Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Jezuïeten - Geschiedenis van de Orde / Ignatius van Loyola en zijn leidersrol.

Ignatius van Loyola en zijn leidersrol.

Redactie Cardoner on 04/05/2009 - 3:17 pm in Jezuïeten - Geschiedenis van de Orde

door André Cnockaert S.J.

De opvatting van de jezuïet als een leider en  de jezuïtische leidersrol  heeft zijn bestaan te danken aan een dubbele ervaring: de op de eerste plaats religieuze, om niet te zeggen mystieke ervaringen van de stichter van de jezuïetenorde, en de meer profane ervaring van de historische omstandigheden bij het ontstaan  van die orde, die begon met een tijd van onderlinge kameraadschap en zich geleidelijk ontwikkelde tot een officiële instelling met constituties, die in wezen door Ignatius van Loyola in de laatste vijftien jaar van zijn verblijf in Rome waren opgesteld , maar pas na zijn dood kracht van wet kregen.

Het schijnt dat Ignatius een aangeboren begaafdheid bezat om mensen te leiden en te inspireren. Het meest overtuigende bewijs daarvoor is de gebeurtenis die aan de oorsprong staat van zijn bekering. Toen de vestingstad Pamplona (de hoofdstad van het door de koning van Castilië heroverde Navarra) belegerd werd door het leger van de koning van Frankrijk (en van Navarra), wist hij als bevelhebber aldaar zijn garnizoen ertoe aan te zetten om weerstand te blijven bieden, terwijl daarvan door de overmacht van de vijand  geen enkel positief resultaat mocht worden verwacht. Het verzet eindigde, toen de bevelhebber, zwaar gewond door een kanonskogel, ter aarde stortte.

De Fransen waren zozeer onder de indruk van zijn “heldhaftig” gedrag, dat zij hem militaire eer bewezen, en hem naar zijn voorvaderlijk kasteel van Loyola begeleidden. midden in het vijandige Baskenland …  Gedurende de lange moeilijke maanden van zijn genezing ziet men bij hem zich een omslag aftekenen. Bij het lezen van een paar boeken (een leven van Jezus en een boek met heiligenlevens, voltrekt zich in hem vanuit zijn dromerijen, zijn “overpeinzingen” en de kritische beschouwing van wat hij zijn “inwendige bewegingen” noemt. een ommekeer Hij was een geboren leider en die karaktertrek werd sterk door eerzucht bepaald, maar het was een eerzucht die gepaard ging met edelmoedigheid. Zijn verlangen naar roem en succes,  militaire roem en mondain succes, waren niet louter op zijn eigen persoon gericht. Waarschijnlijk vanuit zijn opvoeding als jonge edelman had hij een sterk besef, in “dienst” te staan van een leider die groter was dan hij en bij wiens zaak hij zich aansloot: de Koning en de belangen van het koninkrijk.. Zijn persoonlijke eerzucht werd dus getemperd door twee belangrijke deugden, die van belang zijn wanneer men als leider optreedt: edelmoedigheid  en dienstbaarheid.

De weg van de Geestelijke Oefeningen

Door zijn bekering verdwijnen niet de eigenschappen van zijn natuurlijke persoonlijkheid en opvoeding, maar worden deze  verdiept doordat zij een nieuwe richting krijgen. Hij zal trouwens dezelfde terminologie blijven gebruiken, wanneer hij onder woorden brengt  welke zijn nieuwe inzichten zijn en wat hij ervaart. In zekere zin voltrekt zich in hem een soort overdracht van het tijdelijke naar het geestelijke. Zijn nieuwe koning zal Jezus Christus zijn en zijn nieuwe koninkrijk het Koninkrijk van God. Deze overdracht wordt bevestigd en verdiept tijdens een langdurig verblijf als kluizenaar in een grot bij Manresa, een plaatsje  niet ver van de Benedictijnenabdij van Montserrat (Barcelona). Daar begint hij in een schriftje de vruchten op te tekenen van zijn nieuwe ervaring en zijn geestelijke inzichten, een belangrijke eerste ontwerp van zijn beroemde Geestelijke Oefeningen. De volledige titel van deze Oefeningen verdient onze aandacht: “geestelijke oefeningen om zichzelf te overwinnen en zijn leven te ordenen zonder zich te laten leiden door welke ongeregelde gehechtheid dan ook”. In een inleidende aantekening licht hij dit toe: “het gaat erom de ziel voor te bereiden om zich van elke ongeregelde gehechtheid te ontdoen, en om dan te zoeken en te vinden wat Gods wil is bij de inrichting van zijn leven…” [GO, eerste aantekening].

Laten we proberen dit te verstaan in het licht van het vurig karakter van de herstellende patiënt in zijn ruime kamer in het kasteeltje van Loyola. Onze bekeerling heeft ingezien dat, wil men de Koning van Gods Koninkrijk stellen op de plaats van de aardse koning, allereerst  de omstandigheden van de vroegere edelmoedigheid, die een absolute voorwaarde is voor het dienen, verdiept en uitgezuiverd moeten worden. Men mag niet langer zijn eigen eer najagen , niet onordelijk gehecht  blijven aan aards bezit, om zo totaal vrij en beschikbaar te worden “voor de dienst van de Koning en Zijn Rijk”. Het is heel duidelijk hoe dit zich verhoudt tot het evangelie. Ignatius heeft overwogen en begrepen wat de les is van het gesprek dat Jezus had met de “man met grote bezittingen” (Mc 10, 17-22). De “rijke” man die zich tot Jezus wendt, is oprecht gemotiveerd, en verlangt werkelijk om goed te leven en te handelen. Het is geen grootspraak als hij zegt: “Ik heb van mijn jeugd af de geboden onderhouden”. Maar Jezus probeert hem duidelijk te maken dat hij verder kan gaan dan zich verdienstelijk  te houden aan de regels voor een braaf leven. Hij nodigt hem uit de gevaarlijke  sprong te maken van de liefde, van zich radicaal wegschenken: ”Ga heen, verkoop, geef weg, kom dan en volg mij”.

