Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Ignatiaanse spiritualiteit / Het brandende braambos van Egied Van Broeckhoven

Het brandende braambos van Egied Van Broeckhoven

Redactie Cardoner on 12/11/2017 - 3:04 pm in Ignatiaanse spiritualiteit, Jezuïeten - Zending Vandaag

door Hugo Carmeliet S.J.

28 december 2017, vijftig jaar geleden, kwam deze jezuïet, priester-arbeider, om tijdens een ongeval op het werk. Hugo Carmeliet S.J. heeft veel gedaan om de herinnering aan Van Broeckhoven levend te houden. Zo was hij verantwoordelijk voor de uitgave van Trek je sandalen uit – Uit het Dagboek van Egied Van Broeckhoven. Hier volgt een toespraak gewijd aan Van Broeckhoven die hij hield in 2007 op de provinciedag van de Vlaamse jezuïeten. De toespraak heeft relatief veel citaten en weinig commentaar, want “de teksten spreken voor zich”. Onlangs werd bekend dat in 2021 in Brussel een jezuïetencollege met een breed scala aan schooltypes zal worden geopend met de naam Egied van Broeckhoven – in de buurt waar Egied Van Broeckhoven woonde en werkte. 

Ik wou graag beginnen met het lezen van een passage uit het derde hoofdstuk van het boek Exodus:

Mozes was gewoon de schapen en geiten van zijn schoonvader Jetro te weiden. Eens dreef hij de kudde tot voorbij het steppeland, en zo kwam hij bij de Horeb, de berg van God. Daar verscheen de engel van de Heer aan hem in een vuur dat uit een doornstruik opvlamde. Mozes zag dat de struik in brand stond en toch niet door het vuur werd verteerd. “Hoe kan het dat die struik niet verbrandt?”, dacht hij. “Ik ga dat wonderlijke verschijnsel eens van dichtbij bekijken.” Maar toen de Heer zag dat Mozes dat ging doen, riep hij hem vanuit de struik: “Mozes! Mozes!” “Ik luister”, antwoordde Mozes. “Kom niet dichterbij”, waarschuwde de Heer, “en trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat is heilig. Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.” Mozes bedekte zijn gezicht, want hij durfde niet naar God te kijken. De Heer zei: “Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is, Ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord, Ik weet hoe ze lijden. Ik daal af om hen te bevrijden.”

Hiermee zitten we in het hart van de geschriften van Egied Van Broeckhoven, priester-arbeider en jezuïet die op 28 december 1967 om het leven kwam door een arbeidsongeval. Hij liet een dagboek na. Zij die zijn geestelijke nalatenschap in handen kregen, vroegen zich af wat er met die 26 schriften, 1640 bladzijden om precies te zijn, wat er met die warrelige massa van vaak moeilijk te ontcijferen notities, moest gebeuren. In 1970 werden ze door Georges Neefs gedeeltelijk gepubliceerd onder de titel Dagboek van de vriendschap. In zijn verantwoording drukt hij de wens uit dat “velen in het dagboek van Egied de spiritualiteit zullen ontdekken waarnaar ze verlangend uitzien.”

Vandaag, vijftig jaar later, blijkt deze wens overvloedig vervuld. Het dagboek werd vertaald in acht talen (Frans, Duits, Italiaans, Spaans, Portugees, Engels, Zweeds en Indonesisch). Nog altijd gaat van dit boekje een inspirerende werking uit en worden teksten hernomen in allerlei publicaties. Van de hand van Georges Neefs verscheen nog Vriendschap in God en een meer volledige uitgave in de prestigieuze reeks Christus (n° 43) met als titel Journal d’un jésuite en usine. Onlangs verscheen in Spanje een lijvig boek Dios, la amistad y los pobres. La mística de Egide van Broeckhoven, jesuita obrero. Veel bescheidener wil de brochure Trek je sandalen uit vooral een bloemlezing zijn.

