders van zin”, om een term van Vaillant te gebruiken. “Een van de taken van een behoeder van zin is om jongeren te laten zien dat de oude dag zin- en waardevol is. Als het de taak van volwassenen is om biologische erfgenamen te creëren, dan is het de taak van de oude dag maatschappelijke erfgenamen te creëren. Vruchtbaarheid, mogelijkheden scheppen voor toekomstige generaties is een van de geheimen om gezond ouder te worden; senioren die jongeren deze dienst bewijzen, hebben een gelukkiger leven dan zij die dat niet doen.” C.G. Jung zei ongeveer hetzelfde: “Een menselijk wezen zou zeker niet zeventig of tachtig jaar oud worden, als dat lange leven geen betekenis had voor de soort waartoe hij behoort. De namiddag van het leven moet een eigen betekenis hebben en kan niet slechts een zielig aanhangsel van de levensochtend zijn.”

Vandaar dat de Sociëteit de gewoonte heeft om een oudere priester aan de vormingsstaf toe te voegen. “Hij was een groot voorbeeld voor mij als jonge jezuïet gedurende de noviciaatsjaren”, zegt een scholastiek over een oudere priester in zijn communauteit. “Ik herinner mij dat ik een paar keer naar hem toe ging en zei: ‘Ik weet het niet meer. Ik ben bijna zover om de handdoek in de ring te gooien.’ Hij had de gave om de dingen tot rust te brengen. Hij had ook de wijsheid die je krijgt als je zoveel jaren in de Sociëteit hebt doorgebracht en zoveel goeds hebt gedaan voor de orde. Naar hem luisteren op die moeilijke momenten en het inzicht dat hij aandroeg laten doordringen, gaf ons het gevoel: hij heeft dit al eens eerder meegemaakt. Hij had de wijsheid om te zeggen: ‘Laten we even een stapje terug doen en kijken wat er eigenlijk aan de hand is.’ Hij is een groot voorbeeld van iemand die actief blijft in de communauteit. Ik denk dat er in iedere communauteit zulke mensen zijn – mensen naar wie wij kunnen opkijken en van wie we zeggen: ‘Hier is iemand waar ik naartoe kan gaan en tot wie ik mij kan wenden om advies.’”

Ouderen staan ook hun leeftijdgenoten bij door hun te laten zien hoe de moeilijkheden van de oude dag tot een goed einde te brengen. “In deze communauteit zie ik mensen die een prachtig voorbeeld zijn van goed ouder worden. Sommigen zijn altijd heel opgewekt gebleven, zelfs op het einde. Dat heeft mij beïnvloed.” “Ik zou graag willen”, zegt een andere oudere, “dat als ik oud ben men mij niet mijdt. We kennen allemaal mensen die, helaas, zo eindigen. Iedereen vermijdt hen in de recreatie en bij de maaltijden. Een groot voorbeeld was Jimmy Martin in Georgetown, die overleed op de leeftijd van 104. Hij was toen de oudste jezuïet in de Sociëteit. Tot de dag dat hij overleed vroegen andere jezuïeten: ‘Jim, kom aan onze tafel zitten.’”

Het verlangen om dienstbaar te zijn verdwijnt niet bij ernstige ziekten. “Ik ben oud en versleten,” vertelt een 75-jarige, en vanwege een nierziekte “ga ik zeker vroeger dan later dood. Maar ik heb nog altijd werk te doen. Ik heb nog veel mentale energie en ik wil wat gaan schrijven. Bij onze laatste ratio conscientiae zei mijn provinciaal: ‘Ik wil dat je aan dat boek gaat werken.’ Dus heb ik een zending.” Een jezuïet die kanker had zei: “Ik maak me nooit zorgen over de vraag: wat ga ik doen met deze dag? Het is eerder: waar zal God mij vandaag ontmoeten? Zo ben ik omgegaan met de behandeling het afgelopen jaar. Ik ben niet gewend om ziek te zijn en in het ziekenhuis te liggen. Door operaties en chemotherapie ben ik het zeker rustiger aan gaan doen, maar ik ben nooit helemaal stilgevallen. Ik heb het vermogen om aan het werk te blijven en dingen moeten gedaan worden. Ik schrijf nog steeds boeken en geef nog steeds lezingen. Wat ik ook maar kan doen, dat doe ik. Ik houd van mijn werk. Maar het is niet het enige dat mijn leven waardevol maakt. Ik heb dat zo dikwijls tegen andere mensen gezegd dat ik het, denk ik, ook toepas op mijzelf. Als ik kan werken, denk ik dat ik dat ook moet doen, en dat houdt mij gaande op dit moment. Een van de grote genaden van mijn leven is de ervaring van La Storta van de Vader en Jezus die mij zeggen, zoals tegen Ignatius: ‘Wij willen dat je Ons dient.’ En dus antwoord ik: ‘Oké, hier ben ik, en wat die dienst ook betekent, ik ben er klaar voor. Hier ben ik en ik ben blij dat U wilt dat ik dien.’”

Als iemand niet veel toekomst meer heeft, hoeft zijn zending niet groots te zijn om voldoening te schenken en om anderen daar voordeel van te laten hebben. Een broeder spreekt over zijn vreugde toen hij als gastenbroeder het werken met de computer onder de knie kreeg; hij was toen al in de zeventig. “Die aanstelling tot gastenbroeder deed mij in het bijzonder plezier toen ik een e-mailbericht kreeg van een jezuïet uit Hawaï en ik in staat was te antwoorden. Een week later beantwoordde ik een e-mail uit Italië. Ik voelde mij een held dat ik met een computer kon werken op mijn leeftijd.”

Plannen kunnen veel vormen aannemen. Als gevraagd wordt met wat voor activiteiten zij de tijd die zij vroeger aan hun werk besteedden nu vullen, zeggen gepensioneerden vaak: “Een boek met inhoud lezen.” “Ik heb heel wat kunnen lezen over wat je zou kunnen noemen natuurlijke theologie”, zegt een man. “Dat is bemoedigend. Andere dingen worden wel minder, maar mijn intellectuele interesse vermindert niet.” “Ik hou van lezen”, grapt een ander. “Soms denk ik dat ik meer geestelijke boeken lees, dan dat ik bid.” Anderen hebben de fictie herontdekt. “Een groot deel van mijn leven was mijn lectuur beperkt tot de dingen waar ik mee bezig was: publicaties over het onderwijs, het blad America, Time Magazine en de plaatselijke kranten”, zegt een voormalige schooldirecteur. “Ik heb vroeger nauwelijks romans gelezen, maar vorige zomer was ik bij een goede vriend van mij, een arts, en toen ik wegging kreeg ik het boek van Sigrid Undset, Kristin Lavransdochter. Dat is een heel spiritueel boek.”

Jezuïeten die maar een matige theologische opleiding kregen, gebruiken hun vrije tijd vaak voor zelfstudie. “Er was geen Bijbels onderwijs in ons theologaat”, zegt iemand. “Wij hadden een cursus over Genesis, maar dat was eigenlijk een taalles. Als je ermee klaar was, deed je een kleine toets in Hebreeuws. Over het Nieuwe Testament hadden we een cursus van één semester van een goed gekwalificeerde docent, maar die was doodsbang dat hij iets controversieels zou zeggen en in Rome zou worden aangegeven. Waar gaan  de psalmen over? Wie zijn de profeten en wat is hun plaats? Er was niets wat daarop leek. Alles wat ik over de Schrift weet heb ik mijzelf dus moeten bijbrengen.” Een verwoed lezer op zijn oude dag, werd hij zittend in zijn stoel een expert van het Oude Testament, en zoals zoveel oudere priesters, is hij een geliefd predikant in communauteitsmissen.