De oproep van de aardse koning

Kunnen we teksten vinden waarmee Ignatius ons zijn opvatting laat zien over de leidersrol van Christus, aan Wie hij, in tegenstelling tot de man, “die veel bezittingen had”, zich wil hechten,   door af te zien van zijn aardse verlangens naar eer en bezit., zonder dat daardoor zijn eigen onmiskenbare leidersgaven krachteloos worden gemaakt? Want vanaf het begin van zijn bekering heeft hij voor ogen dat hij wil dienen; hij wil ook “de zielen helpen”, d.w.z. andere mensen helpen om “hun leven te herzien”, en hen te brengen tot het dienen van de Koning en het Koninkrijk.

In de eerste fase van Geestelijke Oefeningen besteedt Ignatius er veel tijd aan om mensen die zijn lessen willen volgen, te helpen achterhalen, waaruit hun edelmoedigheid ten diepste voortkomt, en hen te helpen loskomen van een te sterke gerichtheid op zichzelf en van alle “ongeordende gehechtheden” die deze in de hand werken. Het is overduidelijk dat hij dit op uitgesproken christelijk en godsdienstig gebied als een bevrijding ziet uit de ketenen van zonde en kwaad. Maar men mag deze opzet ook vertalen naar meer profaan terrein

Ignatius is door en door een humanist. Hij deelt niet Luthers pessimistische kijk op de volkomen verwording van de menselijke natuur. Hij gelooft in aangeboren edelmoedigheid die hij trouwens reeds voor zijn bekering bezat. Maar waar het om gaat is, deze edelmoedigheid vrij te maken, eraan de ruimte geven zodat zij zich kan ontplooien.

In een beschouwing die een scharnierfunctie heeft tussen de eerste en tweede fase van de Geestelijke Oefeningen schetst Ignatius een beeld waaruit heel duidelijk zijn opvatting blijkt over een leider en zijn leidersrol. Gewoonlijk wordt deze beschouwing aangeduid als de “beschouwing over het Rijk”, of de “Oproep van de Koning”. Het geschetste beeld maakt deel uit van een ‘a fortiori’- redenering . Ignatius vraagt de exercitant zich een leider voor ogen te stellen, een “aardse koning”, die hem oproept hem te volgen, en hem vervolgens te vergelijken  met de oproep van Christus, “de geestelijke Koning”. Hij vraagt hem “zich een menselijke koning voor te stellen… aan wie alle vorsten en christenen eerbied en gehoorzaamheid betonen”. Vervolgens “te kijken hoe deze koning al de zijnen toespreekt met de woorden: Het is Mijn wil het hele land van de ongelovigen te veroveren. Wie dus met mij wil optrekken zal zich tevreden moeten stellen met het eten dat ik eet, en zo ook wat drank en kleding betreft, enz… Zoals hij deel heeft gehad aan de zware inspanning, zo zal hij daarna delen in mijn overwinning”

Zou Ignatius het door Titus Livius geschilderde portret van Hannibal gelezen hebben? Wat er ook van zij, deze kleine tafereel  is zeer onthullend als men ze aan een korte literaire analyse onderwerpt. Ik beklemtoon enige woorden en uitdrukkingen, die elkaar min of meer herhalen, hetgeen wijst op een onmiskenbare nadrukkelijkheid Weliswaar spreekt Ignatius over “respect en gehoorzaamheid’, maar daarbij gaat het om een koning die “uitnodigt”, een “verzoek doet”, die “edelmoedig en menselijk” is, en met wie men hetzelfde voedsel en .. dezelfde zware inspanningen moet delen! A-fortiori  redenerend  komt men dan bij Christus:  als een dergelijke koning reeds verdient dat we ons bij hem aansluiten, hoeveel te meer verdient Christus dan dat men Hem volgt. En de leidersrol van Christus krijgt dezelfde kenmerken als die van de “aardse koning”: “”wie met Mij wil optrekken, zal samen met Mij hard moeten zwoegen, zodat wie Mij volgt in de pijn Mij ook zal volgen in de heerlijkheid”.

In deze tekst die grondleggend is voor de ignatiaanse spiritualiteit, valt moeilijk een eerste aanzet te  lezen  voor een piramidale opvatting over een leidersrol van macht en ondergeschiktheid.