Egied – met roepnaam Gied – werd geboren in Antwerpen in 1933. Zijn moeder stierf toen hij nog maar enkele dagen oud was. Wat betekent dit voor een kind? Een diep verborgen, nooit uitgesproken leed, dat wellicht aan de oorsprong lag van zijn soms weemoedige blik en zeker van spontaan aanvoelen van menselijk leed. Egied is altijd heel dankbaar geweest voor de liefde van zijn pleegouders – Nonkel en Tamie (tante Miet) zoals hij hen noemde –, bijzonder voor de bescheidenheid van hun liefde die zich nooit tussen hem en zijn moeder plaatste. In 1950 trad hij in de jezuïetenorde op zestienjarige leeftijd. In 1959 behaalde hij aan de KU Leuven een licentie in de klassieke filologie.

Egied was iemand die opviel door zijn jovialiteit, de ongedwongenheid van zijn goed humeur en zijn non-conformisme. Zonder enige verheffing was hij zich ook bewust van zijn charisma als mysticus. Maar dan wel die mysticus die zelf zijn gesprekspartner uitnodigde om met hem een glas te gaan drinken.

“Ik ervoer God. Dat is een realiteit die ik niet kan wegcijferen, wegdenken, verpsychologiseren, als ik serieus wil zijn”, zo schrijft hij op 7 april 1966.

Toch blijft hij ook kritisch tegenover zichzelf. Reeds vijf jaar eerder lezen we:

“Mijn geestelijke ervaringen komen van God, dit kan niet anders zijn; want God kan me toch niet zo lang (meer dan vijf jaar) in de illusie laten leven.” (16 augustus 1961)

Het dagboek vertelt ons het verhaal van zijn dagelijkse leven als een eenheid van drie dingen die bij zoveel mensen slechts zeer los samenhangen: (1) de godservaring, de ervaring van (2) de vriendschap en (3) het apostolaat in de wereld. Drie figuren en hun geschriften hebben Egied heel sterk beïnvloed, het zijn Ruusbroec, Hadewych en Teilhard de Chardin.

Er bestaat een vrij uitvoerige correspondentie tussen enerzijds Georges Neefs en anderzijds Marcel Legaut, de Lubac en vooral Hans Urs von Balthasar. Deze schrijft hoe hij getroffen werd door de authenticiteit van Egieds geschriften midden de troebele wateren van wat hij noemt “de huidige theologische en spirituele journalistiek”. Met een subtiele hint vraagt hij naar nog meer originele teksten, meer dan naar lange inleidingen en commentaren want “de teksten spreken voor zich”. Laat ik proberen die gulden raad op te volgen.

April 1958 – Egied is 24 jaar oud en volgt het derde jaar filosofie.

  • De godservaring

Het dagboek vangt aan met een vers uit psalm 27: Mijn hart zegt u na: “Zoek mijn aanschijn.” Uw aanschijn, Heer wil ik zoeken.

Tientallen keren wordt het herhaald. Dit heimwee ligt aan de basis van zijn opwindende, ononderbroken zoektocht naar God.

“Ik had een zeer diep en zuiver en echt heimwee naar God.” (22 september 1961)                “God, als ik tegen u niet mijn vriend kan zeggen, heb ik niets, niets, niets.” (12 juli 1958)

“Heer, ik wil door niets anders een persoonlijkheid worden dan door U gezocht te hebben.” (7 november 1959)

“De donkerste nacht is voor mij beter te aanvaarden dan de schoonste dag die Gij niet zijt.” (1961)

God trok me naar zich in mijn gebed op een onvergetelijke wijze. Ik verloor me in God, zoals ik het vroeger nog deed, als de mysterieuze aantrekkelijke God aan wie men alles kan opofferen. Het was het gebed van de avonden in het bos van Schilde, van mijn intiemste verlangens op het college. (17 maart 1962)

Met dit “vroeger” verwijst Egied naar zijn jeugdjaren in Schilde. Daarover getuigt hij: “Ik heb in de natuur leren bidden, zakelijk en met veel vrucht.” Het roept spontaan een tekst van Bernardus op: “Je verneemt meer in de bossen dan in de boeken. De bomen en de rotsen zullen je dingen leren die je elders nooit zou vernemen.”

Jarenlang speelt Egied zelfs met de gedachte kartuizer te worden.