Bidden voor de Sociëteit

De jezuïet-activist en schrijver John LaFarge stelde wijs vast, toen hij terugblikte op zijn zeventigste verjaardag: “De oude dag is de tijd voor stille liefdadigheid: hier en daar een vriendelijk woord spreken, een onopvallende dienst bewijzen, zieken bezoeken, leeftijdgenoten opzoeken waarvan je merkt dat zij het moeilijk hebben.” Voor de begripvolle oudere zijn er gelegenheden genoeg om onopvallende diensten te verlenen. “Het is heerlijk om in deze communauteit te leven,” zegt iemand uit een bejaardencentrum, “want er zijn zoveel manieren waarop je de dagen voor de mensen een beetje draaglijker kunt maken – vaak gewoon door een glimlach of een grapje. Hier heb je mensen die werkelijk een leven lang gewerkt hebben. Je ziet ook dat hun krachten afnemen, en je voelt iets van: fijn, ik ben een deel van iets dat werkelijk prachtig is.” “Wat mij betreft,” zegt een andere gepensioneerde, “ik vind het heerlijk om naar beneden naar de verpleegafdeling te gaan, mensen te bezoeken, een paar grapjes te vertellen, hen even te plagen, hen eten te geven of samen naar een voetbalwedstrijd te kijken. Ik breng veel tijd door op de verpleegafdeling. Ik ga naar beneden als zij eten, om een kopje koffie met hen te drinken, met hen te praten of af en toe met hen te bidden. Ik ga ook naar hun gymnastiek om tien uur, niet omdat ik dat voor mijzelf nodig heb, maar omdat ik met hen meedoe. Mijn dag is behoorlijk gevuld. Ik heb bijna altijd iets te doen.”

De officiële taak die jezuïeten krijgen als zij geen actief dienstwerk meer doen, is bidden voor de kerk en de Sociëteit. Aldus staat op de lijst van namen die ieder jaar door elke provincie gepubliceerd wordt achter de naam van oudere gepensioneerde jezuïeten: orat pro Ecclesia et Societate, wat betekent dat hun zending is te bidden voor de kerk en de Sociëteit van Jezus. Deze taak wordt serieus en met vreugde door veel jezuïeten vervuld. “Ik ga achteruit. Dit jaar is mijn status veranderd in ‘bidden voor de kerk en de Sociëteit’”, zegt een 93-jarige broeder. “Ik dacht bij mijzelf dat onder deze omstandigheden bidden een heel speciale taak voor mij was en ik er iets meer voor moest doen dan ik al deed. Dus besteed ik nu ongeveer drieënhalf uur aan bidden per dag. Het is het minste wat ik kan doen.”

Vooruitkijkend naar het moment binnenkort waarop hij geen retraites meer zal kunnen geven, wil een andere negentigjarige jezuïet zich evenzeer wijden aan de dienst van het bidden. “Ik wil mijn dagen niet vullen met hobby’s”, zegt hij beslist. “Ik wil doorgaan met iets opbouwends te doen en wat nog altijd deel van mijn zending is op dat moment. Als het mijn zending wordt te bidden voor de Sociëteit en de kerk, dan wil ik niet alleen mijn eigen gebedstijd daarvoor bestemmen, maar speciale gebedstijden op verschillende momenten van de dag daaraan besteden. Ik zal ook bidden voor de mensen en de plaatsen waar ik ooit gewerkt heb, heel in het bijzonder voor de St. Ignatius High School en de Loyola High School. Als dat mijn zending wordt, zou dat mij helpen en voldoening geven.”

IV. De kracht van relaties

Vrienden in de Heer

Ook al heeft het geluk van een jezuïet veel te maken met zinvol werk, toch is het nog meer afhankelijk van vriendschap. Het is niet toevallig dat het juist de afwezigheid van sociale contacten is wat sommigen in hun laatste jaren als pijnlijk ervaren. “Wat is het moeilijk om kreupel en eenzaam te zijn”, schreef een pater in zijn dagboek. “Hoe zelden – ja bijna nooit – komt er iemand van de communauteit op mijn kamer, al was het maar voor een vriendelijk woord.” Omgekeerd is het onderhouden van contacten – zoals trouwens voor alle mensen – voor oudere jezuïeten heel troostend. Zelfs de stervenden kunnen vrede vinden, als ze omringd zijn door goed gezelschap. “Wat vond jij de gelukkigste tijd van je leven?” vroeg ik een jezuïet die wist dat hij nog maar een paar maanden te leven had. In een flits antwoordde hij: “Nu.” En waarom? Omdat hij de genegenheid voelde van degenen die voor hem zorgden en van veel vrienden.

Als er iets is wat een tevreden oude dag kenmerkt, dan is dat het hebben van relaties. “Het enige wat werkelijk belangrijk is in het leven,” zegt Vaillant met enige overdrijving in zijn studie, “zijn je relaties met andere mensen.” Onderzoek naar wat mensen gelukkig maakt heeft de laatste dertig jaar duidelijk gemaakt dat wat de menselijke geest werkelijk nodig heeft, verbondenheid is met anderen. Een gelukkig leven wordt gedefinieerd door sociale interactie. “Je voegen bij een groep die eens in de maand bij elkaar komt heeft hetzelfde effect op je geluksgevoel als het verdubbelen van je salaris. De dagelijkse activiteiten die het meest geassocieerd worden met geluk, zijn sociaal – seksuele omgang, na het werk gezellig bijeenkomen en eten met vrienden. Veel beroepen die het meest met geluk in verband gebracht worden, zijn ook sociale beroepen – de manager van een onderneming, een kapper”; en wij mogen daaraan toevoegen: een geestelijke of een priester. Sommige oudere jezuïeten moesten wel in het reine komen met een negatieve benadering van vriendschap, die hen tijdens hun vorming was ingeprent. “Vriendschap is zo belangrijk”, zegt een man die zijn noviciaat deed in de jaren veertig, “en toch werd het ontmoedigd toen ik jong was in de Sociëteit. Onze novicemeester zei dat hij nooit iets speciaals had gedaan om vrienden te maken. Die God-en-ik-houding is niet katholiek. Het is te gek voor woorden, maar jezuïeten uit die tijd waren nu eenmaal heel bang voor bijzondere vriendschap.”

Sociale contacten helpen je ook vol te houden. Als hen gevraagd wordt wat maakte dat zij jezuïet zijn gebleven, geven de ouderen veel verklaringen. Gods genade staat meestal bovenaan. “Terugkijkend zie ik Gods hand in mijn leven. Ik ben ervan overtuigd dat er geen toevalligheden bestaan. God maakt gebruik van alles wat er in je leven gebeurt. Ik ben er zeker van dat God mij werkelijk probeert te leiden.” “Er bestaat zoiets als roeping en dat heb ik niet van mijzelf, maar het is geworteld in God. Dat geloof ik. Zeg mij maar eens wat het anders is!” “Mijn relatie met Jezus was voor mij de poolster. Hier wil de Heer dat ik ben. Ik ben net zoals ieder ander op de proef gesteld, maar geen van die beproevingen bleek werkelijk belangrijk, als ik ernaar keek in het licht van de Geestelijke Oefeningen.” Velen schrijven hun volharding aan vruchtbaar dienstwerk toe: “Ik hield van wat ik deed en wat ik in de Sociëteit heb gedaan was prettig en succesvol.”

Jezuïeten zien heel vaak een verband tussen het volharden in hun roeping en broederlijkheid. “Ik denk niet dat ik in de Sociëteit zou zijn gebleven, als ik geen mensen had gehad die belangrijk voor mij waren”, verklaart een 83-jarige. “Ik overleefde omdat ik heel goede vrienden koos, en ik had hen nodig om te ontdekken wie ik ben. Wij ontdekken wie wij zijn door de mensen met wie wij omgaan.” Gevraagd waarom hij jezuïet gebleven is, zegt een vroegere provinciaal: “Ik denk dat medebroeders daarvoor essentieel waren. Ik heb altijd de krachtige ondersteuning van medebroeders gehad. Ik hield van de mensen met wie ik werkte. Maar volharding was niet alleen daarvan het gevolg. Ik denk dat ik er ook nog ben, omdat God mij nog altijd hier wil hebben. Ik voel het werkelijk zo: dat God mij hier wil hebben. En ik krijg nog steeds terug van andere mensen dat ik ben waar ik moet zijn. Mensen blijven dat tegen mij zeggen.”