 Het ontstaan van de Sociëteit van Jezus: een experiment van kameraadschap

Na enige jaren “rondzwerven”, in de loop waarvan Ignatius zich als een pelgrim ziet die op zoek is naar “wat God wil dat hij met zijn leven doet”, belandt hij  in september 1527 op de universiteit van Parijs. Hij komt er zijn intellectuele vorming afmaken, waaraan hij op latere leeftijd op de universiteiten van Castilië was begonnen  , maar die door moeilijkheden met de Inquisitie  was tegengewerkt. De Inquisitie staat niet toe dat iemand die niet onderlegd  is in de kerkelijke wetenschappen, het aandurft mensen leiding te geven in hun geestelijk leven. Hij vertrekt uit Spanje zonder erin geslaagd te zijn een groepje te vormen dat zich verbonden voelt met zijn persoon en met wat hem voor ogen staat. Door toeval – of door de Voorzienigheid – komt hij terecht op het Sainte Barbe-college  waar hij kamergenoot wordt van Franciscus Xaverius en Petrus Faber. Het betekent het begin van een kameraadschap die in de loop der jaren steeds sterker wordt, en waarbij ook vier andere studenten betrokken zullen raken. Ignatius, die zo een tien tot vijftien jaar ouder is dan de rest van dit groepje,  is er de onbetwiste “leider” van.

De uitstraling van zijn persoonlijkheid is heel duidelijk , maar legt zich niet op. Franciscus Xaverius, een buitengewoon getalenteerd student die droomt van een belangrijke kerkelijke loopbaan, zal er verschillende jaren over doen voordat hij instemt met de voorstellen van zijn merkwaardige kamergenoot. Het zal tot 1534 duren voordat Ignatius het groepje verzamelt in de kleine kapel van de Martelaren op de Butte de Montmartre, om zich te verbinden tot een gemeenschappelijke onderneming: een pelgrimstocht naar het Heilige Land, om er zo mogelijk te werken aan de “bekering van de ongelovigen”. Mocht dit voornemen niet slagen, dan zullen zij zich ter beschikking stellen van de paus, om door hem te worden uitgezonden naar die plaatsen” waar ze, naar zijn oordeel, het meeste goed zullen kunnen bewerken”.

Over die Parijse jaren getuigen de eerste “gezellen” dat ze hoofdzakelijk leefden als een groep vrienden rond Ignatius; ze zullen spreken van “vrienden in de Heer”:  “in de loop van het jaar, zo vertelt Diego Laynez, die een van hen was, gingen we op vaste dagen eten bij de anderen, terwijl ieder meebracht wat we zouden eten …” .De leidersrol van Ignatius bestaat erin dat hij de onderlinge banden versterkt, en hen  richt op “de Heer”, de ”Koning” die hij gekozen heeft te volgen en te dienen

Ignatius schijnt hen vooral ook aan zich te binden door hun diensten te bewijzen!. Faber is een zeer begaafd student, maar hij is weinig zeker van zichzelf, aarzelend en zelfs angstig. Ignatius slaagt erin  hem evenwichtig te maken, zelfvertrouwen te geven  en een vaste keuze te maken over de wijze waarop hij na zijn studies zal leven. Verschillende van hen hebben geldzorgen. Ignatius die in Brugge en Londen enige gulle geldschieters heeft gevonden, geeft aan hen materiële ondersteuning. Voor Franciscus Xaverius die min of meer een berooide edelman is, weet hij voor zijn lessen (betalende) studenten te vinden. Op geschikte momenten oefent hij zijn geestelijk en moreel leiderschap uit door middel van zijn Geestelijke Oefeningen, om hen te helpen bij de “herordening” van hun leven. Maître ès Arts  geworden, moet hij in 1535 Parijs wegens ziekte verlaten, maar heeft er geen probleem mee om zijn “bevoegdheden” aan een ander over te dragen. Men maakt een afspraak elkaar weer te treffen te Venetië in de lente van 1537, en de leiding van de groep wordt toevertrouwd aan de schuchtere Petrus Faber. Deze voelt zich niet geremd om de leidersrol op zich te nemen. Op eigen gezag breidt hij het bestaande groepje met drie man uit (een vermeerdering met eenderde!) .Hij voelt niet de behoefte Ignatius te raadplegen die bovendien moeilijk te bereiken was, en het is weinig waarschijnlijk dat hij “richtlijnen” hieromtrent heeft gehad. En als de politieke situatie verslechtert neemt Petrus Faber  volledig de verantwoordelijkheid op zich door te besluiten eerder naar Venetië te vertrekken.

 Van kameraadschap naar instituut

In januari 1937 zijn de vrienden samen met Ignatius bij elkaar te Venetië. Voordat de groep in Rome aankomt om er zich ter beschikking te stellen van de paus, verlopen daarna lange maanden van wachten op de weinig waarschijnlijke mogelijkheid  om naar het Heilige Land te varen. Tijdens deze periode van afwachten wordt de groep alleen door de onderlinge kameraadschap bijeengehouden. Toch moeten zij zich aanpassen aan de nieuwe omstandigheden waarin zij verkeren. Ze laten zich tot priester wijden, verspreiden zich in groepjes van drie of vier over verschillende steden in Noord-Italië om retraite te doen of  te werken in de ziekenhuizen. Maar regelmatig komen ze bij elkaar om de balans op te maken, na te gaan hoe het ervoor staat, en om met algemene instemming de nodige beslissingen te nemen. Wanneer het nodig blijkt dat zij de mensen om hen heen duidelijk kunnen aangeven wie ze als groep zijn, besluiten zij zich aan te dienen als een groep “vrienden in de Heer”, een “compagnie van Jezus”. Met het woord ‘compagnie’ bedoelen zij volstrekt  niets krijgshaftigs. Het is duidelijk dat hun uitgangspunt het evangelie is. Hun voorbeeld is Christus die apostelen om zich heen had verzameld. Als later Ignatius in Rome op zoek is naar geld voor een van zijn goede werken, zal hij een “compagnie van de genade” stichten, waarvan men lid kan worden door het storten van een bijdrage. “Compagnie” was blijkbaar een tamelijk gebruikelijke term zonder militaire bijklank.

