Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Andere Bronnen van Inspiratie / Thomas a Kempis. Voorloper van Ignatius.

Thomas a Kempis. Voorloper van Ignatius.

Redactie Cardoner on 04/07/2008 - 4:01 pm in Andere Bronnen van Inspiratie, Jezuïeten - Geschiedenis van de Orde

door Dirk Boone

 

Thomas a Kempis (Kempen 1379 – Agnietenberg bij Zwolle 1471) was kanunnik van het klooster Sint-Agnietenberg, dat tot het kapittel van Windesheim behoorde. Als onbetwiste grootmeester van de inleiding tot het innerlijke gebed is hij een eminent vertegenwoordiger van de Moderne Devotie. Zijn Navolging van Christus is, na de Bijbel, het meest vertaalde, meest verspreide en misschien ook wel meest gelezen geschrift in de christelijke wereld.

 “Werkelijk, het is een ellende om op de aarde te leven” (I, 22, 11). – “Ach, wat een leven is dit, waar de beproevingen en ellenden nooit ontbreken, waar alles vol zit met strikken en vijanden!” (IV, 20, 12). – “Gij moet zozeer gestorven zijn aan dat soort genegenheden voor dierbare mensen, dat gij, voorzover het van u afhangt, zonder enig menselijk gezelschap zoudt wensen te leven” (IV, 42, 5). Wie vandaag in de Imitatio Christi of Navolging van Christus van Thomas a Kempis leest, staat verbaasd over de ontzaglijke invloed die dit werkje op het geestelijk leven van het christelijke Westen heeft uitgeoefend – en nog steeds uitoefent. Op het eerste gezicht heeft het helemaal niets aantrekkelijks. Voor de moderne mens ademt het een individualistische spiritualiteit, die de raad geeft zich in zichzelf terug te trekken, zich af te keren van deze “ellendige” en “verderfelijke” wereld, uitsluitend te verlangen naar een leven alleen met God, en die nauwelijks oog heeft voor de sociale dimensie van het christelijk bestaan. Thomas a Kempis schijnt een soort geestelijke cocooning voor te staan, waardoor men zich afsluit van de wereld en elke sociale verantwoordelijkheid ontloopt: “met een boeksken in een hoeksken”.

Des te verwonderlijker is het dat Ignatius van Loyola zo aan de Imitatio gehecht was. Hij leerde het boek – toen nog toegeschreven aan de kanselier van de Parijse universiteit Jean Gerson (†1429) – in Manresa kennen en het zou hem nooit meer loslaten. Het is het enige boek dat Ignatius bij name noemt wanneer hij geestelijke lectuur aanraadt gedurende de Tweede Week van de Geestelijke Oefeningen (nr. 100). “Hij wilde – zo zegt Gonçalves da Câmara – nooit meer een ander meditatieboek lezen. En hij beval het iedereen aan met wie hij omging.” Hoe komt het dat Ignatius precies dit boekje zo koesterde, terwijl de vernieuwing die hij in de christelijke spiritualiteit binnenbracht precies bestond in openheid op de wereld, beschikbaarheid voor de noden van de mensen, ongebondenheid aan het koorgebed en aan de gelofte van stabilitas, om overal te zijn waar men gezonden wordt, God “in alles vindend, liefhebbend en dienend”? Ongetwijfeld omdat hij er het fundament in vond waarop het apostolaat van zijn “gezelschap” gebouwd is: de persoonlijke, geestelijke vriendschap met Christus.