Een thema dat steeds weer terugkomt is de waarde van onderlinge relaties die tijdens de vorming ontstonden. Een jezuïet van de Westkust beschrijft zijn filosofiejaren als een tijd van grote strijd, maar ook als een periode waarin levenslange vriendschapsbanden gesmeed werden. “Daar ging ik relaties aan en het zijn de relaties die het verschil maken. Ik heb geleerd welke wijsheid er schuilt in het Afrikaanse gezegde ‘Ik ben omdat wij zijn’. Ik maak deel uit van een gemeenschap. Ik ben niet een ‘ik’, maar ik sta in relatie met al het andere en met alle andere mensen. Ik voel dat tot in mijn botten. ‘Ik ben omdat wij zijn. En omdat wij zijn, ben ik.’” Ook een gepensioneerde theoloog schrijft zijn blijven in de Sociëteit aan zijn medebroeders toe. “Wij beleefden een ongelooflijk belangrijke periode van de kerkgeschiedenis. Maar wij waren goed toegerust. En dat was niet alleen te danken aan wat we gedoceerd kregen, maar ook aan de mensen met wie wij omgingen.” Een gepensioneerde leraar legt uit: “Mijn intiemste vrienden inspireerden me en toen ik er een verloor, was het alsof ik een arm kwijtraakte.” Van een andere leeftijdgenoot zegt hij: “Ik belde hem twee keer per week om dingen met hem door te praten. Als ik in de war was, gaf hij me goede raad en zei me eerst kalm te worden voordat ik wat ging doen. Deze kerels stimuleerden en inspireerden mij en hielpen mij op mijn weg. Het waren indrukwekkende mensen en ik mis ze heel vaak.”

Verschillende jezuïeten zien een verband tussen sociale relaties en vruchtbaar apostolaat. “Uit een discussie met vrienden haal ik meer dan uit welke andere bron ook”, benadrukt een gewaardeerd geleerde. Een man die lange tijd bestuurder was zegt ongeveer hetzelfde: “Als ik terugkijk, denk ik dat een van de redenen waarom ik in nogal hectische omstandigheden het hoofd boven water heb kunnen houden, is dat ik goede relaties met mensen – jezuïeten, familie, vrienden, collega’s – heb onderhouden. Ik geniet van de tijd doorgebracht met vrienden om iets te vieren, samen te eten of wat dan ook. Als je ouder wordt, moet je die relaties aanhouden. Een van de droevigste dingen is, wanneer mensen zeggen: ‘Ik heb geen vrienden meer.’ Ik denk niet dat dit voor ons jezuïeten een groot probleem is.”

Niet weinig ouderen tellen vrouwen onder hun relaties. “Als jongeman was ik heel schuw tegenover vrouwen, maar vandaag heb ik veel vriendinnen die de vreugde van mijn leven zijn.” Een andere jezuïet zegt: “Ik sta verbaasd over het aantal vrouwen dat ik heb leren kennen. Sommigen van hen zijn nu dood. Zij zijn een deel van wat ik noem mijn ‘gemeenschap van de heiligen’. Ik weet dat dit afgezaagd klinkt. Ik heb goede vriendinnen gehad en goede vrouwelijke voorbeelden in mijn leven – betere in feite dan de mannen in onze familie.” Een vroegere pastor voegt daaraan toe: “Ik had een aantal zusters als vriendin, een daarvan is ongeveer vijf jaar geleden overleden. Wij waren werkelijk heel close. En alles lag open. We konden samen uit eten gaan en dat soort dingen.”

Het onderhouden van een sociaal netwerk is niet minder belangrijk voor hen die gepensioneerd zijn. Gevraagd wat voor hem nu het belangrijkst is, zegt een tachtigjarige vroegere leraar: “Het communauteitsleven.” De fysieke ongemakken van de oude dag zijn niet gemakkelijk te dragen, moet iemand die tot een grote communauteit behoort toegeven. Hij bracht een paar nachten op een ligstoel door, omdat een artroseheup hem uit bed hield. “Wat mij tijdens de lange nachten op de been houdt,” zegt hij, “is het vooruitzicht dat ik de volgende dag weer met medebroeders zal kunnen praten. Ik zie met verlangen uit naar de avond, met een drankje en het gezamenlijk eten. Het kan mij niet schelen dat het gesprek niet altijd veel voorstelt. Je bent met mensen samen en er is een uitwisseling die absoluut noodzakelijk is. Dat zijn belangrijke momenten in mijn dag. Het is een tijd van werkelijk met elkaar verkeren. Ik heb een of ander contact nodig en het feit dat ik weet dat ik onder mensen leef, is voldoende om mij op de been te houden. Dat is ook de reden waarom mensen die erg op zichzelf zijn, toch een beetje vreemd worden.”

Als het gesprek dan verder gaat, wordt het alsmaar duidelijker voor mij waarom deze grijsaard door zijn medebroeders als een wijs man wordt beschouwd. “Waarom komen oude mannen samen om jeu de boules te spelen? Dat is niet om die verdomde bal te gooien, maar om contact met anderen te hebben en te praten met hun kameraden. Of neem de mannen die naar de coffeeshop gaan. Dat zijn de dingen die oude mensen doen. Je gaat op een bank zitten en praat met je vrienden, als ze voorbijkomen. Waar praat je over? Over dezelfde dingen waar je al je hele leven over gepraat hebt.” Jezuïeten die in verzorgingshuizen leven hebben vaak de gelegenheid om de bank in het park te delen met oude kennissen. “Ik heb oude vriendschappen met klasgenoten weer aangeknoopt. Ik houd ervan om weer met hen op te trekken.”

“De activiteit die mij het meest voldoening geeft, is praten met mensen, of het nu studenten zijn of andere mensen van de faculteit of jezuïeten, en dan op een diep niveau. Dat is ook de reden dat ik zo graag overste was. Medebroeders lieten je binnen in hun leven en het was geweldig als je dan met hen op hun innerlijk niveau mocht werken. Ik voel datzelfde nog steeds in geestelijke begeleiding of in situaties die iets van counseling hebben. In feite is de meest voldoening gevende activiteit in mijn oudere jaren met mensen over God spreken en met hen praten over henzelf op hun diepste niveau en hoe God daar bezig is. Ik bedoel dat niet op een vrome manier, maar op een manier die niet aan de oppervlakte blijft.”

Dat deze jezuïeten het gesprek wezenlijk vinden voor hun dienstwerk is geen verrassing. Het was door dialoog dat Ignatius in Parijs de eerste gezellen aantrok. En Jeroom Nadal, die de Constituties aan de beginnende Sociëteit uitlegde, benadrukte dat liefdevolle omgang met anderen geheel en al bij het dienstwerk van de Sociëteit hoort. “Ik stel mij het leven in het Koninkrijk voor als een doorlopend vertrouwelijk gesprek”, zegt een jezuïet die zijn gesprekken met vrienden vergelijkt met de wachtkamer van de hemel. “Ik ben een goede gesprekspartner. Dat is wat ik heel goed kan. Ik ben ook iemand die graag uit eten gaat, en dat doe ik met heel wat mensen. Ik ben mij ervan bewust dat zulke gesprekken iets sacramenteels hebben, en misschien zelfs iets eucharistisch.” Een van de redenen waarom ons dienstwerk – inclusief bidden voor de Sociëteit en voor de kerk – voldoening geeft, is dat het gericht is op de ander. “Ik houd ervan met mijn mensen te werken”, zegt een oud-leraar die nu op een kantoor werkt. “Ik heb nooit een hekel gehad aan werken. Nooit. Ik heb geluk. De mensen zijn goed en ik heb plezier met hen.”