“God trok me naar zich in mijn gebed op een onvergetelijke wijze. Het deed me natuurlijk denken aan het kartuizersleven; ik ervoer dat ik daar zo gelukkig zou zijn door daarin alles te vinden.” (17 maart 1962)

 

  • De vriendschap

 “Mijn roeping is: aan de mensen de mystieke diepte van de vriendschap te leren.” (7 maart 1966)

Egied waagt zich aan het avontuur en ook aan de nacht van de menselijke vriendschap. Die vriendschap die zich verdiept tot waar hij de andere ontmoet in zijn diepste kern, waar hij niet meer zichzelf toebehoort maar “van God is”.

Evenals een bloem, bijvoorbeeld een tulp, die men in het tegenlicht beziet, zodat de zon er doorheen schijnt, daardoor veel rijker en dieper schoon wordt, en evenals er velen – hoe is het mogelijk! – dat nog nooit zagen, zo pas aanschouwt men de mens in zijn eigenlijke diepste rijkdom, wanneer men het licht ziet dat zijn diepste intimiteit en ook de rest doorgloeit, God, zo ook – hoe is het mogelijk – zagen velen dat nooit. (2 mei 1959)

Mijn vriend is als een stad op een verre berg waarheen ik op pelgrimstocht ben. In het hart van die stad is een tempel gebouwd, door God bewoond, de Drie-ene. Sinds God me dat openbaarde, neem ik elke vriend die niet in die stad woont mee op die pelgrimstocht als op een ‘heimkeer’. Ik tracht hem met hetzelfde heimwee te vervullen, ik breng hem in het hart van die stad en bemin hem naar Gods Drie-ene Liefde toe. (10 november 1961)

“Heer, dank om het inzicht dat elke mens die ik terloops ontmoet door U tot een hemelse vriendschap met mij geroepen is.” (1 augustus 1962)

  • Het apostolaat

 “Het apostolaat is niets anders dan de diepste vriendschap, zij is de voorbode van de hemelse liefde waar we voor elkaar een dageraad zullen zijn van Gods intiemste Liefde. Dit is de enige bestaansreden van het apostolaat.” (23 januari 1960)

“Als het niet waar is dat de diepste liefde tot een mens gevonden wordt in de diepste liefde tot God, dan is heel mijn leven een onhoudbare contradictie. Gelukkig, zo kan ik nooit ver van God leven.” (15 juni 1958)

“Ik verlang één ding, dat is Uw liefde, en die liefde bij de mensen brengen. Al de rest is voor mij flauwe kul.” (5 juli 1958)

“Met de wereld op de afgrond gaan staan en hem helpen springen in de afgrond van God, dat is mijn roeping.” (2 november 1964)

Zo wordt het 1961 – het begin van de theologiejaren.

Uit het dagboek blijkt dat Egied zich nooit helemaal heeft thuis gevoeld in de “theologische” denkwereld van zijn professoren. Hiervan getuigen de volgende twee citaten:

“Theologie doen buiten de Godservaring is als het kijken naar een schilderij in het donker.” (juli 1965)

“Ik moet me zo ernstig op de theologie toeleggen dat ik er mij van kan los maken.” (7 april 1962)

Nog steeds blijft hij worstelen met de vraag of hij geen kartuizer moet worden. Pas tegen het einde van het eerste jaar theologie komt er meer klaarheid.

“Ik geloof dat Inigo nu meer dan ooit achter mij aanzit en me wil hebben.” (1962)

Het is onder meer zijn geestelijke leider, Georges Neefs, die hem de sleutel zal aanreiken die zijn zoeken tot rust brengt: Ignatius was een kartuizer in de wereld, de jezuïet is een kartuizer in de ziel. (27 juli 1962)

Toch blijft Egied er voortdurend naar verwijzen:

“Ik zag hoe God me in de nacht liet beleven op de zuiverste wijze wat me in het kartuizerleven aantrok.” (22 juni 1962)

Van nu af zal Egied radicaal al de consequenties trekken uit zijn verzaking aan het louter contemplatief ideaal.

