Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Ignatiaanse spiritualiteit / Vastberaden vriendelijkheid – Ignatiaanse spiritualiteit voor verzorgers

Vastberaden vriendelijkheid – Ignatiaanse spiritualiteit voor verzorgers

Redactie Cardoner on 15/12/2015 - 9:26 am in Ignatiaanse spiritualiteit

door Kathleen R. Fischer.

Een dochter verlaat haar werk om haar vader op leeftijd naar een afspraak bij de cardioloog te brengen, een moeder tilt haar op het slagveld door granaatscherven verwonde zoon in zijn rolstoel, een echtgenoot staat naast zijn door Alzheimer in haar geheugen aangetaste vrouw. Het gebeurt nu, ergens op onze planeet. Of zij deze rol nu vrijwillig omarmen of eerder met tegenzin reageren op bepaalde omstandigheden, miljoenen mensen zorgen op een gegeven moment voor gezinsleden, buren of vrienden die op een of andere manier getroffen zijn door gebrek of ziekte. Deze zorg kan maanden- of jarenlang duren, kan meer gaan gelijken op een marathon dan op een sprint en ieder aspect van iemands leven gaan bepalen. In de komende tientallen jaren zal deze toch al grote groep van vrijwillige verzorgers alleen nog maar toenemen. Omdat in veel landen over de hele wereld de mensen steeds ouder worden, zal het aantal ouderen twee keer zo snel toenemen als de bevolking in haar geheel en veel ouderen zullen op een bepaald moment in hun leven gaan rekenen op de zorg van gezinsleden en vrienden.

Zorgverlening is een dienst van trouwe vriendelijkheid, die zowel uitputtend als vervullend is, die zwaar kan vallen, maar ook zeer verrijkend kan zijn. Om gehoor te kunnen geven aan soms overweldigende omstandigheden, of zelfs daarin een weg te vinden naar persoonlijke heiliging, hebben verzorgenden solide geestelijke bronnen nodig. Gedurende zes jaar probeerde ik tegemoet te komen aan de verlangens van mijn broer, die streed met de ziekte van Kahler en met de longkanker waar hij uiteindelijk aan bezweek. Professionelen uit verschillende werkgebieden hebben mij geleerd hoe dit te doen en tegelijk ook voor mezelf te zorgen. Hun praktische raadgevingen kwamen mij goed van pas, maar waar ik het meest naar zocht was een geestelijke grondslag om mij te versterken en te verlichten. Veel zorgverlenenden hebben een vergelijkbare behoefte aan geestelijke ondersteuning samen met een verlangen dat hun ervaringen meer rechtstreeks worden aangesproken in preken, retraites en workshops.

Ignatiaanse spiritualiteit is een waardevolle bron voor de grote en in omvang toenemende groep van verzorgenden. In dit artikel wil ik vijf ignatiaanse thema’s behandelen die licht werpen op zowel de uitdagingen als de gaven van zorgverlening: vertrouwen dat God overal gevonden kan worden; beslissingen kunnen worden genomen op grond van zowel verstand als gevoel; bekoringen van goede mensen dienen goed ingeschat te worden; verhalen over genezing en hoop beleven; terugkijken op de afgelopen dag.

Vertrouwen dat God overal gevonden kan worden

Het geloof dat God aanwezig is in heel de schepping ligt verankerd in de ignatiaanse spiritualiteit. In een brief aan de Portugese jezuïet Antonio Brandão merkte Ignatius op dat de jonge jezuïeten binnenkort na het beëindigen van hun studies niet meer zoveel tijd vrij zouden kunnen maken voor lange meditaties. Echter, zij konden zich oefenen in het vinden van Gods aanwezigheid in alles, in “hun omgang met anderen, hun lopen, kijken, smaken, luisteren, begrijpen”. Bovendien, zo merkte hij op, zou deze oefening “God dichtbij brengen zelfs in korte gebeden”. Deze opmerkingen van Ignatius geven moed aan verzorgenden die in hun dagprogramma’s ook maar weinig ruimte kunnen maken voor formeel gebed.