 Auteur en werk

Thomas a Kempis (1379/80-1471) trad in 1399 in het augustijner koorherenklooster Sint-Agnietenberg (bij Zwolle, Nederland), dat behoorde tot het kapittel van Windesheim. Daarmee kwam hij onder de invloed van de Moderne Devotie, de geestelijke beweging die de persoonlijke relatie met de levende Christus centraal stelde en zich afzette tegen een al te grote nadruk op de uiterlijke observantie van het koorgebed en de kloosterregel, zoals dat toentertijd in de traditionele kloosters en abdijen vaak het geval was. De Moderne Devotie kadert op haar beurt in een diepgaande ontwikkeling die het gebedsleven vanaf de late middeleeuwen – met Bernardus van Clairvaux en Willem van Saint-Thierry – heeft doorgemaakt en die we kunnen karakteriseren als een verinnerlijking en verpersoonlijking van het gebed: de relatie met God wordt een innerlijk beleefde en persoonlijke werkelijkheid, en meer en meer wordt de persoonlijke omgang met God (conversari cum Deo) en de vertrouwelijke vriendschap met Christus (familiaritas cum Deo) als de normale vorm beschouwd waarin het gebed tot volle bloei komt. De Windesheimers wilden als het ware het kloosterleven “verinnerlijken” en verzetten zich tegen het overdreven belang dat werd gehecht aan de uiterlijke observantie, met langdurige officies, nachtwaken, strenge vasten, die alle energie opslorpten, en waarvan de correcte uitvoering vanzelf tot volmaaktheid en heiligheid zou leiden.

De Navolging van Christus wordt als een van de meesterwerken van de Moderne Devotie beschouwd. Het boek is een verzameling van vier in het Latijn opgestelde traktaten die oorspronkelijk deel uitmaakten van een door Thomas zelf samengestelde codex van dertien werken. Hij gaf ze volgende titels mee: 1. Nuttige wenken voor het geestelijk leven; 2. Wenken die naar het inwendig leven voeren; 3. Godvruchtige aansporing tot de heilige communie ; 4. Over innerlijke vertroosting. De boeken 1, 2 en 4 werden al gauw als een geheel beschouwd, omdat ze telkens een verdieping van het gebedsleven veronderstellen: van een leidraad voor “beginners”, over raadgevingen voor de “meer gevorderden”, die van het plichtsgetrouw uitwendig gebed overgegaan zijn naar een overwegend, inwendig en affectief gebed, dat uitmondt in een persoonlijke, intieme omgang met God. Elk boek bestaat uit reeksen van korte gedachten, raadgevingen, verzuchtingen, vermaningen, gebeden, colloquia (gesprekken) e.d. die Thomas schreef voor de jonge monniken van wie hij in 1424 novicemeester geworden was. Hij kon daarvoor putten uit zijn in de jaren daarvoor aangelegde rapiaria: de verzameling van gevleugelde woorden, citaten, overwegingen die hij uit zijn lectuur bijeengegaard had met de bedoeling het geestelijk leven te voeden. Thomas verwerkte veel citaten in zijn Navolging, die hij in zekere zin ook de vorm van een rapiarium gaf: de verschillende hoofdstukken bestaan uit reeksen van thematisch geordende “verzen”, die elk op zich overwogen kunnen worden. Hij heeft lang aan de stijl van zijn teksten geschaafd, met de bedoeling dat de lezer de zinnen waar hij smaak in vindt gemakkelijker zou kunnen onthouden, oproepen en “rumineren” (letterlijk: “herkauwen”).