Heer, als ik persoonlijk, zonder de hiernavolgende beschouwing, te kiezen had, dan zou ik met hart en ziel getrokken worden naar de vorm van religieus leven die me het best Uw aantrekkelijkheid in zijn zuiverste volheid laat beleven. Als ik die voorkeur opgeef, is het een levensoffer. Het enige wat wij ervan kan afbrengen, is het verlangen de mensen die diepste ervaring die ik in het kartuizersleven volkomen zou vinden, mee te delen; om zo velen in die zuivere ruimte te brengen, waar ze voor Uw aanschijn staan, door U aangetrokken, en van waaruit ze mekaar ten volle kunnen beminnen. Ik denk niet dat ik een apostel kan zijn die ook nog bidt, maar enkel een gebedsman en contemplatieve die van daaruit groeit tot het diepste apostolaat. (9 april 1962)

Voor het eerst wordt dit ook concreet: pater Bellens en het wijkwerk oefenen een grote aantrekkingskracht op hem uit. Van zijn weekends en verlofdagen maakt hij dankbaar gebruik in Antwerpen te verblijven. Alhoewel met mate want

“De professoren houden er niet van dat we te lang afwezig zijn. Dat maakt hen achterdochtig.” (31 december 1964)

In zijn dagboek lezen we:

“Mijn ideaal voor later: wijkapostolaat.” (11 april 1962)

Hij denkt heel in het bijzonder aan een combinatie van wijkwerk en priester-arbeider als een verlenging daarvan. Hij schrijft dan ook ter voorbereiding van het jaarlijks gesprek met pater provinciaal:

“Verder zou ik graag met u spreken over de mogelijkheid van apostolaat onder de ontkerstenden in de grootstad; ook in verband met mijn eigen bestemming.”

“Zou ik in het grote verlof mijn retraite mogen doen in de abdij van Orval en daarna ongeveer 6 weken op een fabriek gaan werken om de noden en de gewone mens beter te leren kennen?” (1962)

Egied zal zes weken – van 1 augustus tot 7 september 1963 – werken in Teinturia, een fabriek in Aalst. Na twee weken stelt een medebroeder hem de vraag: “Weet ge nu nog niet voldoende over de structuur en werking van de fabriek?” Zijn antwoord:

“Het doel is niet iets objectiefs te kennen, wel in te treden in het leven van die mensen; contemplatief ontvankelijk ze daar ontmoeten, met perspectief dat ze zo God in mij kunnen vinden.” (10 oktober 1964)

In november 1964 schrijft Pater Bellens een brief aan pater provinciaal in verband met wijkwerk en priester-arbeiders. Egied zou daarvoor de geschikte kandidaat zijn. Antwoord van pater provinciaal: “Specialisten” zullen het voorstel bestuderen.

Op kerstmis 1964 schrijft Egied vanuit het café zonder bier, Onze Dokken, het buurthuis van het wijkwerk in Antwerpen, een brief aan een van zijn theologieprofessoren:

Ik schrijf u vanuit ons café: rondom mij zitten dokwerkers koffie te drinken en hun boterhammen te eten. Er wordt gebiljart, er is radiomuziek (geen klassieke muziek: “Doar werre we zot van, poater.”), verder zijn er nog een vijftiental jonge kerels die er nog wat lawaai bij maken. En toch ervaart een mens hier misschien beter dan waar ook de vrede van Kerstmis omdat ge hier helemaal voor en onder de mensen leeft zoals God voor en onder ons heeft geleefd. Als u terugkomt uit Engeland, zal ik – hopelijk – in Brussel in een ontkerstende wijk leven en op een fabriek werken. Pater Provinciaal zou me wel graag op een college hebben maar ik zie liever de concrete wereld van nu in de ogen waar hij het meest van God vervreemd is.

Terloops noteert Egied ook een gedachte van een medebroeder: “Het wijkwerk zal wel nooit geapprecieerd worden.” Zelf zal hij later schrijven: “We moeten niet alleen geduld maar gedragen worden. Nu zijn we er alleen ondanks, niet dank zij de Sociëteit.” (1 mei 1967)

Het verblijf in Antwerpen resulteert in een uitvoerig artikel in De Pelgrim, het blad van de theologiestudenten met als titel: De persoonlijke verhouding als element in het contact met de andersdenkenden. De drie hoofdstukken zijn een synthese van Egieds gedachten: Deus intimior intimo meo (God is mijn intimiteit dieper dan mijn intimiteit), Deus intimior intimo tuo (God is de intimiteit van de andere persoon dieper dan zijn intimiteit) en Apostolaat is vriendschap. Dit artikel moest de aanzet worden van het boek over de vriendschap dat hij ooit wou schrijven.