Wat een verschil maakt het als een verzorgende zich kan beroepen op de ervaring dat God overal en altijd aanwezig is, dat wij in Hem “leven, bewegen en zijn” (Hnd 17,28). Het geven van zorg omvat allerlei alledaagse taken: winkelen, koken, om medicijnen gaan. Als verzorgers besteden we aandacht aan anderen op de meest onromantische en veeleisende momenten van het leven. Elke dag zijn we bezig met zaken die onbelangrijk lijken, wanneer we ze vergelijken met prijzenswaardige openbare ambten of heldhaftige inspanningen voor vrede en gerechtigheid. De ignatiaanse spiritualiteit onderstreept echter het belang van al deze kleine daden van vriendelijkheid door al het menselijke handelen te funderen op de realiteit van de Menswording. Omdat God in alles aanwezig is, hoeven we urinalen en pillendoosjes niet achter te laten om God te kunnen dienen.

Door de Menswording kunnen we inzien dat het met liefde verrichten van zulke onbelangrijke handelingen iets van God laat zien. De overtuiging dat het hele leven vol is van Gods genade geeft ons ook een achtergrond waartegen we het best mogelijke gebed kunnen ontdekken onder de vaak onmogelijke werkdruk in de zorg. Ignatius’ visie verzekert ons dat wij verenigd kunnen zijn met God in korte gebeden midden in onze activiteiten – woorden van dankbaarheid voor ondervonden goedheid, een roep om hulp, een geliefde psalm. Zorgverlenenden leren te bidden zonder ophouden met zulke korte en eenvoudige gebeden.

De erkenning dat God overal en altijd aanwezig is maakt ons er niet alleen meer bewust van hoe wij kunnen geven, maar ook hoe wij kunnen ontvangen als we zorgen voor een ander. Tegenwoordig wordt in discussies over zorg de wederzijdsheid benadrukt. De genade beweegt heen en weer tussen zorgverlener en zorgontvanger. Op een ochtend bezochten mijn man en ik mijn broer in het hospice waar hij zijn laatste weken doorbracht. We gingen samen naar de kapel en keken uit over het landschap van rododendrons en wilgen achter de ramen. Mijn broer zei toen: “God heeft mij tot hier gebracht en ik weet dat Hij met mij zal zijn tot het einde. Ik heb Hem gezien in de mensen die mij verzorgen.” Hoewel hij niet het type was dat snel sprak in religieuze termen, noemde hij zijn ervaring genade. Wij bedankten hem op onze beurt voor alles wat hij ons had gegeven gedurende zijn gevecht met kanker: zijn getuigenis van moed te midden van zoveel pijn en lijden, de geleidelijke aanvaarding van afhankelijkheid na een leven vol zorg voor anderen en de humor waarmee hij zelfs de donkerste dagen verlichtte.

In een wereld waarin belangrijkheid gelijkgesteld wordt met beroemdheid en succes, schijnen verborgen daden van liefde uitgedrukt in zorg voor het lichaam weinig betekenis te hebben, maar ze hebben wel een grotere kracht. Zorgzaamheid openbaart niet alleen, maar versterkt ook onze wezenlijke wederzijdse afhankelijkheid. Zij onderstreept de waarheid dat wij leven in een radicaal relationeel universum. De eigentijdse wetenschap geeft steeds meer inzicht in het universum waarin God dynamisch tegenwoordig is. Zo laat ze ook zien hoe de roeping tot zorgverlening de wereld niet minder omvormt dan meer publieke daden. De gehele kosmos, zoals wij die nu begrijpen, is een levend netwerk waarin alles beïnvloedt en beïnvloed wordt door al het andere. Niets is geïsoleerd. Theologe Catherine Keller zegt het als volgt:

Wij zijn met elkaar verbonden, of wij het willen of niet. Dat is altijd zo geweest, maar in deze eeuw wordt dat steeds duidelijker. Ten goede of ten kwade, geen schepsel, zelfs niet een kluizenaar in de Himalaya of een zuurstofmolecule een mijl boven zijn hoofd, wordt niet geraakt door het hele levensproces van de planeet.