Als er iets is wat afbreuk doet aan relaties, dan is het alcoholisme, dat zoals iedere verslaving mensen narcistisch maakt en alleen nog maar bezig met zichzelf. Drinken vervreemdt een mens van zijn medemensen en verwijdert hem van datgene wat hij het meest nodig heeft: verbondenheid met anderen. Volgens de reeds aangehaalde studie van Vaillant leidt alcoholmisbruik meestal tot een minder gelukkige oude dag, ten dele omdat het schadelijk is voor iemands sociale contacten. “Te maken krijgen met alcoholici was een leerzame ervaring voor mij”, zegt een vroegere rector. “Eerst dacht ik dat het niet mijn zaak was dat ze dronken, maar dan merk je dat zo’n man ook ruzie maakt met anderen.” Dronkenschap heeft gewoonlijk vernietigende gevolgen voor iedereen die ermee te maken krijgt. “Het is verwoestend”, bevestigt een medebroeder die zich een moment herinnert waarop de hele communauteit de provinciaal verzocht om een drinker te verwijderen. Ze vonden hulp voor de man, en nu zijn zowel hijzelf als de communauteit beter af.

“Ik ben de enige die nog over is”

Voor jonge mensen is het vertrek van vrienden uit de Sociëteit of het overlijden van een geliefde mentor een heel verlies. Bij oudere jezuïeten komen zulke offers veelvuldig voor. “Alleen al in dit laatste jaar verloor ik vijf mensen die in mijn compagnie zaten en die ik goed gekend heb”, zegt een veteraan van de Tweede Wereldoorlog. “Hetzelfde gebeurt met mijn klasgenoten van de middelbare school. Ze sterven uit. Al mijn broers en zussen zijn overleden, en dat is moeilijk te aanvaarden. Er zijn twee dingen in het ouder worden waar ik het moeilijk mee heb”, zo vat hij samen. “Het eerste zijn de fysieke beperkingen die groter worden, en het tweede dat ik steeds meer van mijn beste vrienden verlies.” Anderen herhalen zijn refrein. “Het was moeilijk”, zegt een tachtigjarige, “om mijn broer en mijn zus te zien sterven. En in het laatste jaar stierven twee van mijn beste lekenvrienden aan kanker.” Ook de SJ-kameraden nemen snel in aantal af. “In de jaren zestig hadden we een groep van ongeveer vijftien die in de zomer samen op vakantie gingen. Dat zijn er nu nog maar vier of vijf.”

Men went nooit helemaal aan het wegvallen van dierbaren. “Wat mij het meest verraste en wat ik het moeilijkst vond was, denk ik, het verlies van mijn vrienden”, bekent een priester van 86. “Tevoren was dat nooit een probleem. Maar nu ben ik in een positie waarin ik kan zeggen dat alle mensen in wie ik vertrouwen had en aan wie ik echt iets kwijt kon en naar wie ik op mijn beurt luisterde, verdwenen zijn.” Over zijn bureau heen reikend haalt hij een verbleekte foto boven. Genomen in 1942 staan daarop: hijzelf en 36 scholastieken van voor in de twintig, in toog en met een bonnet. “Het schokte me, toen ik die foto terugvond, omdat ze allen zijn gaan hemelen. Deze trad uit en die is dood nu, enzovoort. Ik ben de enige overlevende van die groep. Dat ben ik. Je verwacht dat dit ooit zal gebeuren. Het is logisch, het kan niet anders; dat is de prijs die je moet betalen als je zo lang leeft. En toch verraste het me dat al die verliezen me zo raakten. We krijgen een hoop cursussen in de Sociëteit, maar nooit een cursus hoe je oud moet worden. Het zou een goed idee zijn, als er zo’n cursus kwam. Maar ja, je weet niet wie die cursus dan gaat maken en wie er iets aan zal hebben.”

Ofschoon het wegvallen van vrienden een van de lasten van de oude dag is, was geen van deze jezuïeten kapot van verdriet door het verlies. Zoals op veel gebieden van het leven, relativeert geloof het ongeluk en geeft het een plaats. “We gingen 25 jaar lang ieder jaar samen met vakantie”, zegt iemand over zijn overleden broer. “Mensen zeggen: ‘Dat moet moeilijk zijn’, en ik vertel hen: ‘Ik mis Jim, natuurlijk, daar is geen twijfel over. Maar hij is beter af dan ik en ik zou niet willen dat hij terugkwam!’ Zo voel ik dat ook ten aanzien van vrienden die zijn overleden. Naar God gaan, daar gaat het uiteindelijk om – van God komen en naar Hem teruggaan.” Een ander merkt op: “Geliefden verliezen is angstwekkend en brengt je in de war, maar dan gaat je geloof een woordje meespreken. Bovendien word ik getroost, als ik bedenk wat een bijzonder leven ze geleid hebben en wat voor goede gezinnen zij hebben achtergelaten.”

Het kleiner worden van je kring onderstreept het bijzondere belang van het onderhouden van sociale contacten. Terwijl sommige oude jezuïeten proberen het vol te houden zonder ondersteuning, zoeken anderen creatief naar mogelijkheden om nog bestaande relaties te verdiepen. Zo probeert iemand die al zijn broers en zussen heeft verloren, contact te houden met neven en nichten. Hij doet ook moeite om nieuwe kennissen te maken en merkt tevreden op dat een aantal families hem zo’n beetje geadopteerd hebben. Terugkijkend op zijn leven zegt een 73-jarige: “Als er één advies is dat  ik aan jongere jezuïeten zou willen geven, dan zou dat zijn: doe een inspanning – ik weet dat het niet altijd gemakkelijk is – om nieuwe vriendschappen te cultiveren. Leg niet al je eieren in één mand door het aantal van je vrienden klein te houden, want zij zullen er niet altijd zijn.” Een andere jezuïet, die het overlijden van leeftijdgenoten betreurt, vindt toch ook een les in hun heengaan. “Ik zou ook niet willen leven alleen maar omgeven door leeftijdgenoten, omdat ik ze niet allemaal aardig vind. Ik heb me het verschil gerealiseerd tussen vrienden en medebroeders in de Sociëteit. Ik heb een hoop vrienden en nog veel meer medebroeders.” Zoals andere ouderen die hun weg gevonden hebben, heeft hij een uitgebreid sociaal netwerk om zich heen van medewerkers en de jonge jezuïeten met wie hij in een grote communauteit leeft. “De opgewektheid en het plezier van de jeugd”, verklaart hij, “zijn groot.”

Contact met de jongere generatie

De jezuïet-schrijver James Martin heeft opgemerkt dat “de Sociëteit van Jezus een van de laatste plaatsen in dit land is waar je nog met broers, vaders en grootvaders samenleeft.” De relaties die daardoor ontstaan zijn complex en gevarieerd, vol spanning en zeer lonend. Sommige oudere jezuïeten hebben geen uitgesproken band met de jongere medebroeders waar ze mee leven. Anderen, vooral degenen die scholastieken begeleiden, kennen hen bijna even goed als hun eigen leeftijdgenoten. Gepensioneerden die lang geleden het contact met de jongste leden van de Sociëteit verloren, knopen dikwijls nauwe banden aan laat in hun leven met novicen die op experiment zijn in het verzorgingshuis van hun provincie.

Ofschoon zij ook hun kritiek hebben op de jongeren, zijn de meeste ouderen die nauwe banden hebben met novicen en scholastieken kwistig in hun lof over hen. “Ik ben onder de indruk van de jonge jezuïeten. Sommigen zijn onuitstaanbaar en nog echt kinderen, maar dat kun je ook van de oudere groep zeggen. Zij hebben de moed een beroep te kiezen dat niet meer het prestige heeft dat het priesterschap genoot toen ik hun leeftijd had. Maar deze jonge kerels schamen zich er niet voor priester te zijn. Ze houden van de dienst die zij mensen kunnen bewijzen.” “Ze zijn veel meer ondergedompeld in de cultuur van vandaag. Ik vind die cultuur niet erg ondersteunend voor het religieuze leven, zoals dat veertig jaar geleden wel was. Ik weet niet hoe zij dat volhouden. Het is een echte daad van geloof. Ik ben onder de indruk van hun moed.” Het contrast tussen de generaties leidt onvermijdelijk vergelijkingen. “Ze laten gemakkelijker hun emoties zien dan wij dat deden en ze schenken gemakkelijker hun vertrouwen aan vrienden. Ik ben heel enthousiast over de jonge mensen die wij hebben. Zij houden van de Sociëteit en zijn erin geëngageerd.”