Het beslissende moment dat bepalend zal zijn voor de toekomst van de groep komt, wanneer de paus een beroep begint te doen op enkelen van hen. Ze beseffen dan de beperkingen van hun onderlinge kameraadschap, en de vraag komt aan de orde of deze niet de structuur moet krijgen van een religieuze orde met strikte regels omtrent haar functioneren en interne  organisatie, en vooral de noodzaak, zoals ze zeggen “om zich iemand te kiezen aan wie zij gehoorzaamheid verschuldigd zullen zijn”. Van  dit belangrijke stichtingsmoment getuigen twee documenten “over de wijze waarop de Sociëteit tot stand is gekomen”. Het betreft een soort anoniem verslag over verschillende maanden van zeer serieuze “besprekingen” onder kameraden “die deze herhaalde malen (hadden gehouden)” .De schrijver zorgt ervoor dit nader toe te lichten: “Er waren onder ons Fransen, Spanjaarden, mensen afkomstig uit Savoye en Cantabrië: we hadden verdeelde standpunten en opvattingen over  onze status (…). We hadden allen een en dezelfde gedachte en wil (…), maar  aangaande de meest geschikte en doeltreffende middelen zowel voor onszelf als  voor onze naasten waren er nogal uiteenlopende opvattingen”.

‘Onze manier van werken’

“In gezamenlijke overeenstemming” besluiten ze daarom “al (hun) menselijke krachten  in te spannen en onder elkaar bepaalde vraagstukken aan de orde te stellen die zorgvuldig  en met gerijpte wijsheid nader onderzocht  moesten worden”. Ze gaan daartoe “op hun gebruikelijke manier te werk” Die bestond hierin, dat ze zich (op deze vraagstukken) overdag bezonnen en erover nadachten”,en er biddend dieper op ingingen. “ ‘s Avonds vertelde  ieder aan de anderen  wat naar zijn oordeel het beste en meest geschikte zou  zijn, opdat allen tezamen een standpunt zouden innemen dat goed bekeken was en  waarmee door de meesten om doorslaggevende redenen was ingestemd”.

Vrij snel worden zij het eens over de keuze om “een onderling verband te handhaven”. “Daar de Heer hen bij elkaar heeft willen brengen en verenigen “terwijl ze afkomstig waren uit zo verschillende streken en culturen”, mocht men, naar hun oordeel “niet verbreken wat God had verenigd, maar veeleer dit sterker en steeds hechter maken”. Dat zal gebeuren “door ons in een enkel  corps te verenigen, waarbij we voor elkaar zorg dragen en met elkaar verbonden zijn (…), want gezamenlijke krachten zijn weerbaarder en sterker om welk moeilijk werk ook tot stand te brengen, dan wanneer ze verstrooid zouden zijn over verschillende plaatsen”.

Maar het wordt echt spannend als de vraag aan de orde komt of iemand aan het hoofd gesteld moet worden van dit corps.

 “Nadat over deze eerste vraag  een beslissing was genomen, kwam er een tweede aan de orde die moeilijker was en die niet minder onderzoek en wijsheid vereiste: Allen hadden wij de gelofte van eeuwige kuisheid en van armoede afgelegd in de handen  de Hoogeerwaarde Pauselijke Legaat toen we in Venetië waren ; zou het niet goed zijn , er een derde gelofte aan toe te voegen, de gelofte van gehoorzaamheid aan een van ons?”

 Deze netelige kwestie waarmee men verschillende maanden bezig blijft, wordt dramatisch wanneer Ignatius tot drie maal toe zijn verkiezing tot “overste” niet aanvaardt. Vandaar dat  de methode, hun “manier van te werk gaan” verfijnd wordt. Ieder wordt (voor God) geheel aan zichzelf overgelaten bij zijn overpeinzingen en gebed. Maar wanneer zij ’s avonds het resultaat van hun overpeinzingen en persoonlijk gebed  aan de anderen voorleggen “moet ieder zichzelf  beschouwen als behoorde hij niet tot onze groep en ook niet verwachtte daarin te worden opgenomen; dankzij deze houding zullen zo zijn gevoelens hem niet ertoe brengen eerder zus dan zo te denken en te oordelen”.

De methode heeft succes, en het resultaat ervan wordt aldus samengevat: “Tenslotte zijn wij met de hulp van de Heer tot een conclusie gekomen, niet met de meerderheid van stemmen, maar zonder dat iemand een tegengestelde opvatting had…”

Terwijl ze begonnen waren met een grote verscheidenheid aan, vaak met elkaar botsende, opvattingen, die uitvoerig en in alle vrijheid werden besproken, hebben zij deze mooie eenstemmigheid bereikt door zich te houden aan een strikte  discussie- en overlegmethode, hetgeen betekende dat aan allen gevraagd werd geheel vrijuit te spreken, en met de grootst mogelijke aandacht en welwillendheid naar elkaar te luisteren. Deze aanpak kan als zeer opmerkelijk  worden beschouwd, als men ze  bijvoorbeeld vergelijkt met de dramatische discussies waardoor de franciscaanse gemeenschap nog tijdens het leven van de charismatische Franciscus van Assisi werd verscheurd. Ignatius was niet minder charismatisch en bezat een buitengewone wilskracht. Een van zijn tijdgenoten zegt: “Als hij een bepaalde gedachte had in zijn hoofd, liet hij deze niet makkelijk varen”. En toch, op dit moment dat van zo groot belang is om een droom te verwezenlijken die hij bijna 20 jaar met zich meedroeg, ziet men dat zijn vurig karakter hem niet ertoe brengt om spontaan zijn gezag te doen gelden, en zo zijn inzicht en wil op te leggen!

