Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Jezuïeten - Geschiedenis van de Orde / De Sociëteit van Jezus in de jaren na het herstel van 1814.

De Sociëteit van Jezus in de jaren na het herstel van 1814.

Redactie Cardoner on 16/08/2014 - 6:57 pm in Jezuïeten - Geschiedenis van de Orde

door  Mark Rotsaert S.J.

Het is bon ton, althans in sommige milieus, te beweren dat de Sociëteit na het herstel door paus Pius VII in 1814 maar weinig bezield en weinig innoverend is geweest in vergelijking met de eerste eeuwen na de stichting door Ignatius en zijn vrienden in 1540. Pas in de tweede helft van de twintigste eeuw zou de orde haar vroegere vernieuwende kracht hebben teruggevonden, zoals Jean Lacouture beweert in het tweede deel van zijn boek over de geschiedenis van de jezuïeten, Les Revenants (1991). Het is altijd riskant de Sociëteit van het begin te vergelijken met wat ze was in latere periodes. Niet alleen de Sociëteit verandert, de hele wereld, de hele maatschappij verandert en de kerk met haar. Een feit is dat de negentiende eeuw niet de eenentwintigste eeuw is, waarin wij vandaag leven. Tezelfdertijd moet gezegd worden dat elke historicus zichzelf en zijn tijd onvermijdelijk meeneemt in zijn geschiedschrijving.

De lange weg naar herstel

 Bij de verkiezing van een overste voor de Sociëteit van Jezus in de gebieden onder het bestuur van keizerin Catharina II van Rusland in 1782, kwam pater Czerniewicz uit de bus. Hij werd gekozen als “vicaris-generaal, totdat de universele Sociëteit zou zijn hersteld en een algemene overste kon worden gekozen”. Men ging er blijkbaar van uit dat de Sociëteit in de hele wereld zou worden hersteld. In een vorig artikel (zie: Cardoner 2012/2, blz. 11-19) werden de verschillende fasen van het herstel beschreven. Pius VI, paus van 1775 tot 1799, had in 1783 al laten verstaan dat hij de jezuïeten in Wit-Rusland welgezind was en herhaalde dit nog het jaar van zijn dood. Maar de paus hield er rekening mee dat de Bourbonhoven in Europa, die de opheffing van de Sociëteit hadden gewild, nog altijd bijzonder machtig waren. Pius VII, paus van 1800 tot 1823, publiceerde in 1801 het decreet Catholicae fidei, waarmede hij het bestaan van de jezuïeten in Wit-Rusland officieel erkende. In 1802 wordt pater Gruber tot algemeen overste verkozen. Hij mag deze titel nu officieel voeren. In 1804 vaardigt Pius VII de breve Per alias uit, waardoor de Sociëteit nu ook in het rijk van de beide Siciliën – Napels en Sicilië – vrij haar apostolaat kan uitoefenen.

 Ondertussen is Napoleon Bonaparte Europa aan het veroveren. In 1806 neemt hij bezit van het rijk van Napels en worden de jezuïeten eruit verbannen. De provinciaal, Jozef Pignatelli, verlaat Napels samen met een groep jezuïeten en vertrekt naar Rome. In 1809 wordt Pius VII door de troepen van Napoleon gevangen genomen en verbannen naar Fontainebleau. Hij keert pas naar Rome terug in mei 1814, nadat Napoleon in april van datzelfde jaar naar het eiland Elba is verbannen. Nu kan de paus eindelijk – wat hij al eerder had willen doen – de Sociëteit over de hele wereld herstellen.