Op 8 augustus 1964 wordt Egied tot priester gewijd. Op zijn gedachtenisprentje staat: “God is liefde.”

Een “sociaal experiment” in Anderlecht krijgt groen licht.

Hij vestigt zich, samen met twee medebroeders, in een arme volksbuurt – tevens migrantenbuurt – in Anderlecht (Brussel), in de omgeving van het Zuidstation. 1965! In maatschappij en kerk leek toen alles mogelijk. In de kerk leefde de dynamiek van het concilie. De economie bloeide en er was werk te over voor iedereen. Er waren zelfs werkkrachten te kort. Naast Italianen, Spanjaarden, Grieken en andere nationaliteiten waren het vooral Marokkanen die toen de sprong naar België waagden en zich hier in deze vroegere jodenbuurt vestigden. Egied wilde hun leven, wonen en werken delen.

Laat me vertrekken van een uitdrukking die ons allen nauw aan het hart ligt: “vivre leur vie”. Toch is die uitdrukking niet precies en kan ze aanleiding geven tot misverstand bij buitenstaanders. De uitdrukking van Hadewych is veel vollediger en rijker: “levet Gode, hi u ende ghi ons.” Dan wordt apostolaat de grootst mogelijke levenseenheid zoeken met God en met de mensen, zodat we worden een “dorevaert Gods”. Daarom moeten we verder en verder de Zee ingaan, tot we niet meer op onze eigen voeten steunen, maar door de Zee gedragen worden en door haar Leven bewogen, en aangezogen worden door Gods diepste Wezen en gedreven worden Vaderlijk, Zoonlijk en Geestelijk.

We moeten de mensen zo totaal beminnen dat we hun leven, wonen, werken en  strijden delen: d.w.z. ze beminnen met een liefde die tot in de laatste consequenties concreet wordt. (3 december 1965)

“We moeten niet op de eerste plaats Gods heilsgeschiedenis verkondigen, maar eerst en vooral zelf een stukje heilsgeschiedenis worden. De Kerk moet in ons worden: de tastbaarheid van Gods Liefde voor deze concrete wereld van nu.” (14 mei 1967)

Het werden echte wittebroodsjaren. Door de brievenbus van de woonruimte die vroeger winkel was geweest, keken kinderen met grote verbaasde ogen naar binnen. Het was de tijd van de jeugdclub in de kelder, van echte vriendschappen in de buurt en op het werk. Er was de ontdekking van het arbeidsmidden en het enthousiasme van al wat nieuw is.

Bezoek achterhuis bij Youssef en familie: het is grandioos zo bij de armsten thuis te mogen zijn: we dronken thee, allemaal op de grond zittend. Vreugdevolle ontmoeting met de kleine Ismaël die in mijn armen liep. God, dank voor deze gewone dag; hij is me dierbaarder dan welke grote gebeurtenis ook, omdat ik dán weet dat Gij altijd bij mij zijt, dat het gewone leven zin heeft, dat er niets is buiten U. Dank voor deze gewone mensen. (einde maart 1966)

“God leeft in de vriendschap die we geven, maar vooral krijgen van al die mensen waartussen we leven.” (14 mei 1967)

“Toen Christus zei: ‘Zalig de armen’, was dat geen ‘vooronderstelling’ maar een ‘vaststelling’.” (einde maart 1967)

Het leven is schoon (mooi) hier: heel reëel schoon (mooi), volledig communiceren met deze wereld, deze concrete wereld van nu en dat is Gods schepping nu: Brussel, de concrete mensen, in die smerige gieterij, onze vrienden ook, dat alles is de realiteit en die realiteit is heilig, want het is de enige plaats waar God ons kan raken en dus raakt. Zelfs als ik kon kiezen tussen het brandende braambos en Brussel, ik zou Brussel kiezen. (13 maart 1966)

En nog kernachtiger:

“Brussel, het brandende braambos van Gods Tegenwoordigheid.” (10 augustus 1967)

Op het Pinksterweekend (14 mei 1967) van de “Zoekende Kerk” te Drongen legt Egied getuigenis af waarom hij is gaan werken:

“Als we lezen in het Evangelie: ‘Het Rijk Gods is onder u, want aan de armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd’, is de cruciale vraag die wij ons als Kerk moeten stellen: als het Evangelie niet meer aan de armen wordt verkondigd, is dan het Rijk Gods nog wel onder ons?”