Ook al heeft het boek eeuwenlang een groot succes gekend in brede lagen van de christelijke “vromen”, we mogen toch niet vergeten dat Thomas de Imitatio in de eerste plaats geschreven heeft voor monniken – koorheren – van een contemplatieve orde, geroepen dus tot een leven in gebed, stilte, eenzaamheid en broederlijke dienst. Dit kan ons al helpen om de juiste draagwijdte van bepaalde uitspraken te verstaan (zie verder). De rode draad die door de Navolging loopt is een groot verlangen naar rust, innerlijke vrede, vrijheid en vertroosting, en Thomas wil zijn jonge medebroeders leren dat deze alleen bij Christus gevonden worden. De rust en de troost die “de wereld” te bieden heeft, zijn “ijdel” en vergankelijk en kunnen de mens niet vervullen. Wie ze daar zoekt, kan niet anders dan ontgoocheld worden. De mens doet er dan ook goed aan zich ervan af te keren en op zoek te gaan naar wat hem ten diepste vervult: “Leg u er daarom op toe uw hart af te trekken van de liefde voor de zichtbare dingen en u te wenden naar het onzichtbare” (I, 1, 20). In die zin kan de Navolging beschouwd worden als een “oefening” om zijn leven en verlangens te “ordenen” en te richten op Degene die eeuwige vreugde geeft. Maar men doet het werk tekort als men het als een louter handboek van praktische moraal of ascese beschouwt. Waar het uiteindelijk om gaat is de ontmoeting met Christus, de intieme relatie en vereniging met Hem, waarin alles gevonden wordt. Dit willen we nu in een kleine bloemlezing illustreren.

 Verlichting

De eerste verzen van het eerste boek geven het al aan. De nadruk ligt – reeds bij de beginners! – op de innerlijke verlichting, die het gevolg is van een persoonlijke omgang met Christus:

 “‘Wie mij volgt, wandelt niet in de duisternis’ (Joh 8,12), zegt de Heer. Dit zijn de woorden van Christus, en wij worden erdoor aangemaand zijn leven en gedragingen na te volgen, wanneer wij waarlijk verlicht willen worden en bevrijd van alle blindheid van hart (vgl. Ef 4,18). Ons voornaamste streven moet dus zijn: ons in het leven van Jezus Christus te verdiepen.” (I, 1, 1-3)

 Die innerlijke verlichting of kennis kan ons alleen door Jezus zelf geleerd worden, niet door geestelijke leermeesters of theologen:

 “De lering van Christus gaat alles te boven wat ooit de heiligen geleerd hebben, en als iemand er de geest maar van had, zou hij daar het verborgen manna (zie Apk 2,17) vinden.” (I, 1, 4)

 “Gelukkig hij die door de Waarheid rechtstreeks onderricht wordt, niet door tussenkomst van voorbijgaande beelden en klanken, maar door de Waarheid zoals zij is. Onze mening en onze waarneming misleiden ons vaak en wij zien maar zo weinig. Wat baat ons een spitsvondig betoog over verborgen en duistere dingen, waarvan ons bij het oordeel niet ten laste gelegd zal worden dat wij ze niet hebben geweten?” (I, 3, 1-3)

 Thomas legt meermaals de nadruk op deze innerlijke onderrichting en zet zich af, niet tegen de rede als dusdanig, maar tegen een theologie die in die tijd verworden was tot een steriele wetenschap. De ware kennis en het ware inzicht die van God komen, overstijgen elke menselijke wetenschap:

 “Beu word ik vaak van het vele lezen en horen; in U, God, is alles wat ik wil en begeer. Laat alle leraren zwijgen, laat alle schepselen stil zijn voor uw aangezicht: spreek Gij tot mij, Gij alleen. (…) want van boven ontvangt hij het licht van het inzicht.” (I, 3, 11.13)

 “Wanneer gij u meer op uw eigen redelijk verstand of uw eigen werkzaamheid verlaat dan op de kracht van de onderwerping in Jezus Christus, dan zult gij maar zelden en na lange tijd een verlicht mens worden, want God wil dat wij ons aan Hem volledig onderwerpen en dat wij door het vuur van de liefde alle redelijk verstaan overstijgen.” (I, 14, 11)

 “Groot is het verschil tussen de wijsheid van een verlicht, innerlijk levend man en de wetenschap van een geleerde, ijverig studerende clericus. Veel edeler is die lering die van boven door goddelijke invloeiing neerstroomt dan die met ingespannen arbeid door het menselijk vernuft wordt verworven.” (IV, 31, 14)

 In het Boek van de innerlijke vertroosting (het vierde), dat in de vorm van een samenspraak – een colloquium –  is opgesteld, klinkt het verlangen naar mystieke ontmoeting:

 “Laat niet Mozes tot mij spreken of een van de profeten; spreek Gij liever, Heer God, die alle profeten hebt geïnspireerd en verlicht (…). Zij kunnen de woorden wel laten klinken, maar de geest delen zij niet mee. Zij spreken mooi, maar als Gij blijft zwijgen, ontvlammen zij het hart niet (zie Lc 29,19). (…) Zij werken enkel van buiten, maar Gij onderricht en verlicht de harten.” (IV, 2, 7.9-10.15)

 De uiterlijke dingen kunnen de mens niet verlichten:

 “Bij sommigen ligt de godsvrucht alleen in boeken, bij anderen in afbeeldingen, bij weer anderen in uiterlijke tekenen en symbolen. Sommigen voeren Mij wel in de mond, maar in hun hart is er niet veel.” (IV, 4, 21)

 In dezelfde lijn zet Thomas zich af tegen een uiterlijke observantie die het innerlijk leven verstikt:

 “Wanneer wij de voortgang in ons kloosterleven enkel maar zien in het nakomen van uiterlijke plichten, zal het met ons inwendig leven spoedig gedaan zijn.” (I, 11, 13)

 Dat wil niet zeggen dat uiterlijke verplichtingen niet nagekomen moeten worden, maar ze kunnen gerelativeerd worden wanneer de naastenliefde of de innerlijke devotie in het geding zijn:

 “Wanneer een gebruikelijke oefening eens achterwege wordt gelaten met een vrome bedoeling of om een broeder van nut te zijn, dan kan het verzuimde later gemakkelijk worden ingehaald.” (I, 19, 10)

 Vertrouwelijke omgang met Jezus

Het tweede boek van de Navolging maakt de overgang naar het inwendig, affectief gebed, waarin de vertrouwelijke omgang met Jezus gezocht wordt. De innerlijke mens wil Jezus “in alle dingen” vinden.

 “Als gij in alles Jezus zoekt, zult gij Jezus zeker vinden. Als gij echter uzelf zoekt, zult gij ook uzelf vinden, maar tot uw ondergang.” (II, 7, 14-15)

 De relatie met Jezus is getekend door intimiteit, gelijkwaardigheid en wederkerigheid – een vriendschapsrelatie die de mens troost geeft, innerlijk vrij maakt en het hele leven doordringt. Het achtste hoofdstuk, getiteld De vertrouwelijke vriendschap met Jezus, is een van de mooiste van het hele boek:

 “Als Jezus bij u is, dan is alles goed en lijkt geen enkel ding moeilijk. Maar als Jezus er niet is, valt alles hard. Als Jezus van binnen niet spreekt, is iedere troost waardeloos. Maar als Jezus ook maar één woord spreekt, voelen wij een diepe vertroosting. (…) Het is een grote kunst met Jezus te kunnen omgaan; en Jezus weten te behouden is een grote wijsheid. (…) Zonder een vriend kunt gij niet goed leven, en als Jezus niet bovenal uw vriend is, zult gij er diep droevig en verlaten aan toe zijn. (…) Van allen die u dierbaar zijn moet Jezus dus alleen uw Geliefde bij uitstek wezen. Uw liefde moet allen gelden omwille van Jezus, maar Jezus omwille van Hemzelf. (…) Omwille van Hem en in Hem moeten zowel vrienden als vijanden u lief zijn, en voor hen allen moet uw gebed tot Hem gaan, opdat zij allen Hem mogen kennen en liefhebben.” (II, 8, 1-4.16.21.24-25.27)

 

Troost en troosteloosheid

In het kader van de vriendschap met Jezus heeft Thomas het vaak over troost en de afwezigheid ervan. Troost ervaren is een groot goed, een gave Gods, en de mens moet deze gave dankbaar aanvaarden. Maar men loopt steeds het gevaar dat men eraan blijft vasthangen, dat men zich de vertroosting toe-eigent, haar aan de eigen verdienste toeschrijft, zich ermee opblaast en verwaand wordt:

 “Wanneer dus door God een geestelijke vertroosting wordt geschonken, moet gij die met dankbaarheid aanvaarden; gij dient te beseffen dat het een gave van God is, geen verdienste van u. Gij moet er u niet op verheffen en er niet al te uitbundig verheugd om zijn, noch er ongegrond verwaand op raken, maar gij moet vanwege die gave veeleer nederiger zijn en ook voorzichtiger en behoedzamer in al uw daden, omdat dit uur voorbij zal gaan en dan de bekoring weer zal volgen.” (II, 9, 14-15)

De jonge monnik, tot wie Thomas zich in de eerste plaats richt, zal moeten leren niet te blijven hangen (“rusten”) bij de gave, wat hij maar al te graag doet:

 “Wij hebben graag wat troost en de mens maakt zich maar moeilijk los van zichzelf.” (II, 9, 7)

 Over welke troost gaat het hier?

 “Dat weldadige, zoete gevoel dat gij bijwijlen ervaart, wordt teweeggebracht door de aanwezigheid van de genade en is een voorsmaak van het hemels vaderland. Gij moet er u niet te zeer op verlaten, want het is iets dat komt en gaat.” (IV, 6, 10-11)

 “De mens is namelijk niet altijd meester over zijn eigen weg (zie Jr 10,23), maar het ligt bij God genade te geven en vertroosting, wanneer Hij dat wil en zoveel als Hij wil en aan wie Hij wil, naar zijn welbehagen, en daarmee uit.” (IV, 7, 6)

 Troost komt en gaat: dat is de ervaring van wie voor God wil leven, niet alleen van de beginners, maar zelfs van de grote heiligen. Het is als het ware een pedagogisch middel van God om de mens ertoe te brengen zich helemaal aan Hem over te geven. Thomas wil de jonge monniken een hart onder de riem steken:

 “Wanneer de vertroosting u wordt ontnomen, moet gij niet meteen de hoop verliezen, maar met nederigheid en geduld het hemelse bezoek afwachten, omdat God de macht heeft u weer een overvloediger vertroosting te geven. Voor hen die met de weg van God vertrouwd zijn is zoiets niet nieuw en vreemd, want bij de grote heiligen en de oude profeten is dit soort wisseling vaak voorgekomen. (…) Wanneer het grote heiligen zo vergaan is, mogen wij, zwakke mensen, niet wanhopen wanneer wij nu eens vurig en dan weer kil zijn, want de Geest komt en gaat heen volgens zijn wil en welbehagen.” (II, 9, 16-17.28)

 Wie van troost verstoken is, wordt geleerd alleen op God te vertrouwen:

 “Waarop kan ik dan hopen of waarop moet ik mijn vertrouwen stellen, behalve op Gods barmhartigheid alleen en alleen op de hoop dat ik de hemelse genade kan krijgen? Want ik kan wel in gezelschap van voortreffelijke mensen zijn, van vrome medebroeders of trouwe vrienden; ik kan wel heilige boeken of mooie verhandelingen lezen of prachtige gezangen en hymnen horen, maar al deze dingen baten toch slechts weinig en geven maar weinig vreugde wanneer ik verstoken ben van de genade en alleen blijf met mijn eigen armoede. In die toestand is er geen betere medicijn dan gelatenheid en zelfverloochenende overgave in Gods wil. Ik heb nog nooit iemand ontdekt die zo vroom en godvruchtig was, dat hem niet bij tijd en wijle de genade werd onttrokken of dat hij zijn vurigheid niet voelde verminderen. Geen heilige is zo hoog vervoerd of verlicht geweest, dat hij niet vroeg of laat bekoord werd. Want iemand die voor God niet beproefd is met een of andere kwelling, verdient de hoge beschouwing van God niet. De bekoring namelijk is doorgaans het voorteken van de vertroosting die gaat volgen.” (II, 9, 33-36)