Sollicitudo omnium ecclesiarum

De bul Sollicitudo omnium ecclesiarum van Pius VII van 7 augustus 1814 schaft de breve Dominus ac redemptor van Clemens XIV af, waardoor de Sociëteit opnieuw over de hele wereld recht van bestaan heeft. De Formula, de regel van de jezuïeten door paus Paulus III in 1540 goedgekeurd, wordt opnieuw van kracht voor alle jezuïeten. In tegenstelling tot de lange tekst van de breve van Clemens XIV is de bul van Pius VII vrij bondig. De paus beschrijft in het begin van zijn tekst welke stappen hij sinds het begin van zijn pontificaat reeds gezet heeft en die tot de bul van 1814 hebben geleid. Hij verwijst ook naar de veranderende wereld. Inderdaad, Europa in 1814 is niet meer wat het was voor de opheffing in 1773. In 1789 brak de Franse Revolutie uit en tien jaar later was er de staatsgreep van Napoleon. De kerk heeft nood aan goed gevormde priesters, de kerk heeft de jezuïeten nodig om het hoofd te bieden aan de nieuwe stromingen in de maatschappij, aldus de paus. Er was een grote instemming in kerkelijke kringen over heel Europa om de jezuïeten opnieuw toe te laten. Hier volgt een ietwat ingekorte vertaling van enkele paragrafen uit de bul Sollicitudo omnium ecclesiarum:

(De maatschappelijke situatie en de toestand van de kerk in de veranderde wereld) zijn zulke dwingende redenen en zwaarwichtige motieven die op ons wegen, dat wij hebben beslist – na Gods hulp te hebben ingeroepen en het oordeel van wijze kardinalen te hebben aangehoord –  uiteindelijk ten uitvoer te brengen wat wij sinds het begin van ons pontificaat zo sterk verlangen. Daarom besluiten wij dat alle toelatingen die we hebben verleend aan de jezuïeten in het Russische Rijk en in het Rijk van de twee Siciliën, nu worden uitgebreid tot alle jezuïeten waar ook ter wereld. Daarom verlenen wij aan pater Tadeusz Brzozowski, huidige generaal van de Sociëteit van Jezus, en aan zijn opvolgers, alle gezag om de Sociëteit van Jezus te herstellen volgens de Regel van de Sociëteit van Jezus.

Hoe opnieuw uit de startblokken komen?

Opvallend is dat de orde in Wit-Rusland, waar ze een duidelijke bloei had gekend, een jaar na het officiële herstel over de hele wereld, in ongenade viel bij tsaar Alexander I. Pater Tadeusz Brzozowski, die in 1805 in Wit-Rusland tot algemeen overste was verkozen, werd in 1815 uit Sint-Petersburg verbannen. De vrijmetselaarsloge van Sint-Petersburg, erg bevriend met tsaar Alexander, was tegen de beslissing van Pius VII de Sociëteit over de hele wereld te herstellen. Die pauselijke beslissing zou het einde betekenen van de hegemonie van de Russische keizer over de Sociëteit. Deze vreesde dat het gezag van de paus over de jezuïeten sterk zou toenemen. Brzozowski, die nu generaal was van de wereldwijde Sociëteit, wist dat zijn plaats in Rome was. Verschillende malen vroeg hij aan de tsaar om naar Rome te mogen vertrekken. Het werd hem telkens geweigerd. Hij benoemde dan een vicaris-generaal in Rome om hem te vervangen. Brzozowski stierf in 1820 in Polotsk. Nadat de Sociëteit in Wit-Rusland in ongenade was gevallen, hebben meer dan 350 jezuïeten het land verlaten richting Rome.

Voor het einde van 1820 werd in Rome een Algemene Congregatie samengeroepen. Nadat de jezuïeten meer dan 45 jaren in moeilijke omstandigheden in verschillende Europese landen hadden geleefd, was het niet eenvoudig om de eenheid terug te vinden. Verschillende fracties stonden tegenover elkaar: er waren meningsverschillen over de wijze waarop de Sociëteit in concreto moest worden hersteld, meningsverschillen ook over wie de nieuwe generaal moest worden. Uiteindelijk werd de Italiaan Luigi Fortis gekozen. Deze was van 1815 tot 1818 provinciaal van Italië geweest en van 1818 tot 1819 vicaris-generaal, om de generaal, nog altijd in Wit-Rusland, te vervangen. Hij zag het als zijn taak de juridische fundamenten en het spirituele karakter van de Sociëteit opnieuw te consolideren. Bovendien vroeg hij een bijzondere  aandacht voor de vorming van de kandidaten en voor het apostolaat van de colleges. Toen de Sociëteit in 1814 over de hele wereld werd hersteld, waren er ongeveer 600 jezuïeten. Bij de verkiezing van Fortis in 1820 waren er al meer dan 1300, bij zijn dood in 1829 waren er 2100 jezuïeten.