De veteranen vertellen wat zij aan deze uitwisseling tussen de oude en de jonge generatie hebben gehad. “Zij hebben mij optimistisch gehouden. Ik ben van nature hoopvol, maar zij hebben mij zeker geholpen om dat ook te blijven. Ik geloof dat jonge mensen fris tegen de dingen aankijken en nog dromen hebben. Dat helpt mij.” Het is paradoxaal maar het contact met de jongeren helpt de ouderen om te aanvaarden dat ze met de jaren onvermijdelijk gemarginaliseerd worden. Oudere jezuïeten staan vaak model voor hun jonge medebroeders, maar het omgekeerde is evenzeer waar – vaak zonder dat die jongeren dat zelf weten. “Ik houd van de jongeren en word door hen geïnspireerd”, zegt een leraar die heel wat scholastieken in hun interstitie heeft meegemaakt. “Ze zijn niet alleen gelukkig en optimistisch, maar ze gaan ook met de armoede om op een wijze die mij sticht.” Een ervaren retraitebegeleider is onder de indruk van het gemak waarmee een van zijn nieuwe medewerkers met lekencollega’s omgaat. “Ik was dat niet gewend, maar deze jonge priester doet dit met groot gemak, en hij doet het goed. Het is prettig om dat te zien.” Iemand die in het begin van zijn carrière aan een universitair programma meewerkte, schrijft zijn eigen bereidheid om te veranderen en zijn vermogen om anderen te begrijpen toe aan de scholastieken met wie hij leefde. “We moeten openstaan voor nieuwe mogelijkheden, en dat heb ik geleerd van de jonge mensen met wie ik werkte.”

Ouderen die zich openstellen voor jongeren lijken minder geneigd om zich zorgen te maken over de toekomst van het religieuze leven. “Van onze scholastieken heb ik geleerd dat God werkelijk aan het werk is in de Sociëteit in deze jonge mensen”, zegt een bejaarde priester. Een ander voegt eraan toe: “Terwijl ik hen niet nodig heb in die zin dat ik veel tijd met hen wil doorbrengen, geef ik wel veel om hen en verlang ik hen te steunen en te bemoedigen. Maar de fundamentele reden waarom ik blij met hen ben is dat zij de toekomst zijn en ik door hen in die toekomst betrokken ben.” Weer een ander: “Door mijn omgang met jonge jezuïeten ben ik me vragen gaan stellen over wat ik vanzelfsprekend vind. Mijn waarden en categorieën zouden wel eens niet meer aangepast kunnen zijn aan het leven van vandaag. Maar voor de jongeren is er nog een hele wereld van mogelijkheden, die veel verder gaan dan die waarmee ik ben opgegroeid. Ofschoon die mogelijkheden hun negatieve kanten hebben, twijfel ik er niet aan dat zij daarmee het negatieve én het positieve in onze wereld aankunnen. In een bepaalde zin is dat bevrijdend. Het bevrijdt mij ervan te denken dat ik die problemen moet oplossen. Ik ben niet in de positie om dat te doen, zij wel.”

V. Religieuze ervaring in het leven van ouderen

 De grootste gave

Hoewel sommige onderzoekers de rol van religiositeit niet meetellen in het vormgeven van een tevreden oude dag, zijn andere geleerden daarover minder negatief. Volgens een bepaalde studie is het zelfs een feit dat religie samengaat met een goede geestelijke gezondheid, in het bijzonder als religiositeit wordt afgemeten aan daadwerkelijk religieus gedrag. Als religieuze ervaring het effect van sommige stress-situaties en depressies een halt kan toeroepen, kan ze ook zin verlenen aan het dagelijkse leven.

Je hoeft geen moeite te doen om jezuïeten van de waarheid daarvan te overtuigen. “Het enige wat echt belangrijk is in deze fase van mijn leven”, zegt een priester van achter in de zeventig, “is dat ik meer religieus geworden ben. Ik ontvang bv. veel van de liturgie, wie ook de mis leest of hoe vreemd hij ook voorgaat.” Dat geloof een grote plaats inneemt in het vermogen van een jezuïet om geluk en tevredenheid te vinden is algemeen bekend. De wijze waarop een individu door de ignatiaanse spiritualiteit gevormd is, schrijft een jezuïet-psycholoog, is alles bepalend voor de wijze waarop hij zijn tijd besteedt in de herfst van zijn leven. Ziet hij het ouder worden als een gelegenheid om zijn geestelijk leven te verdiepen? Is hij blij met de tijd om meer boeken te lezen, brieven aan vrienden te schrijven en contact op te nemen met mensen die hij misschien jarenlang verwaarloosd heeft? Gebruikt hij de tijd om verborgen talenten op het spoor te komen of kijkt hij slechts naar het weerbericht op tv of het journaal dat 24 uur lang dezelfde feiten herhaalt? “Als je dit leven wilt leiden, kun je beter bidden”, raadt een gerespecteerde oudere aan. “Kijk of je daar smaak voor kunt ontwikkelen, zodat je er niet alleen maar heen gaat omdat je moet.”

Gebed is een sine qua non van het religieuze leven in ieder stadium en niet minder noodzakelijk als men ouder is. John LaFarge geloofde dat “de latere jaren een tijd zijn waarin wij ons veroorloven om vertrouwelijker te worden met God en dichter naar die bron van leven toe te groeien, waar wij onvermijdelijk naartoe bewegen. Gebed wordt zo meer en meer een deel van ons leven.” Aldus verklaart een 72-jarige: “Dit is een heilige tijd van genade. Het is een uitnodiging van God om de tijd in dankbaarheid door te brengen.” “Wat ik het belangrijkst vind”, zegt een ander hem na, “is me dicht bij te God voelen, en dicht bij God te blijven, en te weten dat dat het belangrijkste is wat ik kan doen.” Een derde zegt het zo: “Ik denk meer biddend aan God, en ik denk veel aan God, veel meer dan in welke andere tijd van mijn leven ook. Ik heb nu immers niet veel anders meer om mij zorgen over te maken. Ik ben daar heel dankbaar voor. Ik probeer zo dicht mogelijk bij God te blijven. Ik ben mij ervan bewust dat dit de grootste gave is die ik heb.” “Ik weet niet hoeveel dagen ik nog heb”, zegt een negentigjarige, “en dus waardeer ik iedere dag.”

Nadenken over ouder worden maakt het nodig om ook over doodgaan te denken. Voor degenen die al wat ouder zijn, kan dat vooruitzicht welkom zijn. “Ik kan niet wachten om dood te gaan. Ik kijk ernaar uit zonder enige angst”, zegt een man van 91. “Het kan niet vlug genoeg gebeuren, wat mij betreft. Ik ben zo benieuwd de Drie-eenheid te zien, facies ad faciem.” Het verlangen naar intimiteit betekent niet dat iedereen bezig is de Styx over te steken. “Ik ben er bang voor,” geeft een ander toe, “en dat doet me geen goed. In plaats daarvan zeg ik tot de Heer: ‘Ik ben bang, dus moet ik vertrouwen in U hebben.’” Een gepensioneerde pastor gebruikt een beeld: “Op mijn leeftijd realiseer je je onvermijdelijk dat je bijna aan het einde van de busrit bent gekomen. Er zijn nog maar een paar haltes vóór het eindstation. Om eerlijk te zijn, ik vind het niet moeilijk om dat te accepteren.” En zich zorgen maken over zijn sterfelijkheid, daar besteedt hij niet veel tijd. Zoals mensen die wachten op de dageraad, weten deze veteranen dat de dood aan de einder ligt, maar hun blik is niet gevestigd op de horizon. “Als vrienden doodgaan, denk ik bij mijzelf: ik kan maar beter mijn zaken in orde maken”, geeft een nog actieve tachtigjarige toe. “Maar dan zeg ik tegen mijzelf: ‘Nu nog niet!’ Ik denk er dus af en toe wel aan, in het bijzonder als ik uitvaarten doe, maar ik kijk naar de dood op een positieve, vredige manier.” “Ik heb geprobeerd het mij voor te stellen,” zegt een 84-jarige priester, “maar dat kan ik niet. Hoe zou het ook kunnen? Ik zit er ook niet over in, en ik denk ook niet dat ik bang ben voor de dood. Ik ben meer benieuwd naar wat er daarna gebeurt, niet naar het feit zelf.”