En hij besluit:

“Vermits die concrete, totale vriendschap volgens mij, voor mij, de enige echte, soms moeizame maar zeer troostvolle weg is waarlangs het Rijk Gods groeit in deze wereld van nu: kan en mag ik niet meer terugkomen op mijn keuze van priester-arbeider.”

Harde realiteit

 Maar die realiteit is ook hard. In zijn dagboek wisselen gevoelens van dankbaarheid af met de zwaarte van het arbeidersleven en de fabriek.

Eerste middag: gieten van ijzer: “Prachtig!” Rode schijn op plafond: 800 à 1000 graden: vloeibaar als water; ik nam een stuk van het ijzer dat er over gelopen was, dacht aan Teilhard; vriend van Albert kwam me vragen: “Getrouwd?” “Nee”, “We zullen een schoon mokke voor u zoeken.” Ik vraag hem of het werk van ijzer gieten zwaar is. “Dit hier is het zwaarste.” Ik zat aan de grootste van de vier machines. Goede douches. Eerste dag meer zand dan margarine gegeten. (12 december 1965)

“De mens wordt puur als een machine gezien in dienst van de productie. Maandag: 60 à 70 stuks, dinsdag 80, woensdag 85, donderdag 105, en nog speelt de brigadier op dat het niet genoeg is.” (20 januari 1966)

“Oscar gaf me een aantal stuks. Ik was ontroerd, kapotgewerkt.” (3 maart 1967)

“Sinds ik ’s morgens twee schellen spek eet werk ik veel beter.” (21 april 1966)

“Ongeveer 8 uur: ongeluk. Stroom weg, ik wilde met de hand zetten, bleef automatisch gaan: duim ertussen, geplet 5 seconden.” (25 januari 1966).

“Er werden verwarmers geplaatst voor de machines (niet voor ons!). Een werkmaat zegt: ‘Het is slavernij zoals in de middeleeuwen; alleen worden we niet geslagen en mogen we ’s avonds naar huis.’”

“20 man ontslagen, ik ook. Ik was blij dat ik geen uitzondering maakte.” (25 mei 1967)

Egied vond opnieuw werk in een grote metaalfabriek. Maar ook hier gaat het er niet veiliger aan toe. In het dagboek verschijnt iets als een vaag voorgevoel van wat komen gaat.

“Als ik hier nog lang blijf, kan het vroeg of laat mijn leven kosten, maar ik zou niet graag anders worden behandeld dan mijn kameraden.”

Toch zal hij op aanraden van de equipe van de priester-arbeiders en van Pater Bellens zich aanbieden op een andere fabriek. Maar hij wordt er niet aangeworven.

Twee zware bijna dodelijke ongevallen: kabel brak, een stalen plaat van plus minus 5 ton schoot weg uit grijper (bijna middendoor). Minstens om de veertien dagen een accident! (Er is een eindejaarspremie voor wie geen accident had!!!). Laatste drie ongevallen: 1 dec. Italiaan brak zijn voet (lange staaf viel er op); 4 december: Marokkaan kreeg spoel op been; 11 december: Gentenaar kreeg kabel van laadbrug tegen het hoofd. (11 december 1967)

De nacht

Brussel, het brandende braambos van Gods Tegenwoordigheid, schreef Egied in zijn dagboek op 10 augustus 1967. Maar ook wat Eloï Leclerc schrijft is hem niet vreemd gebleven: De plaats van verlatenheid en afwezigheid is het brandende braambos geworden. Ook Egied is door donkere perioden heengegaan. De nacht van de vriendschap, de nacht van de godservaring en de nacht van het apostolaat, zoals hij het benoemd, waren hem meer dan vertrouwd. Ook de laatste maanden van zijn leven.