Verbindend leiderschap

Pierre-Antoine Fabre, een niet-jezuïtische wetenschapper heeft in het Frans deze grondleggende documenten gepubliceerd . In de inleiding op deze publicatie legt hij er veel nadruk op hoezeer Ignatius in deze “anonieme” documenten op de achtergrond blijft: “Is Ignatius misschien de schrijver van dit alles?” vraagt hij zich af. “Geen enkele tekst – behalve zijn stembiljet, waarmee hij aangeeft geen kandidaat te zijn –  draagt de sporen van zijn handschrift (…) Toch is hij van mening “dat Ignatius centraal staat in het verhaal (…) in zoverre hij zich er niet op laat voorstaan  de schrijver ervan te zijn”.  Hij laat zo “blijken dat het stichtingsgebeuren een collectief karakter heeft”. Hij is “het bindend element” in het gebaar van een gezamenlijk schrijven (…). Over het verslag van de “stichtings­werkzaamheden” heen , over  de voorbereidende documenten en de uiteindelijke  tekst van de Bullen (van de Heilige Stoel) heen wordt in dit gezaghebbend geschrift  weergegeven wat deze gemeenschap te zeggen heeft.. Men dient  Ignatius “juist in zover hij op de achtergrond blijft, te beschouwen als de oorsprong en schrijver van dit geluid van de gemeenschap…”.

Waarschijnlijk hebben we hier te maken  met een unicum in de geschiedenis van de ordesstichtingen. Tegelijk ook met een van de meest eigen kenmerken van Ignatius’ leiderschap. Bij dit belangrijk stichtingsgebeuren heeft Ignatius zijn leidersrol vervuld door  een groep sterke persoonlijkheden, ieder met duidelijke ideeën over een bepaalde kwestie met betrekking tot hun toekomst, te dwingen tot een strikte  en veeleisende methode van bezinning en gezamenlijk  onderzoek, waardoor het mogelijk werd  te komen tot een beslissing aangaande een gemeenschappelijke handelwijze.

Ignatius zal de laatste vijftien jaar van zijn leven doorbrengen in een kamertje in de schaduw van de in aanbouw zijnde Sint Pieter, met het opstellen van de “constituties” van dit origineel instituut en met het besturen van een snel groeiende Sociëteit van Jezus. Is hij trouw gebleven aan die geest die voorzat bij de oorsprong? Heeft het uitoefenen van de macht niet zijn wilskrachtige aanleg nog versterkt en hem gebracht tot een wijze van bestuur met meer autoritaire trekken?

Allereerst moet worden opgemerkt dat Ignatius tot aan zijn dood toe dat vermogen om op de achtergrond te blijven schijnt te hebben behouden, dat hij had doen blijken tijdens de “besprekingen” van 1539 en 1541; dat hij niet op bijzonder kritieke momenten het hele gewicht van zijn sterke persoonlijkheid en gezag heeft willen  inzetten, maar de anderen voor hun verantwoordelijkheid  stelde. Een van zijn beste biografen wijst op een gesprek van Ignatius met zijn secretaris de jezuïet Polanco, kort voor zijn dood. In de namiddag van 30 juli 1556 voelt Ignatius zich niet goed, en vraagt dat men de Heilige Vader  zal gaan zeggen dat hij “helemaal op was en geen hoop had nog hier op aarde verder te leven.” Daarom vraagt hij om zijn zegen “in articulo mortis”. De secretaris, gewend aan de zwakke gezondheid van  de pater, maakt zich niet erg ongerust en vraagt hem: “voelt u zich zo beroerd dat u de indruk hebt op het punt te staan uit dit leven heen te gaan?”.  Ignatius antwoordt: “Het scheelt niet veel of ik blaas de laatste adem uit”. De secretaris zegt dat hij van plan is de volgende dag naar het Vaticaan te gaan, want hij moet die avond nog dringende post afwerken. Ignatius heeft dan een reactie die men niet zou verwachten van iemand van zijn formaat: “Ik zou gerust zijn als u dat liever vandaag dan morgen zou doen, of tenminste zo spoedig mogelijk; maar doet u maar wat u het beste vindt; ik verlaat mij helemaal op u”. De volgende morgen treft men hem aan in doodstrijd. Hij sterft zonder dat  iemand erbij is, zonder pauselijke zegen en zonder de laatste sacramenten.

De betekenis van een nauwgezette briefwisseling

Volkomen in de lijn  van wat de jezuïeten later zijn gaan noemen “de besprekingen van de eerste paters” ziet men dat ook  Ignatius er voortdurend op toeziet dat de “eenheid van hart”, zoals hij dat noemt, bewaard blijft. Terwijl ze steeds talrijker worden en zeer verspreid leven in een wereld waar de onderlinge verbindingen heel wat moeilijker en trager waren dan tegenwoordig draagt hij  zorgvuldig zorg voor het in standhouden van de banden tussen de gezellen “onderling”, zo zegt hij,  en “met het hoofd” . Dat gebeurt door de briefwisseling te maken tot het middel bij uitstek voor het bestuur. In deze correspondentie maakt hij onderscheid tussen wat genoemd zou kunnen worden rapporten en verslagen over algemene kwesties, die iedereen mag weten , en de meer persoonlijke, dus vertrouwelijke, brieven.

