Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Jezuïeten - Geschiedenis van de Orde / José de Anchieta, de apostel van Brazilië

José de Anchieta, de apostel van Brazilië

Redactie Cardoner on 15/12/2015 - 9:30 am in Jezuïeten - Geschiedenis van de Orde

door Cesar Augusto dos Santos S.J.

In april 2014 werd Anchieta, een van de eerste missionarissen in Brazilië, heilig verklaard. Een kennismaking.

José is geboren op 19 maart 1534 op Tenerife in San Christóbal de la Laguna, in de archipel van de Canarische eilanden, bij Spanje behorend. Hij was de zoon van Juan López de Anchieta en Mencía Díaz de Clavijo y Llerena. Zijn eerste religieuze en culturele opvoeding kreeg hij thuis. Op de school van de paters dominicanen werd ze verdiept. Toen hij nauwelijks veertien of vijftien jaar oud was, stuurden zijn ouders hem naar de befaamde universiteit van Coimbra in Portugal. Daar ontwikkelde Anchieta zijn talenten door de studie van de welsprekendheid, de dichtkunst, de Griekse taal en cultuur, de dramatische kunsten en nog andere vakken. Deze humanistische vorming droeg later in grote mate bij tot zijn succes in evangelisatie en catechese.

In 1548, nog voordat de Sociëteit de verantwoordelijkheid voor de faculteit van de vrije kunsten in Coimbra op zich nam (dat gebeurde in 1555), leerde hij de jezuïeten kennen. Dit contact leidde al vlug tot wederzijdse interesse. Drie jaar later, zeventien jaar oud, trad Anchieta in de orde. Zijn geestelijke rijpheid viel op. Nog in het noviciaat, tijdens de Geestelijke Oefeningen – een maand lang bezinning en gebed – groeide in hem het verlangen naar een leven als missionaris.

Naar Brazilië

Op 8 mei 1553 vertrok Anchieta samen met zes gezellen naar Brazilië. Hun schip maakte deel uit van de vloot van de tweede gouverneur-generaal, Duarte da Costa. Tijdens de overtocht van de Atlantische Oceaan verzorgde de jonge Anchieta edelmoedig de zieken en bood zijn hulp aan bij wat er ook moest gebeuren. Na een reis van twee maanden ontscheepten ze in Salvador, Bahía. Vijf maanden later werd Anchieta naar de zuidelijker gelegen streek van São Vicente gezonden. Hij bereikte zijn bestemming in de vooravond van Kerstmis in 1553. Daar trof hij vijftien jezuïeten aan, vijf priesters en tien broeders en jezuïeten in opleiding, en ook twee weeskinderen uit Lissabon. Nooit eerder was er in de Nieuwe Wereld zo’n uitgebreide groep jezuïeten samengekomen.

Op 21 januari 1554 startte een team van jezuïeten, daartoe door hun provinciaal pater Nóbrega uitgekozen, een belangrijk project: het São Paulocollege in Piratininga, en dit volgens de instructies die ze gekregen hadden van de provinciaal van Portugal, Simon Rodrigues, een van de stichters van de orde. Op 25 januari werd een mis gevierd voor de stichting van het college. Aanwezig waren het indiaanse stamhoofd Tibiriçá, de Portugese indianenjager João Ramalho en zijn vrouw Bartira, dochter van het stamhoofd, de nieuwe jezuïetencommuniteit, en natuurlijk ook een groot aantal indianen en kolonisten.