 En Thomas geeft de volgende “ignatiaanse” raad:

 “Het is wijs beleid om, wanneer gij door de geest van vurigheid bezield zijt, na te denken over wat er zal komen als het licht verdwijnt. En als dat gebeurt, bedenk dan dat het licht ook weer terug kan komen, nadat Ik het u tijdelijk heb onttrokken, u tot waarschuwing en Mij tot glorie! Zo’n beproeving is vaak nuttiger dan dat gij altijd maar alles voorspoedig naar uw zin hebt. Want de maatstaf voor iemands verdiensten is niet dat hij meer visioenen of vertroostingen heeft of belezen is in de Schrift of op een hogere plaats gesteld, maar dat hij gegrondvest is in echte nederigheid en vervuld van liefde tot God, dat hij altijd louter en alleen Gods eer zoekt, dat hij zichzelf voor niets telt en oprecht geringschat en dat hij er zelf meer vreugde in vindt door anderen geminacht te worden en vernederd te worden dan eer te ontvangen.” (IV, 7, 19-22)

 En daarom:

 “De voortgang in het geestelijk leven ligt niet zozeer in het hebben van een genade van vertroosting, maar in de nederigheid en de zelfverloochening en het geduld waarmee gij verdraagt dat ze u wordt onttrokken.” (IV, 7, 4)

 De ware vriend van Jezus bemint Hem niet om zijn gaven, maar om Hemzelf; hij wil bij Hem zijn, waar Hij ook gaat, niet alleen wanneer het goed gaat, maar ook in zijn lijden en sterven. Maar er zijn er niet velen die bereid zijn die weg te gaan:

 “Het is iets bijzonders, iets heel bijzonders, zowel menselijke als goddelijke vertroosting te kunnen missen, en ter ere Gods de ellende van zijn hart met vreugde te willen dragen en in niets zichzelf te zoeken en op zijn eigen verdiensten geen acht te slaan.”

 Thomas daagt zijn jonge toehoorders uit:

 “Jezus heeft er thans velen die zijn hemels rijk liefhebben, maar weinigen die zijn kruis dragen. hij heeft er velen die verlangend zijn naar troost, maar weinigen die de beproeving wensen. (…) Velen volgen Jezus tot aan het breken van het brood, maar weinigen tot aan het drinken van zijn lijdenskelk. Velen zien vol eerbied op naar zijn wonderdaden, weinigen gaan mee tot in de smaad van het kruis. Velen hebben Jezus lief zolang er geen tegenslagen komen. Velen prijzen en zegenen Hem zolang zij nog enige vertroosting van Hem ontvangen. Maar als Jezus zich verschuilt en hen even alleen laat, dan hervallen zij tot klachten of diepe neerslachtigheid. Maar degenen die Jezus om Jezus liefhebben en niet om enige eigen vertroosting, zij zegenen Hem in alle beproevingen en benauwenissen van hun hart evenzeer als in de opperste vertroosting. Al wilde Hij hun nooit een vertroosting geven, dan zouden zij Hem nog altijd loven en Hem altijd dank willen brengen. Wat vermag de loutere liefde tot Jezus veel, die liefde waarbij geen eigenbelang of eigenliefde in het spel is! (…) Waar is de mens te vinden die God om niet wil dienen?” (II, 11, 1-12.15)

Zijn kruis dragen

Jezus om Hemzelf liefhebben, niet meer met zichzelf bezig zijn is “arm en naakt van geest” worden, het is “alles verlaten en zichzelf verlaten, volledig uit zichzelf weggaan en van zijn eigenliefde niets meer overhouden” (II, 11, 20). Deze weg gaan van onteigening, van zelfontlediging, is zijn kruis opnemen en Jezus volgen op zijn kruisweg, op “de koninklijke weg van het heilig kruis”, zoals Thomas het noemt. Wat is het kruis? Voor wie zijn leven helemaal in Gods handen heeft gelegd, is dat zich door Hem verlaten voelen.