Hij is van oordeel dat dit persoonlijk contact, waarbij de briefschrijver verslag doet van zijn diepste gevoelens, even belangrijk is als het meedelen van objectieve verslagen over zaken die men heeft ondernomen, successen die behaald zijn en moeilijkheden waarmee men te kampen heeft gehad.

Franciscus Xaverius die, op weg naar Indië, vòòr de officiële bevestiging van de orde Rome had verlaten, en dus niet heeft kunnen zien hoe Ignatius zijn bestuur in de praktijk uitoefende, heeft deze “spiritualiteit van de briefwisseling” het best beleefd en onder woorden gebracht.

Wanneer hij, na verschillende jaren lang van nieuws te zijn verstoken, eindelijk meer personeel heeft gekregen en op zijn beurt de taak van overste op zich moet nemen, geeft hij op het moment dat hij voor een langdurige periode van afwezigheid uit Goa vertrekt, aan zijn plaatsvervanger als richtlijn: “U moet mij alles tot in bijzonderheden schrijven op twee of drie blaadjes papier. Alle paters en broeders moeten mij ook schrijven, ieder voor zich, hoe zij het maken en wat hun vertroostingen zijn. U moet hun zeggen dit zeer uitvoerig te doen…”

Hij is ook de man die, ver weg van de anderen, als geen ander een spiritualiteit, sommigen zeggen een mystiek, van kameraadschap heeft ontwikkeld. In 1546 schrijft hij: “Weet, dierbare medebroeders, dat ik, om u nooit te vergeten, en om van u een blijvende  en speciale herinnering te behouden,  uit de brieven die u mij hebt gestuurd, uw eigenhandig geschreven namen tot mijn grote vertroosting heb gehaald, en ze bij mijn plechtige gelofte hebt gevoegd. Vanwege de troost die ik ervan ervaar, draag ik ze voortdurend bij mij …” En inderdaad zal men bij zijn eenzame dood op een verlaten eiland aan de andere kant van de wereld in een zakje om zijn hals de formule vinden van zijn geloften en Ignatius handtekening, uitgeknipt uit een van diens brieven. Als antwoord op enkele bestuurlijke raadgevingen die Ignatius hem had gegeven in een van de spaarzame brieven die hem hadden bereikt, schrijft hij: “Ook ik ben van mening dat Sociëteit van Jezus betekent een Sociëteit van liefde en eenheid van gevoelens, maar niet van gestrengheid en slaafse angst”(12 januari 1549).

De praxis van Ignatius

Toch staat wel vast dat Ignatius het zijn “gezellen”, vrienden en medewerkers niet gemakkelijk heeft gemaakt. Onder hen die het nauwst met hem verbonden waren, heeft hij het sommigen enorm moeilijk gemaakt, met name Diego Laynez, die hem zou opvolgen als tweede “generale overste”. Verteld wordt dat deze op een dag zou hebben uitgeroepen: “Wat heb ik toch gedaan, dat ik verdiend heb op die manier door hem behandeld te worden?”

Een goed voorbeeld van die veeleisende gestrengheid vinden we in een brief die Ignatius in 1541 stuurt aan een van hen die hem het meest nabij staan, de vriendelijke pater Petrus Faber. die op dat moment op “missie” was in Duitsland. Scherp geeft hij hem  een standje, juist over de brieven die hij van hem krijgt: Faber schrijft hem brieven die Ignatius te warrig vindt, en begaat bovendien de onvergeeflijke  fout dat hij algemene berichten vermengt met meer persoonlijke mededelingen! Tamelijk koel wijst Ignatius hem erop dat hij de dingen uit elkaar moet houden, en eerst een “voornaamste” brief moet schrijven met algemeen nieuws, die iedereen mag lezen om de eenheid van hart te bevorderen (hierboven wezen we reeds op deze primaire bekommernis van Ignatius). En dan moet die brief ook nog goed geredigeerd worden! Petrus Faber moet een voorbeeld nemen  aan Ignatius zelf:

 “Ikzelf dwing me een “voornaamste” brief twee keer te schrijven opdat er een zekere systematiek in zit… Deze die u voor u hebt, heb ik twee keer eigenhandig geschreven. Want u hoeft slechts aan één persoon te schrijven , en ik moet aan iedereen schrijven. Ik zal u wat vertellen: onlangs hebben wij berekend dat het aantal  brieven dat wij tegenwoordig overal heen sturen tweehonderdvijftig bedraagt. U zegt dat u teveel te doen hebt, Ik denk dat dit voor mij niet minder opgaat dan voor wie ook – en ik heb een slechtere gezondheid”.