Het generalaat van Jan Roothaan (1829-1853)

Het lange generalaat van de Nederlander Jan Roothaan heeft een duidelijke stempel gedrukt op de geschiedenis van de orde. Wat allereerst opvalt tijdens die 24 jaar bestuur is de geografische verspreiding van de Sociëteit. In 1833 schreef Roothaan een belangrijke brief over de missionaire dimensie van de Sociëteit. De gevolgen bleven niet uit. De missionerende kracht van de orde was nooit eerder zo groot geweest. Jezuïeten werden naar alle continenten gezonden. Op het einde van het generalaat van Roothaan waren er ongeveer 5200 jezuïeten over de wereld verspreid. Het aantal huizen steeg van 199 tot 1014. Pater Roothaan wilde voorkomen dat de missionarissen, meestal Europeanen, hun cultuur zouden opleggen aan de inheemse bevolking. Daarom stuurde hij erop aan seminaries op te richten om een inlandse clerus te vormen. Zo werden er seminaries gesticht in China (1843), in Albanië (1843), in India (1844), in Syrië (1845). De missionaire expansie van de Sociëteit zal zich ook in de tweede helft van de negentiende eeuw verder ontwikkelen. Met de jaren nam ook de moeilijkheid toe zich onafhankelijk op te stellen tegenover de Westerse mogendheden, die in vele overzeese gebieden hun macht hadden uitgebreid.

Een tweede kenmerk van het generalaat van Jan Roothaan was de zorg die besteed werd aan de spiritualiteit van de orde. In 1834 schreef hij een brief waarin hij de Geestelijke Oefeningen als fundament voor het spirituele leven van de jezuïet beschreef. Hij publiceerde een letterlijke  vertaling in het Latijn van de Spaanse autograaf van de Oefeningen alsook een commentaar op de Oefeningen. Uiteraard vindt men in dit commentaar niet precies wat hedendaagse auteurs over de Oefeningen schrijven, maar het valt niet te loochenen dat Roothaans geschriften over de Geestelijke Oefeningen het spirituele leven in de Sociëteit sterk bepaald hebben – tot in het midden van de twintigste eeuw. In 1830 had hij een brief geschreven aan alle leden van de Sociëteit over De liefde tot onze Sociëteit en haar Instituut.

Een derde belangrijk aandachtspunt van Roothaan was het apostolaat van het onderwijs. In 1832 verscheen een nieuwe versie van de Ratio studiorum, het programma van de opleiding in de studiehuizen van de jezuïeten. Wat de theologie betreft voegde de nieuwe Ratio zowel kerkgeschiedenis als kerkelijk recht aan het programma toe. Wat de filosofie betreft versterkte Roothaan de rol van wiskunde, fysica en scheikunde, waarmee hij aansloot bij de traditie van het Romeins College. Ook geschiedenis en aardrijkskunde kwamen op het programma. De landstaal kreeg een groter gewicht. De Ratio studiorum van 1832 werd in de jezuïetenfaculteiten filosofie en theologie tot in het begin van de tweede helft van de twintigste eeuw nog altijd grotendeels gevolgd.

Tijdens al die jaren was Roothaan ook een groot promotor van de volksmissies en van het Apostolaat van het gebed, dat tijdens zijn generalaat begonnen werd. Maar onder deze generaal kenden de jezuïeten ook vervolgingen, zoals in Portugal (1835), in Spanje (1834-1835), in Beieren en Frankrijk (1845) en in Zwitserland (1847). In 1848 verliet Roothaan op aanraden van de paus Rome in het geheim, wat hem de kans gaf om de jezuïeten in Frankrijk, België, Nederland, Duitsland, Engeland en Ierland te bezoeken. Tenslotte nog dit: het is tijdens het pontificaat van Gregorius XVI (1831-1846) dat de Romeinen de generaal van de jezuïeten de „zwarte paus“ gingen noemen vanwege de hoge frequentie van de contacten van Roothaan met de paus.