 “Bij tijd en wijle zult gij door God alleen gelaten worden, bij tijd en wijle zult gij door uw naaste worden gekweld, en wat nog erger is: gij zult dikwijls voor uzelf een last zijn (zie Job 7,20); en dan kunt gij toch niet door deze of gene medicijn of vertroosting bevrijd of verlicht worden, maar zolang God het wil, moet gij het blijven dragen. Want God wil dat gij beproevingen leert dragen zonder vertroosting en dat gij u algeheel aan Hem onderwerpt en door de beproeving nederiger wordt.” (II, 12, 17-18)

 Maar dat betekent niet dat men aan zijn lot overgelaten wordt. Wie Jezus volgt in zijn lijden, wordt ook door Hem vergezeld en ondersteund:

 “Als gij met instemming het kruis draagt, zal het u dragen en u geleiden tot het begeerde einddoel” (II, 12, 23).

 Zijn kruis dragen omwille van Jezus is dan ook niet een bovenmenselijke prestatie leveren, maar alles aan Hem toevertrouwen, immers:

 “Dit komt niet van zijn menselijke kracht, maar van de genade van Christus: deze vermag en doet zoveel in het zwakke vlees, dat het, door de vurige gloed van de Geest gedreven, dingen aandurft en liefheeft waar het van nature altijd voor huivert en terugdeinst.” (II, 12, 38)

 En Thomas vervolgt:

“Het is geen mensenwerk, het kruis te dragen, het kruis lief te hebben, zijn lichaam te tuchtigen en te onderwerpen (zie 1 Kor 9,27), eerbewijzen te schuwen, beschimpingen graag te verdragen, op zichzelf neer te zien en te verlangen dat anderen het doen, alle tegenspoeden en verliezen te aanvaarden en geen voorspoed in deze wereld te wensen. Als gij u op uzelf verlaat, vermoogt gij uit uzelf niets van dat alles. Maar als gij vertrouwt op de Heer, zal u kracht uit de hemel worden gegeven en zullen de wereld en het vlees zich onderwerpen aan uw gebod. Gij zult zelfs de duivel, uw vijand, niet duchten, wanneer gij gewapend zijt met het geloof en getekend met het kruis van Christus.” (II, 12, 39-42)

 Het kruis, de verlatenheid, smaad en vernedering die men omwille van Christus ondervindt, maken de mens nederig, hij vertrouwt in niets meer op zichzelf, maar op God; hij heeft niets meer “van zichzelf” te verdedigen – en daarmee is hij werkelijk vrij:

 “Toch is niemand rijker, niemand machtiger, niemand vrijer dan een dergelijk mens die zichzelf en alles weet te verlaten en zich geheel onderaan weet te zetten.” (II, 11, 24)

 De weg van het kruis is de weg van de liefde, die ertoe leidt dat men de ander werkelijk als ander bemint, het kenmerk van de ware minnaar.

 “Een beproefde minnaar let niet zozeer op wat zijn beminde geeft als op de liefde waarmee hij geeft. Hij slaat meer acht op de genegenheid dan op de waarde van het gegevene, en alle gaven stelt hij beneden zijn beminde. Een edel minnaar rust niet in de gave, maar in Mij, boven alle gave.” (IV, 6, 6-8)

 En nog:

 “(Wie liefheeft) kijkt niet naar de gave, maar keert zich naar de Gever, boven alle goede gaven uit.” (IV, 5, 17)

 Hier spreekt Thomas opnieuw over vertroosting, niet meer over de voorbijgaande troost als gave Gods, maar over de blijvende troost van de liefdesontmoeting met de Gever, van de aanwezigheid van de Beminde:

 “De zalige en waarachtige vertroosting is die, welke de Waarheid ons innerlijk doet smaken. Een inwendig levend mens draagt overal zijn vertrooster Jezus met zich mee en zegt tot Hem: ‘Sta mij bij, Heer Jezus, op iedere plaats en ieder ogenblik.’” (IV, 16, 10-12)

 Die innige verbondenheid doet ons God in alle dingen liefhebben en dienen.