“Mijn idee over de dood is dat we er te veel van maken”, stelt een gepensioneerde theoloog. “Veel te lang hebben we vastgehouden aan een beeld van de dood als een verschrikkelijke aanwezigheid die boven ons hoofd hangt, met als resultaat dat wij aan de boodschap van Pasen voorbijgaan. Het is niet tot ons doorgedrongen dat Christus de dood voor ons teniet heeft gedaan. Hoewel een ouder wordend lichaam en geheugenverlies mij dagelijks aan mijn vergankelijkheid herinneren, denk ik dus niet veel na over mijn sterfelijkheid. Als morgen een eerste fase van kanker bij mij vastgesteld zou worden, zou ik zeggen: ‘Oké, laten we proberen er iets aan te doen.’ Maar als het ernstiger is dan dat, zou ik concluderen: ‘Dat is goed, maar ik wil geen enkele behandeling.’ Angst voor de dood? Jezus is gekomen om ons daarvan te verlossen.” “Ik heb op dit moment geen angst voor de dood”, zegt een andere jezuïet uit die generatie. “Ik weet niet hoe ik ermee om zou gaan, maar ik kan nu iets doen aan de manier waarop ik leef.”

De jaren besteed aan het inoefenen van de ignatiaanse manier van leven schijnen uiteindelijk vrucht te dragen. “Als dingen mij verleiden, uitdagen of bang maken,” zegt een jezuïet, “dan bid ik om onverschilligheid, en de Heer bevrijdt mij van alles waar ik mee zit. Het is veelzeggend dat de eerste woorden van de opgestane Heer tot zijn leerlingen zijn: ‘Vrede zij u’ en ‘Wees niet bang’ – vóór zij goed en wel iets kunnen zeggen. In de loop der jaren ben ik gaan beseffen dat angst in ons hart betekent dat de Heer klopt op de deur van dat hart.” En hij vervolgt: “Als ik angstig word, zoals bij het aankijken van de dood, dan denk ik: ‘Oké, ik ga nú niet dood.’ Wat ook de angst is, ik bid om onverschilligheid. De Heer wil niet dat wij met angst leven. Dat betekent niet dat we geen moeilijkheden en negatieve dingen en ook geen lijden zullen kennen. Maar wij hoeven niet angstig te zijn, en dat is ongelooflijk. Het ignatiaanse begrip onverschilligheid is een klein geheim van mijn leven en van mijn apostolaat geworden”, vertrouwt hij mij toe, ”en het zit in de gereedschapskist van mijn gebed.”

Angst hield de drie stervende jezuïeten die ik tegenkwam niet bezig. Toen ik een van hen vroeg of zijn manier van bidden veranderd was sinds bij hem terminale kanker was vastgesteld, zei hij: “Nee, dat denk ik niet.” Maar toen bedacht hij zich: “Behalve dat ik veel bewuster probeer los te laten en mijzelf over te geven. Ik ben nu bijna zover.” Een ander, die vredig de dood tegemoet ging, zei mij “dat hij God nu minder zocht, maar meer open was voor God die hem zocht.”

Het bidden verandert

Vertrouwen en overgave bij het naderende einde van het leven lijken – behalve een genade die je gegeven wordt – ook samen te hangen met trouw aan het gebed. Maar die trouw komt niet vanzelf. Velen weten uit eigen ervaring dat het vuur en de frisheid minder worden, terwijl hun gebedsleven dat wel had toen zij jonger waren, een verschijnsel dat wordt opgemerkt door de meesters van het spirituele leven én door onderzoekers van het menselijk brein. Een van die laatsten schrijft: Als we eenmaal vijftig jaar oud zijn “wordt het onwaarschijnlijker dat we die transcendente topervaringen hebben die wel kunnen voorkomen als we jong zijn. In plaats daarvan hebben we eerder subtiele geestelijke ervaringen en uitzuiveringen van ons geloof.” Over deze achteruitgang in “merkbare devotie en innerlijk leven” ook bij hemzelf, merkte John Henry Newman op: “Oude mannen worden in hun ziel net zo stram, mager en bloedeloos als in hun lichaam, behalve in de mate dat de genade ze doordringt en zacht maakt.” Dus bad hij om vurigheid en merkte op: “Als ik vraag om nieuw vuur, dan vraag ik om de gave van het gebed.” Een oude jezuïet zegt iets vergelijkbaars: “Ik wou dat ik gemakkelijker tot gebed kon komen. Ik praat altijd over affectief gebed met anderen,” zo bekent hij, “maar zelf ervaar ik dat zo weinig. Kon ik maar bidden. Ik bid er wel om, maar mijn bidden is nog altijd zo weinig affectief. Ik wou dat ik beter kon bidden voordat ik sterf.” Hij bidt nog steeds.

“Na zeventig jaar in de orde zijn er nog steeds die verstrooiingen”, zegt een ervaren geestelijk begeleider. “Nog steeds zijn er die momenten van dorheid en verveling, dat ik schud met de zandloper om te zien of hij niet vastzit. Maar,” zegt dezelfde jezuïet, “mijn meditatie is dieper geworden, rustiger, en mijn gebeden zijn gevuld met een verlangen om vergeving te vragen, spijt te betuigen, te danken en lief te hebben.” Een oud-provinciaal heeft dit geleerd: “Mijn gebed is niet vol van hoogtepunten en mooie gedachten, en soms zit ik te vechten tegen de slaap. Maar ik beoordeel mijn gebedsleven nu meer vanuit de vraag of ik gebeden heb of niet. Als ik niet bid, als ik geen tijd verlies met God, dan voel ik me er niet lekker bij. In het andere geval zeg ik gewoon: ‘Oké, wat gebeurt, gebeurt. Hier ben ik, en U bent de baas.’”

Als hen gevraagd wordt of hun gebed is veranderd in de loop van de jaren, antwoorden deze jezuïeten bevestigend. Voor een deel is die verandering de vrucht van het Concilie: de terugkeer naar een meer persoonlijke spiritualiteit, die samenhangt met het leven en menselijker is. Maar het heeft ook te maken met een volgehouden beoefening van het gebed. “Ik ben nu meer vertrouwd met God dan ooit tevoren in mijn religieus leven”, zegt een oud-leraar. “Ik sta meer open voor het gebed. Mijn beeld van God is veranderd: meer liefde en aanvaarding – geen strenge rechter, maar eerder een tochtgenoot.” Iemand die weldra tachtig wordt zegt dat zijn jaarlijkse retraites nu beter zijn dan vroeger. Waarom? Omdat hij zich realiseert dat iedere retraite nu de laatste kan zijn. Een ander zegt: “Ik heb een groot vertrouwen in God. Ik ben van nature opgewekt, maar mijn naïeve optimisme is langzaam veranderd in vertrouwen. Ik weet gewoon dat ik bij God ben en dat God altijd om me heen is. Dus is het niet moeilijk om dank u wel te zeggen of om hulp te vragen.”

Mijn contemplatie is tegenwoordig “veel meer verbonden met wat ik op dat moment voel”, zegt iemand die 65 jaar in de orde is, “en het gaat ook veel vaker over dankbaarheid. Ik schaam me er bijna voor hoe goed het leven voor mij is geweest, alsof ik me daarvoor moet verontschuldigen. Waarom is God zo goed voor mij? Ik kan het niet uitleggen.”  Een andere medebroeder, die zeventig jaar religieus is, zegt: “Vroeger, vooral tijdens de Geestelijke Oefeningen, was mijn gebed geconcentreerd op de persoon van Jezus Christus. Dat is nu veranderd. Heel mijn dagelijks gebed is trinitair. Ik begrijp het niet, maar ik vertrouw erop dat de Heer er is. Ik denk dat de Heilige Geest nu mijn geestelijk begeleider is. Ik weet niet of anderen dat ook meemaken, maar ik ben heel rustig en in vrede als het tijd is om te bidden. Ik kijk ernaar uit.”