 Het generalaat van Pieter Jan Beckx  (1853-1887)

Jan Roothaan, die zijn krachten voelde afnemen, riep in een brief van 4 januari 1853 een Algemene Congregatie samen op 21 juni. Hij stierf op 8 mei. Op 2 juli 1853 werd pater Pieter Jan Beckx, afkomstig uit Zichem, tot generaal verkozen in de eerste stemronde. Hij bestuurde de Sociëteit in moeilijke jaren, waarin vervolgingen elkaar opvolgden. Tussen 1854 en 1880 werden de jezuïeten verbannen uit Spanje, uit Napels en Sicilië, Centraal-Italië, Duitsland, Rome en Frankrijk. Dit belette niet dat het aantal jezuïeten bleef stijgen: van 5209 in 1854 tot 12.070 in 1887. Het bestuur van Pieter Jan Beckx overtrof in lengte (34 jaar) dat van Roothaan (24 jaar). Zijn bestuur werd gekarakteriseerd als voorzichtig en tegelijk doortastend. Bij belangrijke beslissingen nam hij de tijd om te luisteren, te wikken en te wegen, maar wanneer eenmaal de beslissing genomen was, wist hij die ook volhardend ten uitvoer te brengen. Tijdens zijn generalaat nam de missionaire expansie, begonnen tijdens het vorige generalaat, nog toe dankzij het grote aantal roepingen en missieroepingen, maar ook dankzij de grote emigratiegolven vanuit Europa. In deze periode ontstonden verschillende jezuïetentijdschriften: The Month in Engeland,  Etudes in Frankrijk, Stimmen aus Maria-Laach in Duitsland, het Nederlandse Studiën, The Irish Monthly in Ierland, Analecta Bollandiana in Brussel. De Civiltà Cattolica in Rome was begonnen in 1850 met de steun van Pius IX, maar met weinig enthousiasme van pater generaal Roothaan. Dit Romeinse tijdschrift – dat ook nu nog twee keer per maand verschijnt – werd onder het generalaat van Pieter Jan Beckx zowat het officieuze blad van het Vaticaan. Verder kan nog vermeld worden dat onder deze generaal Jan Berchmans (1865) en Pierre Favre (1872) zalig verklaard werden.

Het was een tijd waarin het ultramontanisme, dat het gezag van de paus over de politieke macht verdedigde, ten strijde trok tegen het opkomende liberalisme. De kerk werd ervan verdacht te willen terugkeren naar een klerikale theocratie, waarin God over alles en allen heerst. De stellingname van de Civiltà Cattolica – soms met artikelen door Pius IX zelf onder een pseudoniem geschreven – wekte de indruk dat de jezuïeten het standpunt van de kerk door dik en dun verdedigden. De gevolgen bleven niet uit: de generaal overste van de jezuïeten mocht niet langer zijn curie in Rome hebben, in Duitsland werd hun vrijheid sterk beperkt, in Frankrijk werden de jezuïeten verbannen. De curievan de generaal vond een onderdak in Fiesole bij Firenze, wat een niet zeer centrale plaats was voor het hoofdkwartier… Pieter Jan Beckx bleef bij dit alles sereen en tegelijk moedig. Hij kon de geesten tot rust brengen, hij vroeg soms om te zwijgen, maar nooit zou hij een medebroeder die wegens zijn stellingname aangevallen werd, terechtwijzen. Op het eerste Vaticaans Concilie in 1870 – het concilie dat de onfeilbaarheid van de paus tot dogma verklaarde – waren zeven jezuïeten-bisschoppen aanwezig. Ook generaal Beckx was aanwezig met als persoonlijke theologische raadgever pater Victor De Buck van de Bollandisten in Brussel.  “Als hij tussenkwam, was het nooit omwille van de lieve vrede”, aldus pater Silveer De Smet in het Diccionario histórico de la Compañía de Jesús (II, p. 1673). We vermelden nog dat bij het begin van het generalaat van Beckx in 1854 Pius IX de Onbevlekte Ontvangenis van Maria tot dogma verklaarde. Dit dogma en dat van de onfeilbaarheid van de paus vermeldde de generaal in zijn officiële brieven slechts tweemaal. Op dit vlak bleef hij voorzichtig en wilde hij geen koren op de molen van de tegenstanders van de Sociëteit gooien. Op 1 januari 1872 had hij alle provincies van de Sociëteit aan het Heilig Hart toegewijd.