Zelfs onze minste daden doen de liefde in de wereld toenemen, óf bekrachtigen de macht van het kwaad in steeds verder uitdijende cirkels. De “kleine weg” van de heilige Theresia van Lisieux was een erkenning van deze waarheid; ze voedde ook de visie van Dorothy Day, medeoprichtster van de beweging The Catholic Worker: elke daad van liefde, hoe klein of onopgemerkt ook, draagt bij tot de liefde in het universum, gaat nooit verloren, is nooit vergeefs.

Beslissingen nemen met verstand en gevoel

Verzorgers komen vaak in situaties terecht waarin moeilijke beslissingen genomen moeten worden. Zeer gecompliceerde kwesties gaan samen met alledaagse keuzes: Kunnen we doorgaan met thuiszorg, of moeten we uitzien naar een andere woonsituatie? Doen we mee met een nieuwe behandelmethode die het leven een paar maanden kan verlengen, maar ook gevaarlijke neveneffecten heeft? Moeten we iemand hoop geven, of helpen de dood te aanvaarden? Is de tijd gekomen om de behandeling te staken? Onderscheiding vormt een altijd doorgaand proces.

Na zijn vrouw meer dan tien jaar verzorgd te hebben en nu hij haar vergezelt in haar laatste dagen, zegt een vriend dat hij elke dag bidt voor de verzorgers, omdat hij uit ervaring weet wat van hen gevraagd wordt. Gedurende die jaren van zorg bad hij vaak: “Toon mij uw weg, Heer, en geef mij de kracht om die te volgen.” Dit gebed klonk in mij na toen wij in onze familie spraken over de behandeling bij mijn zus van een agressieve en zeer resistente tumor. Een experimentele ingreep beloofde enige hoop en we hielpen haar bij het maken van de afwegingen die uiteindelijk leidden tot het laten doorgaan van de operatie. Hoewel ze plaatsvonden in de context van gebed, was het toch een hartverscheurend onderscheidingsproces voor ieder die eraan deelnam.

Zelfs voor verzorgenden die hun beslissingen willen laten bepalen door Gods verlangen, kunnen richtlijnen voor onderscheiding ingewikkeld klinken: nóg een reeks instructies naast de last die al op onze schouders ligt. Toch is onderscheiding inherent aan verzorging en is zij uiteindelijk bedoeld om ons te helpen luisteren naar wat wij weten en voelen en deze informatie te verwerken in Gods tegenwoordigheid. In The Discerning Heart tonen Wilkie en Noreen Cannon Au aan hoe onderscheiding een manier is om innerlijke vrede te vinden door onszelf te voegen naar Gods verlangen. Begrepen in deze zin is onderscheiding voor christelijke verzorgers wat zij het meest wensen: een weg die helpt de evangelische waarden te beleven. Onderscheiding, een gave van de Geest, verlost ons van de last van het helemaal alleen moeten vinden van de juiste weg op verraderlijk terrein.

Een belangrijke kracht van de Geestelijke Oefeningen is de manier waarop zij rede en emotie bij elkaar brengen in het proces van onderscheiding. Deze integrale benadering is van levensbelang, omdat beslissingen nemen bij zorgverstrekking meer inhoudt dan het analyseren van ingewikkelde informatie – het brengt ook intense gevoelens met zich mee. Verzorgers zijn soms geneigd om allereerst op rationele argumenten te vertrouwen en zijn vaak heel bekwaam in het voorbijgaan aan hun diepere gevoelens van woede, afkeer, droefheid of angst bij het afwegen van voor en tegen van een bepaalde behandeling. Soms zien ze emoties zelfs als een hindernis om tot een helder oordeel te komen. Toch komt in de literatuur over verzorging geen onderwerp zo vaak voor als emoties; deze geschriften staan bol van raadgevingen hoe emoties te herkennen en wat ermee te doen.