Het gebedsleven van ieder van mijn gesprekspartners is anders, maar toch zijn er enkele overeenkomsten. Veel van de wat oudere medebroeders merken op dat hun inwendig gebed minder formeel wordt en minder structuur heeft, en tegelijk meer een relatie uitdrukt en meer met de Bijbel van doen heeft. Net als bij Ignatius, voor wie spirituele lectuur leidde tot bekering, wordt hun gebed gevoed door geestelijke lezing. “Ik pak steeds vaker een boek van de plank dat ik al ken en lees een van mijn favoriete passages”, zegt iemand. “Ik lees de tekst heel langzaam en dat raakt me dan.” Een ander vond de weg terug naar de rozenkrans, vooral als verstrooiingen of slaperigheid opdoemen. “Ik bid de rozenkrans weer, maar ik let minder op de woorden; het is alsof ik een mantra herhaal en er maar gewoon ben voor God.” Anderen vinden troost in het biddend terugkijken op het eigen leven. “Ik bid terwijl ik me mijn leven voor de geest haal. Ik doe dat zonder spijt en zonder terug te verlangen naar de goede oude tijd, maar ik roep die herinneringen op waar ik denk dat God bij aanwezig was. Ik dank God voor die keren en vraag dat Hij ook nu bij mij wil zijn.” Dezelfde pater is nu lid van een gebedsgroep in de school waar hij vroeger gewerkt heeft: “Het is een hoogtepunt in de week, nu. Twintig jaar geleden zou ik gedacht hebben: ‘Jakkes!’, en nu betekent het zoveel voor me en haal ik er kracht uit.”

God vinden in alle omstandigheden

De auteur van deze regels is er in deze gesprekken met medebroeders door verrast hoezeer het bidden van jezuïeten zowel horizontaal als verticaal gericht is. Hoewel ze niet onbekend zijn met de gave van de contemplatie van hogere dingen ontdekken veel medebroeders God in wereldse bezigheden. Dat hoeft niet te verbazen, want de ignatiaanse spiritualiteit is gericht op het ontdekken van het heilige in het gewone. Pater Jeroom Nadal legde dat al uit in de zestiende eeuw tijdens zijn reizen door Europa om de Constituties van de jonge orde uit te leggen: voor jezuïeten helpen gebed en werk elkaar. “Het bidden in de Sociëteit is vruchtbaar voor het werk, en omgekeerd bevrucht het werk het bidden.” Vandaar de aansporing van Ignatius om God in alles te vinden, een thema dat werd opgenomen door de 31e Algemene Congregatie: “In ons gebed worden wij gesterkt en geleid tot handelen, terwijl ons handelen ons aanspoort om te bidden.” Anders gezegd, gebed en werk zijn één.

Dit geldt zowel voor gepensioneerden als voor hen die volop in het apostolaat staan. Een 83-jarige, die 63 jaar in de orde is, schrijft: “Ik heb lange, droge tijden gekend met de God Die Stil Is. Al die uren meditatie waarin ik maar naar de klok zat te kijken – gaat dat uur nooit voorbij? God wat wilt U toch van mij? Maar nu, veel later, heb ik het licht gezien. Of beter, ik heb de stem gehoord, Gods stem, en mijn meditaties zijn helemaal anders geworden. Ik zit nog steeds naar de klok te kijken, dat is gebleven. Maar nu heb ik heel andere vragen: Wat hebt U mij nog meer te zeggen, God? Geeft U het dan nooit op?”

Waardoor kwam die verandering in zijn gebed? “Ik denk dat mijn pensionering me de ruimte en de tijd heeft gegeven om eindelijk te begrijpen dat God nooit ophoudt tegen mij te praten. Maar er is meer. Nadat ik weer eens de meditatie van Ignatius over de Menswording had overwogen, was het alsof ik voor het eerst begreep: God houdt zich bezig met deze wereld. Nu zie ik eindelijk het licht en Gods stem is luid en duidelijk: Hij spreekt voortdurend tot me in allerhande dingen en op allerlei manieren. Daardoor kan ik nu bidden met de dingen uit de wereld waarin ik iedere dag leef –  dingen uit de media, contacten met mensen, de banale gebeurtenissen van elke dag. Je zou me kunnen verwijten dat ik van het dagblad of het televisiejournaal een vijfde evangelie maak. Ik hoef me niet meer terug te trekken en afstand te nemen om Gods stem te horen. Die stem die is er voortdurend, en vraagt mij om een antwoord. Ik voel me meer dan ooit leven, terwijl je zou denken dat ik mijn laatste uren aan het aftellen ben. Mijn hele leven heb ik gebeden tot de Heilige Geest, dat die me zou onderwijzen hoe ik moet bidden, en die gebeden worden nu eindelijk verhoord.”

Het bidden wordt eenvoudiger en spontaner door het te blijven doen, het komt ook terwijl je andere dingen aan het doen bent. Een jezuïet die heel wat verschillende taken heeft vervuld zegt: “De Heer is er. Hij is aanwezig. Hij is er altijd. Na vele jaren van bidden en onderscheiden kom je op een punt waarop het vrij eenvoudig wordt je naar de Heer van je leven te keren, naar die Ene die je hebt leren kennen en liefhebben. Dat is wat ik nou het mooiste vind van oud worden: het is niet ingewikkeld en je hoeft niet urenlang te mediteren.” Andere senioren hebben vergelijkbare ervaringen. “Het is niet zo dat ik voortdurend in het licht van Gods aanwezigheid baad, maar in de meest banale omstandigheden denk ik aan die aanwezigheid en bid dan korte tijd. Het kan elke dag en meerdere keren op een dag. Ik doe niet veel meer dan zeggen: ‘Ik ben blij dat ik in uw aanwezigheid mag zijn.’ Vroeger zou ik nooit gedacht hebben dat zo’n manier van bidden volstond.”

Doorgewinterde religieuzen vinden de Heer op onwaarschijnlijke plekken. Een priester op leeftijd die nogal wat moet reizen voor zijn werk, voelt zich aangetrokken tot het Jezusgebed: “Heer Jezus, Zoon van de levende God, ontferm U over mij.” “Waar ik ook ben, het geeft me onmiddellijk het gevoel dat ik bij God ben. Ik kan bv. in de vertrekhal van het vliegveld zitten wachten, ik zeg het Jezusgebed en meteen zit ik erin. Of als ik in de auto honderd kilometer naar een viering rijd, dan bid ik het Jezusgebed zowel heen als terug, ik heb toch alle tijd.”

Het is wonderlijk hoezeer mensen een plaats hebben in het bidden van jezuïeten. “Na het ontbijt neem ik gewoonlijk de tijd om te bidden. Zodra ik ervoor ga zitten, komen mij mensen voor de geest voor wie ik wil bidden. Eerst dacht ik dat dit een verstrooiing was, maar later heb ik geleerd dat het een goede manier is om mijn ochtendgebed te beginnen. Het stimuleert me en geeft richting aan mijn gebed, en het brengt me vanzelf bij de Bijbelpassage waar ik die dag over bid.” Een overste zegt: “Door de aard van mijn werk ben ik meestal met mensen bezig, van binnen en van buiten onze Sociëteit. Daarom hebben die mensen een plaats in mijn bidden, bid ik met hen en voor hen. Onlangs had een huisgenoot een hartaanval en dan merk ik dat ik de hele week voor hem bid.”

“Ik kan niet zeggen hoeveel goeds er gebeurt in mijn geestelijk leven, alleen maar doordat ik bepaalde mensen heb ontmoet”, merkt een gepensioneerde medebroeder op. Een ander zegt het zo: “In mijn gebed voel ik meer sympathie voor anderen dan dat ik God dank voor een mooie dag.” Een levendige zeventigplusser laat me een kaartje zien met achttien namen: “Dit zijn de achttien intenties voor vandaag. Het zijn mensen die naar me toe komen en me vragen om voor ze te bidden. Ik help ze voor zover ik dat kan. Hoe ouder je wordt hoe meer je op deze wijze dienstbaar kunt zijn, omdat andere dingen niet meer van je gevraagd worden. God, laat mij opgewekt blijven. God, laat mij dienstbaar blijven.”