 Het generalaat van Anton Maria Anderledy (1887-1892)

In 1883 had Beckx – toen al ernstig ziek – een Algemene Congregatie samengeroepen om een vicaris-generaal met recht van opvolging te kiezen. De Zwitser Anton Maria Anderledy werd toen gekozen. Anderledy was van 1848 tot 1849 missionaris geweest in de Verenigde Staten van Amerika, om er de Europese migranten te helpen. Van 1850 tot 1851 deed hij zijn tertiaat in Drongen. Hij werd vervolgens volksmissionaris en later overste, onder meer provinciaal van de Duitse provincie (1859-1865). Toen Pieter Jan Beckx stierf op 4 maart 1887, werd Anton Maria Anderledy automatisch generaal. Zijn generalaat duurde slechts vijf jaar. De jezuïetencurie was nog steeds in Fiesole. Tijdens dit generalaat werd Jan Berchmans heilig verklaard (1888). Het aantal jezuïeten steeg van 12.070 in 1887 tot 13.275 in 1892.

De missionaire expansie bleef onverminderd voortgaan. Nieuwe missies werden opgericht. Opvallend is hoe de jezuïeten in vele missiegebieden scholen, universiteiten en eigen studiehuizen openden. De Sociëteit werd meer en meer universeel, met roepingen uit de vijf continenten. Pater Anderledy bevorderde de wetenschappelijk vorming van jonge jezuïeten en vroeg om een stipte naleving van de Constituties en de Regels van de Sociëteit.

De verbanning naar Fiesole was uiteraard geen grote hulp voor het bestuur van de steeds groeiende internationale Sociëteit. Maar ook de verbanning van de studiehuizen en van de colleges vanuit Frankrijk en Italië naar het buitenland was een pijnlijke en moeilijke operatie. Die penibele situatie in verschillende landen van Europa was echter ook een kans om jezuïeten naar missiegebieden te sturen.

Het opvallendste aan dit korte generalaat was wellicht de absolute trouw van Anderledy aan de paus. In een publiek schrijven gericht tot Leo XIII nam hij de verdediging van de paus op tegen een aantal Franse publicaties waarin de paus werd aangevallen. Niet iedereen was daar gelukkig mee.

 Een Sociëteit die niet alleen kwantitatief groeit

Dit overzicht, ook al blijft het uiteraard summier, laat enkele sterke punten zien van de Sociëteit tijdens de negentiende eeuw. Opvallend is de enorme missionaire expansie. De Sociëteit doet haar roeping als missieorde alle eer aan. Een ander kenmerk is de aandacht voor de spiritualiteit van de orde en voor de spirituele kwaliteit van haar leden, jong en oud. Het apostolaat van de colleges blijft een belangrijk jezuïetenwerk, niet meer alleen in Europa, maar overal ter wereld waar jezuïeten zich vestigen. De trouw aan de paus en de kerk, ook al is dit een oorzaak van veel politieke tegenkanting, komt versterkt uit de woelige jaren van de negentiende eeuw.

Dit is het laatste van drie artikelen die Mark Rotsaert schreef in het kader van het jubileumjaar 2014 naar aanleiding van tweehonderd jaar herstel van de Sociëteit.  De twee andere kon u lezen in Cardoner 2012/2 en 2013/3.  De auteur put uit de overvloed van gegevens verzameld door pater Miguel Coll S.J., jonge professor kerkgeschiedenis aan de Gregoriaanse Universiteit te Rome en gespecialiseerd in de negentiende eeuw. Verder werd dankbaar gebruik gemaakt van het Diccionario histórico de la Compañía de Jesús, biográfico-temático (Roma-Madrid, 2001).

 

 

Print Friendly, PDF & Email