Provinciaal Nóbrega stelde pater Manuel de Paiva aan als overste van de nieuwe religieuze communiteit. José de Anchieta die, hoewel opvallend jong, uitblonk door zijn grondige vorming, werd voor de twaalf jezuïeten, zijn overste inbegrepen, tot professor Latijn en humaniora benoemd. Zo begon hij zijn apostolische activiteit dus niet zoals de andere missionarissen, maar als een missionaris bij missionarissen. Hij onderwees mannen die priester gewijd zouden worden, terwijl hijzelf nog geen priester was. Hij leerde hen niet alleen het Latijn dat nodig was voor het priesterwerk, maar ook de inlandse taal, voor hen het belangrijkste instrument voor hun pastorale activiteiten. Hij werkte een grammatica en ook andere werken in de Tupitaal uit, wat voor de indianen de weg naar nieuw leven opende. Anchieta was de stichter van het college en daardoor ook van de stad São Paulo. Deze eretitel gold voor hem niet zozeer omdat hij deelgenomen had aan de inaugurale misviering, maar omdat hij gedurende vele jaren de ziel van het college was én catechist in de streek. Het college van São Paulo de Piratininga was het eerste jezuïetencollege in Amerika, en bovendien een college zoals de Ratio Studiorum het vroeg. Na een viertal jaren groeide de bevolking rond het college zo sterk aan dat de nederzetting in de categorie van kleine steden of “villa’s” werd opgenomen. 28 jaar later schreef Anchieta aan Claudio Aquaviva, de vierde generaal van de Sociëteit, dat de bevolking nog altijd aangroeide en de paters nu pastorale tochten ondernamen in het naburige gewest, naar São Vicente en de nabij gelegen haciënda’s.

De apostel Anchieta streefde actief de bekering van de mensen na en deed dit vooral door middel van zijn toneelproducties. Daarin toonde hij op een ontspannen en de belangstelling  opwekkende wijze hoe christenen leefden. In zijn Catechismus en zijn Gesprek over het geloof werkte hij in de landstaal de belangrijkste punten van het geloof verder uit. In zijn brieven pleitte hij heel welsprekend voor de levenswijze van de inlanders en voor hun bekering. Wij leren hem hier kennen als een pastor die heel toegewijd zorg droeg voor zijn kudde. Zijn catechese was vruchtbaar:

130 indianen van alle leeftijden en van beide geslachten werden als catechumenen aanvaard en 36 tot het doopsel toegelaten. Twee keer per dag leren zij de christelijke leer. Op zondag wonen ze de eucharistieviering bij, maar de catechumenen beklagen zich erover dat ze na de offerande worden weggezonden, met als resultaat dat ze vaak mogen blijven.

Gevangenschap

Ondanks de goede catechese brachten de slechte voorbeelden van de Portugezen grote moeilijkheden met zich mee. Bovendien waren de inlanders niet altijd consequent. Een cultuur van wraak zat diep in hun geest geworteld. Hadden ze in een gevecht over hun vijanden gezegevierd, dan organiseerden ze simpelweg een kannibaals festijn. De rituele terechtstelling van een gevangen vijand werd met grote zorg voorbereid en was dan ook een bijzonder feest. Mensen werden niet gedood om opgegeten te worden, het eten was veeleer een soort van overwinningsritueel.

De wapenstilstand mogelijk geworden door de Portugese overwinningen op de indianen in 1561 en 1562 werd dikwijls verstoord door de aanvallen van de Tupi’s en de Tamoyo’s. De vestigingen van São Paulo, São Vicente, Santos en Intanhaém hadden van die overvallen te lijden. Dat betekende ook het stelen van vee en het gevangennemen van slaven. Europeanen werden meegevoerd om op te eten. Ook vrouwen werden als slavinnen meegenomen. Heel wat kolonisten en slaven verloren het leven bij het verdedigen van hun bezittingen. Met de aankomst van de vloot van Estácio de Sá verbeterde de situatie wat, maar ze bleef toch problematisch.