 “Als Gij aanwezig zijt, is alles zoet en aangenaam; zijt Gij echter afwezig, dan gaat alles tegenstaan. Gij maakt ons hart rustig en geeft diepe vrede en feestelijke vreugde. Gij geeft ons een juist oordeel over alle dingen en doet ons U in alle dingen prijzen; zonder U kan niets lang behagen. Maar als iets aangenaam wil zijn en smakelijk, dient uw genade erbij te komen en dient het gekruid te worden met de specerij van uw wijsheid. Als iemand U smaakt, wat zal hem dan niet goed smaken? En als iemand U niet smaakt, wat kan hem dan nog tot genoegen zijn?” (IV, 34, 6-9)

 Dan wordt de ander bemind, niet omwille van mijn voordeel, zelfs niet omwille van hemzelf, maar omwille van God:

 “In Mij moet de liefde tot uw vriend haar grond hebben, en al wie u voortreffelijk lijkt en bijzonder dierbaar in dit leven, moet om Mijnentwil bemind worden. Zonder Mij heeft de vriendschap geen kracht en geen duurzaamheid; er bestaat geen ware en zuivere liefdesband, als Hij niet door Mij gelegd is.” (IV, 42, 3-4)

 Ignatius en de Imitatio

Keren we tot slot nog even terug naar Ignatius. De “humanist” Ignatius zou zich zeker niet gevonden hebben in de “verachting van deze ellendige wereld”, waarover Thomas herhaaldelijk spreekt, als deze berustte op een dualistische visie, die de “gevallen” wereld als behorend tot het rijk van het kwaad afwijst. Afgezien van het feit dat Thomas zich in de eerste plaats richt tot jonge koorheren in een contemplatieve orde die de wereld “vaarwel” hebben gezegd en die hij met zijn uitspraken wil bemoedigen om het leven dat zij gekozen hebben vol te houden, is het hem voornamelijk te doen om alles wat van de gerichtheid op de Heer afhoudt. Het gaat niet zozeer om een afwijzing van de schepping, maar om de menselijke verlangens en gehechtheden die in de verkeerde richting georiënteerd zijn, om de “ongeregelde eigenliefde van de mens” (IV, 53, 15). Heel de Navolging is erop gericht de liefde te “ordenen”  in de richting van de ontmoeting met de levende Heer. En hoewel de auteur nergens een rechtstreeks getuigenis geeft van zijn eigen innerlijk leven, blijkt meermaals dat hij niet “onwetend” was van de ervaring van Gods liefdevolle aanwezigheid.

“De Imitatie zoekt de intieme, persoonlijke vriendschap met Christus”, schrijft Albert Deblaere S.J. Ongetwijfeld is dat de reden waarom Ignatius zo verknocht was aan het boekje: ook hij bouwt heel zijn spiritualiteit op vanuit de persoonlijke vriendschap met Christus en de keuze voor diens persoon. De Geestelijke Oefeningen lopen uit op de onvoorwaardelijke overgave aan de Heer: “Geef dat ik U mag liefhebben, die genade is mij genoeg” (GO 234). Op die persoonlijke vriendschap berust de zending, het “apostolaat”: men leeft, bemint, lijdt, sterft met Hem en omwille van Hem. En het is met Hem dat men zal verrijzen. De lectuur en overweging van de Navolging kan ons helpen om de contemplatieve dimensie van de ignatiaanse spiritualiteit te herontdekken.

Print Friendly, PDF & Email