 Een dergelijke humeurigheid laat ons een andere kant zien van de wijze waarop Ignatius zijn leidersrol vervult. Het moge waar zijn dat Ignatius over een sterke wilskracht beschikte, maar er is geen bewijs dat deze aanleg hem ertoe bracht om zijn functie op autoritaire wijze uit te oefenen, Daarentegen kan niet ontkend worden dat hij verschrikkelijk veel van zichzelf eiste en … ook van anderen! Wanneer  hij zich in zijn bestuur gestreng betoont is dit niet de onverzettelijke gestrengheid van iemand die zijn wil absoluut  wil doordrijven. Het betreft de gestrengheid van een vurig man en een charismatisch leider,  die wil dat de talenten van zijn medewerkers maximaal tot hun recht komen. Zelfs wanneer hij streng is, en  met name voor naaste medewerkers, dan is dat omdat hij weet waartoe ze in staat zijn,  en hij het beste in hen naar boven wil halen. Wij willen dit illustreren met een schitterend briefje aan een wat kleinmoedige rector…. De Vlaming Filip Leerno was rector van het college te Modena, Hij had blijkbaar weinig zelfvertrouwen,  en  had dientengevolge grote moeilijkheden met de uitoefening van zijn gezag. Hij had zijn hart gelucht bij Ignatius. In een hartverwarmend antwoord laat Ignatius ons zien wat hij verstond onder een ideaal bestuur, dat de jezuïeten zullen betitelen als “vaderlijk”.

 “U moet de gaven van God zeer hoogachten, en tegelijk naar behoren niet teveel belang hechten aan persoonlijke onvolkomenheden. Houdt goede moed en laat al waartoe meester Jean Laurent (een medewerker) in staat is, u tot steun zijn; houdt op met gering over uzelf te denken en de moed te verliezen. U moge weten dat wij meer waardering hebben voor de gaven Gods die u bezit dan u ze zelf waardeert.”

 Het minste dat men kan zeggen is dat Ignatius zeker niet de mensen met een minder sterke persoonlijkheid  dan de zijne. heeft “verpletterd.” Hem stond een bestuur voor ogen dat veeleisend was maar ook grote zorg had voor hen over wie men gezag uitoefende

Wat valt er af te leiden uit deze pelgrimage naar de bronnen?

De eerste opmerking die zich opdringt is dat we maar heel weinig elementen hebben gevonden die ten oorsprong liggen aan de hardnekkige reputatie die de jezuïeten bij een aanzienlijk deel van het grote publiek, en zelfs bij hun oudleerlingen … , hebben als zouden ze er een starre discipline op nahouden  en autoritair zijn. Hoe zij aan die reputatie zijn gekomen zou een nauwkeurig onderzoek vragen! Laten we hier alleen maar erop wijzen dat men zich maar zelden weet te ontworstelen aan zijn culturele complexen en de overheersende sfeer op ideologisch gebied, hoe sterk iemands persoonlijkheid ook moge zijn. Tijdens ongeveer vijfhonderd jaren geschiedenis heeft de Sociëteit als instituut met haar leden moeten koersen door veel  maatschappelijke en politieke situaties heen; daarvan kan men zeggen dat in het Westen deze situaties meer gekenmerkt waren door tendensen van autocratisch absolutisme dan van democratie met inspraak van de bevolking … De jezuïeten moeten het in dit geval betreuren  dat ze niet een beetje meer in staat zijn geweest tegen de stroom op te roeien. Ook mag men niet vergeten dat hun geschiedenis hen ook heeft gebracht tot een veertig jaren durende opheffing (17773-1814)! Het zou interessant zijn  de redenen en oorzaken na te gaan van dit geweldige drama in de geschiedenis van de orde. Daaronder zal men evenzeer de invloed zien die de jezuïeten hebben  gehad – en vaak hebben gezocht –  “aan het hof van de groten der aarde”, de absolute vorsten, als de 150 jaar van hun missionaire epos als uitvinders van de “reducties van Paraguay”, “de Guarani-Republiek”, die schitterende maar utopistische poging om het Rijk Gods te vestigen op aarde, beschut tegen alle moreel verval door de macht van het geld en machtshonger (1610-1759).  Daaraan moet men  toevoegen het werk van pater de Nobili in Indië (1577-1615) en van pater Ricci in China (1552-1607) die ieder op eigen manier  blijk gaven van een geweldige openheid ten overstaan van andere culturen  en wereldbeschouwingen, en grote bereidheid daarmee het gesprek aan te gaan.

Als we zoeken naar een “model”,  dwingt hetgeen we hierboven hebben gezien  ons ook, niet te vergeten hoeveel belang Ignatius met zijn ervaring hecht aan de deugden van edelmoedigheid en dienstbetoon. De leidersrol van Ignatius wordt geheel gekenmerkt door de noodzakelijke edelmoedigheid, die maakt dat wie met macht is bekleed en verantwoordelijk is voor anderen, in staat moet zijn verder te kijken dan zijn persoonlijke belangen en eigen ambitie. Pater Pedro Arrupe, de voorlaatste algemene overste, die zich heel sterk heeft ingespannen om de jezuïeten een nieuwe dynamiek bij te brengen die overeen zou komen met de inzichten uit de begintijd, is weer teruggekeerd naar het ideaal van deze “ridderlijke” leidersrol; aan de Oud-leerlingen gaf hij als parool, dat langzamerhand befaamd is geworden, mee “mens-te-zijn-voor-de-anderen” en vroeg de jezuïeten dergelijke  mensen-voor-anderen te vormen in hun colleges en universiteiten. Pater Peter-Hans Kolvenbach, de huidige algemene overste heeft  dit parool heel verstandig aangevuld met de woorden: “en mensen-met-de-anderen”.