Vijf jaar vroeger schreef hij nog:

“Ik ben de stad op de berg zo dicht genaderd dat de weg eenvoudig wordt en de wind stil, en de stormen onder mij liggen.” (24 september 1962)

Nu lezen we:

“Ik voelde me totaal alleen, verlaten in een vreemde wereld: mijn engagement in die Godverlaten wereld: contemplatief zijn, God tegenwoordig brengen. Diepe pijnlijke ervaring van nacht (op Godsontmoeting?).” (8 oktober 1967)

Waar hij een jaar vroeger schrijft: “Ik ervoer God. Dat is een realiteit die ik niet kan wegcijferen, wegdenken, verpsychologiseren, als ik serieus wil zijn”, staat hier:

“God kan ervaren worden, laat zich ervaren: dat GELOOF ik, dat HOOP ik. Dat is de grond van mijn leven, het brandpunt.” (19 oktober 1967)

Een verslag van een recollectie gehouden op 20 november 1967, enkele weken voor zijn dood, geeft ons nog het best een beeld van wat er in hem omging. Hij zegt daar:

Het laatste half jaar heb ik heel mijn geloof moeten in vraag stellen. Echt bij de grond gezogen. En dan stel ik me de vraag: ”Is ons Heer niet verkeerd geweest? Heeft hij het niet verkeerd georganiseerd?” En dan heb ik ontdekt: Ten eerste: ervaring van vriendschap. Als dat er niet meer is, dan verzuipt ge. Ten tweede: er zijn in mijn leven momenten geweest van Godservaring. En die twee: vriendschap en Godservaring vullen elkaar aan. En als ik alles in vraag stel dan is dit het punt: dat ik in alle geval iedere dag opnieuw aan ’t werk ga. Dat is mijn fundament.

Maar het is geen nacht zonder een spoor van licht. Niet de “zekerheid van” maar het “verlangen naar” wordt in deze laatste maanden het leidmotief van het dagboek.

“Bijna grote ontroering bij herontdekken, aanvoelen van diep verlangen naar God (alles achterlaten), naar oneindige openheid voor armen en allen die ik ontmoet: al de rest verzwond en werd nietig klein. God, trek me naar het volle Leven.”

En hij citeert Teilhard de Chardin:

“Dans chaque existence, si elle est fidèle, des désirs plus grands succèdent aux désirs moindres; le renoncement prime peu à peu sur les jouissances; la mort consomme la vie.” (19 december 1967)

”Herontdekken van verlangen om de mensen in de diepte te bereiken.”

Het zijn de laatste woorden die hij neerschrijft op de vooravond van zijn dood.

In het schriftje dat in zijn werkkastje lag op zijn bedrijf staat deze ene zin: “God is liefde, verlangen God te zien” (Ex 33,9-11): Zodra Mozes in de tent was daalde de wolkkolom neer, en deze bleef bij de ingang staan. Dan sprak de Heer met Mozes. Wanneer het volk de wolkolom bij de ingang van de tent zag staan, boog ieder zich voor de ingang van zijn tent neer. De Heer sprak persoonlijk met Mozes, zoals een mens met een ander mens spreekt.

Op de tafel van zijn zolderkamertje ligt nog een blad papier:

Plan voor 1968:

mensen in wijk verdubbelen

Geestelijke Nota’s afwerken + boek over de vriendschap

Marokkaans en Spaans leren

“Geloven is niet iets aanvaarden, maar wel zich voor iets, iemand, inzetten op leven en dood, dwz zo dat wanneer het geloof vals ware, mijn leven een mislukking zou zijn, maar wanneer het zinvol is, heel mijn leven wordt gered.

 Hoe is het gebeurd.

 Samen met Georges, zijn werkmaat van de laatste maanden, was Egied aangeduid om metalen platen van zes bij anderhalve meter, die door een laadbrug werden aangebracht, op te vangen en de klemmen van de kraan los te maken. De platen werden verticaal gestapeld tussen ijzeren paaltjes. De klem van een plaat bleef haperen en Egied ging achter de stapel staan om ze los te maken. Op dat ogenblik brak een van die steunpilaren, de andere begaven, het hele pak, met een gewicht van verschillende duizenden kilo’s viel omver. Door het gewicht van de vallende platen werd Egied met geweld achterover geslagen, tegen een rechtstaande plaat achter hem. Door de harde slag brak zijn nekwervel. Hij stierf meteen, de armen wijd over de platen geopend. Hij was juist 34 geworden. Egied stierf op 28 december, de dag waarop 34 jaar geleden ook zijn moeder stierf.

“Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht.” (Joh 12,24)

Print Friendly, PDF & Email