Na een zorgvuldige onderscheiding zag pater Nóbrega in dat het Gods wil was dat hij naar de streek van de Tamoyo’s zou trekken om tot een vredesakkoord te komen. Hij was bereid de onrechtvaardigheden van de kolonisten te erkennen. Omdat hij de inheemse taal niet machtig was, vroeg hij José de Anchieta hem te vergezellen. Op 12 april 1563, de octaafdag van Pasen, verlieten de twee São Vicente, nadat ze tijdens een eucharistieviering hun religieuze geloften hadden hernieuwd. In een kano reisden ze tot Bertioga. Daar verbleven ze in het fort van São Tiago alvorens verder te trekken naar het gebied van de Tamoyo’s. Al was Anchieta nog geen priester gewijd, toch gebruikte hij zijn tijd in Bertioga om de indianen van die streek catechese te geven en pastorale zorg te verlenen aan de Portugezen die daar verbleven. Nóbrega hoorde biecht. Na zes dagen vertrokken ze naar Iperoig in het gebied van de Tamoyo’s, een tocht die vele dagen duurde. Daar aangekomen verlieten ze hun kano’s niet, maar wachtten op de indianen, die wel zouden komen. Anchieta legde hen uit dat ze voor een vredesmissie waren gekomen, dat zij daar als gijzelaars zouden achterblijven, terwijl twee indianen naar São Vicente zouden gaan. De indianen gingen hiermee akkoord, ontvingen de jezuïeten in hun dorp en boden hun indiaanse vrouwen aan om hen tijdens hun verblijf gezelschap te houden. Ze stonden verbaasd toen ze vernamen dat de paters een celibatair leven leidden.

Nóbrega en Anchieta werden als gasten ontvangen in het verblijf van Cunhambeba, een indiaanse chef die het met de missionarissen best kon stellen en goed voor hen zorgde. Tijdens hun verblijf in Iperoig (vandaag de stad Ubatuba) verspilden de missionarissen hun tijd niet en gaven catecheselessen aan de kinderen. Iets daarvan kwam ook terecht bij de volwassenen die op een afstand toekeken.

Tijdens hun twee maanden gevangenschap kregen ze met discussies en doodsbedreigingen te maken, maar genoten ze ook ogenblikken van troost, zoals de eucharistievieringen en de homilieën die ze voor de Tamoyo-indianen hielden. Uiteindelijk scheen er toch een vredesovereenkomst te zijn bereikt. Bewust van de kwetsbaarheid van dit akkoord besliste Nóbrega om op 21 juni te vertrekken om in São Vicente rechtstreeks met de betrokken partijen te kunnen spreken. Anchieta stond erop in Iperoig te blijven als waarborg voor de vrede en om de veiligheid van de indianen te verzekeren.

Zijn bewakers bleven hem maar vertellen: “José, kijk maar goed naar de zon zolang het nog kan, want morgen wordt het jouw feest.” Ondertussen bleven de indiaanse vrouwen niet ongevoelig voor zijn mannelijkheid. Met Gods steun kon hij weerstand bieden aan hun voortdurende verleidingskunsten. Deze tijd in Iperoig was voor Anchieta zonder twijfel zijn grootste beproeving: een tijd van agonie, van innerlijke strijd, van angst, én van keuze voor God. Drie maanden lang, heel alleen, zonder eucharistie of biecht, vocht hij tegen de duivel. Maar God bleef aan zijn zijde en gaf hem de nodige kracht.

In deze tijd van beproeving riep Anchieta de hulp in van de maagd Maria en vroeg haar de genade om de ontelbare aanvechtingen te overwinnen. Hij beloofde haar, uit erkentelijkheid voor het ontvangen van die genade, een gedicht te maken. Zo groot was zijn geloof dat zijn smeekbede verhoord zou worden, dat hij er dadelijk aan begon, zelfs voor hij de genade die hij vroeg, had verkregen. Dit gedicht is nog altijd het langste gedicht dat ooit voor Maria geschreven werd. Het is zesduizend verzen lang en staat vol met letterlijke Bijbelcitaten, een duidelijk bewijs van zijn kennis van de Heilige Schrift. Op 14 september kwam Anchieta eindelijk vrij en arriveerde op 22 september in Bertioga. In een brief vertelt hij hierover: “Iedereen was ten zeerste verheugd toen ik aankwam. Ik kwam immers terug uit een gevangenschap waarvan iedereen verwachtte dat ze met mijn dood zou eindigen. Gezegend zij de almachtige Heer qui mortificat et vivificat.” Deze hele periode van gevangenschap levert ons het bewijs van zijn geloof, hoop en liefde, deugden waarvan echte heiligen blijk geven.