In dit jubeljaar wordt  ook de figuur van de zalige Petrus Faber herdacht; deze man wilde, in de geest van de ignatiaanse leidersrol, liever met de aanhangers van Luthers hervorming in gesprek komen dan met hen redetwisten. Het is ook bemoedigend dat de laatste twee algemene oversten van de jezuïeten zo op dezelfde lijn zitten als een groot modern protestantse theoloog.  In een boekje, de Heer van de dans, wijdt Jürgen Moltman aan deze twee formules  een aantal uiterst spirituele bladzijden. “Het zijn-voor-de-ander, schrijft hij, is een formule die door Dietrich Bonhoeffer gebruikt wordt om het geheim uit te leggen van degene die Christus’ menselijkheid en Zijn dood voor ons tegenwoordig stelt”. Het is ook” het mysterie van liefde bij hen die volgelingen zijn van de man uit Nazareth”. Het is “de Kerk van Christus die optreedt om de mensen te vertegenwoordigen, en met name hen te vertegenwoordigen aan wie niemand anders aandacht schenkt,”. Het is”de naastenliefde die lijdt aan andermans leed, en zich inspant voor het geluk van de andere mensen” Maar “dat zijn-voor-de-anderen” moet leiden tot “een zijn-met-de-anderen”.: “Brood geven aan mensen die in de wereld honger lijden heeft tot doel, eens samen met iedereen zijn brood te eten.”

De Kerk-voor-de-anderen “kan makkelijk leiden tot het ouderwetse paternalisme”,  en ertoe leiden dat ze een Kerk wordt ”die beschikt over een hiërarchie en een bureaucratie”. Een Kerk met-de-anderen wordt de “gemeenschap van vrije mensen”, want het zijn-met-de-anderen  is ”de vorm die het verloste en vrije leven aanneemt”

Tot slot

Wat heeft het gebeuren van “de beraadslagingen van de eerste paters” voor invloed gehad op   Ignatius’ wijze van besturen?  Veel meer dan in de  “blinde” gehoorzaamheid die aan de leden wordt toegeschreven, waardoor ze ieder apart onvoorwaardelijk ter beschikking staan voor een door de “baas” geleide actie,  moet de originaliteit van de leidersrol van jezuïeten en het geheim van de doeltreffendheid daarvan  gezocht worden –  is men geneigd te denken – in dat ideaal van  de “verbondenheid van hart”, dat berust op een stipt streven, met elkaar te delen en naar elkaar te luisteren  dat plaats vindt in een “onderscheiding in communauteitsverband” en in de hartelijke omgang van de leden met elkaar. Dat is een aspect van het ideaal om te-zijn-met-de-anderen, waarover wij zojuist spraken.

Maar geldt dit alles  alleen maar voor Ignatius en de jezuïeten? We hebben hierboven gezegd dat Ignatius zich zelf richtte op een model dat hij hartstochtelijk zocht door te geven aan ieder die hij op zijn weg tegenkwam. Het grootste deel van zijn Geestelijke Oefeningen wordt besteed aan het bemediteren en beschouwen van de evangelies, om “Jezus Christus steeds beter te leren kennen, beminnen en volgen” [GO 104]. Het gaat erom, om met Paulus te spreken, “dezelfde gevoelens” te krijgen als Hij [GO 203].  Nu was de wijze waarop Christus leiding gaf werkelijk revolutionair, want in die tijd werd macht uitgeoefend door mensen te onderwerpen . Hij wil geen Rabbi genoemd worden, omdat de “meesters” in die tijd hun “leerlingen” behandelden als knechten en slaven. De plaats van de leerling was aan de voeten van de meester.  Jezus verschijnt als dienaar. Hij trekt “zonder enig uiterlijk vertoon” rond met zijn leerlingen, en dezen kiest Hij liefst uit de niet-leidende, niet goed-onderlegde, om niet te zeggen verachte bevolkingsgroepen . En die leerlingen noemt Hij “vrienden”: “Ik noem jullie niet langer dienaren, want de dienaar weet niet wat zijn meester doet, maar Ik noem jullie vrienden omdat Ik alles wat Ik van de Vader vernomen heb, aan jullie heb meegedeeld(Joh 15, 15)”. En wanneer Hij aan mensen die heel vast zitten aan wat in hun cultuur gebruik is, goed wil duidelijk maken waarover het gaat, knielt Hij zelf voor ze neer en wast hun voeten tot grote ontzetting van allen, met name van Petrus:  “Jullie noemen Mij meester en Heer (herhaling = benadrukking), en terecht, want dat ben Ik. Welnu, als Ik, jullie Heer en meester, jullie voeten heb gewassen, dan behoren jullie ook elkaar de voeten te wassen” (Joh 13, 12-15).

Het is in het evangelie dat Ignatius, en iedere christen met hem, die radicale omslag heeft gevonden waardoor hij een leidersrol kan vervullen die geen autocratische onderwerping is , maar dienstverlening en vriendschap

                        vertaling door Felix van Voorst tot Voorst S.J.

 

André Cnockaert is verbonden aan het Centre d’Études pour l’Action Sociale (Cepas).  In het kader van de Journées Philosophiques van de jezuïetenfaculteit Petrus Canisius te Kimwenza (Kinshasa) werd een colloquium gehouden over “De bevordering van een kwaliteitsvol leiderschap in Afrika naar het jezuïtische model”. Het colloquium was een onderdeel van het ignatiaanse jubileum van 2006. De tekst is een gedeelte uit een lezing die daar werd gehouden.

 

 

Print Friendly, PDF & Email