Conclusie

Historici die de Sociëteit bestuderen, maken een onderscheid tussen de letter en de geest, d.w.z. tussen wat nagestreefd wordt en in wetgeving is vastgelegd, en de doorleefde realiteit. Daarvoor onderzoeken zij niet alleen de decreten en documenten van de Sociëteit, maar ook de levende traditie, die zichtbaar wordt in de manier waarop jezuïeten het ideaal van hun instituut op verschillende plaatsen en in verschillende historische perioden gestalte geven. Het getuigenis van de ouderen die voor dit project geïnterviewd werden, is als een venster op die geleefde werkelijkheid. Hun getuigenis gaat niet over een denkbeeldige of geïdealiseerde Sociëteit, maar laat zien hoe reële jezuïeten in de reële Sociëteit leven en hoe zij moeite doen om op een goede manier oud te worden. Ofschoon er maar weinig richtlijnen bestaan over de manier waarop je in de orde oud wordt, laten zij toch in de praktijk zien hoe het mogelijk is dat op een geslaagde manier te doen.

Hun voorbeeld leert ons een aantal waardevolle zaken. Het is allereerst betekenisvol, omdat deze mannen een weg gaan die door jezuïeten vóór hen meestal niet begaan is. Er zijn natuurlijk ook vroeger oudere jezuïeten geweest, maar nooit waren er zoveel die zo lang leefden. Zelfs rond 1900 werd de gemiddelde Amerikaan niet ouder dan vijftig jaar. Vandaag is de gemiddelde levensduur meer dan 78. De ouderen van de 21e eeuw leven dus, in vergelijking met de generaties vóór hen, ongemeen lang. In een heel reële zin staan zij daarom model voor iets wat tevoren niet bestond. We doen er goed aan naar hen te luisteren.

Wat hebben zij ons te zeggen? Ten eerste laat hun ervaring zien dat veel van wat we meenden omtrent ouder worden, onjuist is. Deze mannen brengen dezelfde boodschap over als Jezus in het evangelie: de dingen zijn anders dan wat ze schijnen te zijn. Het Rijk van God, dat de Heer vergelijkt met gist in het brood of met een schat in een akker, is niet altijd zichtbaar. Zo zijn ook de dynamiek en de realiteit van het ouder worden meestal niet onmiddellijk duidelijk voor de omstanders. Voor ons, die leven in een cultuur die gericht is op prestatie en waarin je waarde meer wordt bepaald door wat je doet dan door wat je bent, blijft de schat van iemands latere jaren vaak in het duister. Als we dan ook nog verblind zijn door de angst om oud en gepensioneerd te worden, missen we de kans om te zien hoe de realiteit er werkelijk uitziet.

De getuigenissen van deze ouderen suggereren dat de latere fase van het leven in feite een tijd is van groei en nieuwe inzichten. Alhoewel oud zijn niet vanzelf wijsheid met zich meebrengt, is het wel zo dat wie de wereld meer van op een afstand bekijkt doorgaans groeit in kennis, mededogen en vrijheid. Voor veel van deze jezuïeten zijn de latere jaren – ondanks de duidelijke beperkingen waarmee de oude dag gepaard gaat – een tijd van diepe tevredenheid. Gelukkig zijn betekent niet voortdurend in de zevende hemel zijn, maar wel dat je tevreden bent met de keuzes die je gemaakt hebt en in staat je leven dankbaar af te sluiten. Bovendien kan een mens, terwijl hij inderdaad veel niet meer onder controle heeft, stappen zetten die het mogelijk maken dat hij genade ontvangt, wat zijn situatie ook is – zelfs wanneer het moment van de dood is gekomen.

De levens van de tevreden ouderen onderstrepen het belang van het onderhouden van een sociaal netwerk in de latere jaren. Wij mensen zijn geschapen om het leven met anderen te delen. Sommigen gebruiken hun pensionering om weer contact op te nemen met mensen die zij door de jaren heen verwaarloosd hebben. Wanneer klas- en andere leeftijdsgenoten zijn overleden, wordt de oude dag ook een gelegenheid om nieuwe vriendschappen aan te gaan, ook met jongeren. Ofschoon niet iedere jezuïet leeft met mensen van de volgende generatie, leggen sommigen contacten met jongere jezuïeten en ontdekken daarbij dat jong en oud dezelfde verwachtingen hebben van de Sociëteit.

De ervaringen van deze ouderen suggereren ook dat er een waarheid schuilt in het gezegde dat een jezuïet nooit gepensioneerd wordt. Als je geen maandelijkse cheque meer ontvangt, wil dat nog niet zeggen dat je geen zending meer hebt. Een zinvolle opdracht en het deel hebben aan de zending van de Sociëteit is inderdaad een belangrijk element om zich later in het leven gelukkig te voelen, juist zoals het dat in een vroegere levensfase was. Deze bezigheden kunnen variëren van pastorale assistenties tot het zorg dragen voor medebroeders in een verzorgingshuis en het bidden voor de Sociëteit en voor de kerk. Wanneer een jezuïet niet de overtuiging heeft “dat wat hij doet een positieve bijdrage is aan het werk van Christus en zijn kerk,” merkte Joseph Conwell op, “dan is hij geneigd zich gefrustreerd en depressief te voelen, en zal hij er waarschijnlijk mee ophouden”. Wat iemand nog kan doen op het eind van zijn leven – en soms zal dat eenvoudig zijn: in het reine komen met wat je te lijden krijgt – daartoe zou hij ook gezonden moeten worden.

Hoewel sommige gerontologen, de vooroordelen van de seculiere cultuur volgend, vinden dat religie geen belang heeft voor een gelukkige ouderdom, is dat niet de ervaring van de jezuïeten. Volgens de mensen die voor dit project geïnterviewd werden, is juist het onderhouden van het geestelijk leven essentieel voor een vredige oude dag. “Als je dit leven wilt leiden, moet je bidden. Gebed en de tijd die je besteedt aan persoonlijke groei – of dat nu is door te bidden of door dienstbaar te zijn – zijn de dingen die je op de been houden en die maken dat je het leven aankunt.” Terwijl deze religieuzen allemaal zoeken naar een grotere vertrouwdheid met God, zijn de manieren waarop ze dat doen heel verschillend. Voor sommigen is bidden gemakkelijk, anderen zijn even verstrooid als in hun jonge jaren. En toch zeggen ze allemaal dat ze meer met God verbonden leven dan ooit tevoren. Een andere gemeenschappelijke trek is hun voorkeur om God te zoeken op alle plaatsen en in alle omstandigheden. En als één man zijn ze allen dankbaar voor hun roeping.

Kortom, het getuigenis van deze ouderen herinnert ons eraan dat God deze extra jaren geeft met een bedoeling. “In het licht van het geloof blijkt de oude dag een rijke tijd van het leven te zijn,” schrijft een bejaarde jezuïet, “een tijd van groei naar binnen en naar innerlijke vindingrijkheid; een tijd om de gaven van je vroegere leven te oogsten en om te komen tot een nieuwe en diepere relatie met God.” In één woord: de oude dag is niet een last, of niet alleen maar een last – het is een geweldige gave.

uit: Studies in the Spirituality of Jesuits 43/3 (2011)

vertaling: Hans van Leeuwen S.J., Mary Blickman, Jan Stuyt S.J.

Bijbestellen van dit nummer is mogelijk; de prijs is € 4 per exemplaar inclusief verzendkosten. Bestellingen kunt u richten aan pater Jan Stuyt S.J., Koninginnelaan 141, 1030 Brussel, België, e-mail <jesuits.flanders@jesuits.net>.  Betaling gelijktijdig met de bestelling op het rekeningnummer van Cardoner in Brussel, zoals hiernaast vermeld.

 

Print Friendly, PDF & Email