Provinciaal van Brazilië

Pater Luís da Grã diende de aanvraag voor de priesterwijding van Anchieta in en getuigde dat de kandidaat de wijding waardig was. Hij werd priester gewijd door don Pedro Leitão, een vroegere metgezel uit Coimbra die nu de tweede bisschop van Brazilië was. Diens uitspraak is beroemd geworden: “De Sociëteit in Brazilië is een gouden ring en pater José is zijn kostbare steen.” De juiste datum van de priesterwijding is niet gekend, de meeste biografen plaatsen die tussen 6 en 8 juni 1566.

In1576 stelde pater Generaal Mercuriaan Anchieta aan als provinciaal van Brazilië. Zo werd hij overste van de meer dan 140 jezuïeten die toen in Amerika waren. Rond diezelfde tijd stichtte Anchiéta in Rio de Janeiro het Heilig Huis van Barmhartigheid.

In 1586, nadat hij zich verzekerd had van de goedkeuring van generaal Aquaviva, vroeg de bisschop van Tucumán aan Anchieta om missionarissen naar Paraguay te zenden. Anchieta stemde toe en zond de eerste vijf jezuïeten naar het missiegebied van Prata, dat in latere eeuwen tot de reducties van Paraguay uitgroeide.

Als provinciaal schreef en ontving Anchieta een ontelbaar aantal brieven. In zijn omvangrijke briefwisseling vinden we alle soorten van mensen: de generaal, jezuïetengemeenschappen, individuele jezuïeten, burgerlijke gezagsdragers, gewone mensen, priesters, religieuzen, legeroversten, zelfs gouverneurs en koningen. Sommige van zijn brieven aan de generaal vertellen over zijn relaties met de Afrikanen en laten duidelijk zien hoe hij bezorgd was om hun hun bekering. Hij toonde een grote belangstelling voor het geestelijk leven van al wie een bijzondere rol speelden in de opbouw van Brazilië. Zijn brieven beschrijven de brutale behandeling van  de slaven die vanuit  Guinea werden ingevoerd. Hij vermeldt dat in het jaar 1582 alleen al meer dan tweeduizend slaven naar Salvador werden overgebracht. Hij bracht verslag uit over hun gezondheidstoestand en over het catechesewerk bij wie de oversteek van de Atlantische Oceaan overleefd hadden en over de stichting van de Broederschap van de Rozenkrans. Hij schreef ook over het pastorale werk op de landbouwbedrijven en in de kleinere steden.

Anchieta toonde zich in het bijzonder bekommerd om de zieken, zoals hij dat ook gedaan had op het schip dat hem van Europa hierheen gebracht had. Hij hielp hen bij het opstaan en bij het slapengaan; hij bleef bij hen waken zolang als zij hem nodig hadden. ’s Nachts stond hij dikwijls op om voor een zieke een medicijn of wat voedsel klaar te maken. Het was deze overgave waarmee hij een bedlegerige jezuïet verzorgde, die de dood van de apostel verhaastte. Zijn Pascha vierde hij op zondag 9 juni 1597.

Anchieta hield van de indianen, van de Afrikanen en de Europeanen. Hij hield van iedere mens persoonlijk en van ieder ras als een geschenk van de Schepper. Hij was een profeet en een herder die zijn kudde heiligde, niet alleen in São Paulo, maar ook in Rio de Janeiro, Vitoria, Bahía en over heel Brazilië.

Zijn geschriften vertellen ons van zijn vele tochten en reizen, van zijn intense activiteit. Ze tonen duidelijk aan dat hij terecht “de apostel van Brazilië” genoemd wordt. Die titel werd hem bij zijn uitvaart toegekend door de apostolische administrator don Bartolomeu Simões Pereira. Terecht mogen we zeggen dat José de Anchieta mee de grondslagen heeft gelegd van de kerk in Brazilië. Hij schonk haar eenheid, bevrijdde haar van dwaalleer en verzekerde haar trouw aan Christus.

uit: Jaarboek van de Sociëteit van Jezus 2015 (Rome, 2014)

vertaling: Guido Cornelissen S.J.

 

Print Friendly, PDF & Email