Ziekte maakt ons niet noodzakelijk mooi of goed; ziekte is een enorme belasting van onze geestelijke bronnen. En dit schept op zijn beurt uitdagingen voor hen die voor ons proberen te zorgen. Verzorgers doen hun uiterste best om hun emoties onder controle te houden en hun ongeduld en bezorgdheid te bedwingen. Een van de grote gaven van de ignatiaanse spiritualiteit is dat zij emotionele wijsheid een plaats geeft, dat zij de vrijheid laat, en zelfs stimuleert, om gevoelens naar boven te laten komen en deze te laten spreken, waardoor we belangrijke informatie krijgen en tevens de bevestiging van onze keuzes. Wanneer besluitvorming van groot belang is of ingewikkeld wordt, zoeken verzorgenden instinctief naar hulp van vrienden, familie of een geestelijk begeleider; ze zijn op zoek naar een context van gemeenschap voor hun onderscheiding. Het kan ook helpen voor verzorgenden om zich te realiseren dat, aangezien ignatiaanse vertroosting en troosteloosheid allereerst van doen hebben met onze relatie met God, de diepere vrede die een goed onderscheiden beslissing met zich meebrengt, kan samengaan met pijn en lijden.

Emotionele wijsheid is van overheersend belang wanneer wij meeleven met het lijden van anderen. Het zijn niet de fysieke zorgtaken die ons het meest uitputten, maar eerder het hulpeloos moeten toezien hoe een geliefde vecht met pijn, afhankelijkheid, angst en wanhoop. Aangezien medeleven een intrinsiek aspect is van zorg voor anderen, kunnen we verwachten diepe smart te voelen wanneer we een briljante vader veel moeite zien doen om weer te lopen en te lezen na een beroerte, of wanneer wij de ziekte van Hodgkin lichaam en geest van een vriend verraderlijk zien verwoesten. Zoals een man opmerkte nadat de ziekte van zijn vrouw voor altijd haar persoonlijkheid had veranderd: “Het is vooral moeilijk wanneer de persoon die je verzorgt, niet meer de persoon is die je gekend hebt.” Waar is God in de duisternis van deze ziekte, in deze moeizame poging om te leven met een steeds meer verzwakkende ziekte? Het lijden dat verzorgenden meemaken wordt diep in hun hart en geest geschroeid en verdriet wordt een blijvende toestand.

Ignatiaanse onderscheiding is gegrondvest zowel in een levende relatie met God als in het paasmysterie (GO 296-312). Ook al kun je niet ontsnappen aan lijden en smart, je staat er niet alleen voor. Wij hebben een metgezel in deze duistere ervaringen, Iemand die ons is voorgegaan en die de belofte gedaan heeft van een leven als verrezene. De paradox van het evangelie zegt ons dat leven voortkomt uit dood, dat wij in het doorleven van zwakheid en sterfelijkheid worden omgevormd tot nieuwe mensen. Deze christelijke geloofsovertuigingen met hun mysterieus naast elkaar bestaan van angst en hoop, staan in het centrum van de ignatiaanse spiritualiteit en leggen het fundament voor onderscheiding op de tocht van de zorgverlening.

De bekoringen van goede mensen doorzien

De ignatiaanse traditie benoemt ook een kwestie die bijzonder relevant is voor zorggevenden: de bekoringen die goede mensen kunnen hebben. De betekenis daarvan werd mij duidelijk in het verhaal van een vrouw die naar mij toekwam voor geestelijke begeleiding. Zij kwam uitgeput en ernstig verward bij mij aan. Hoewel ze maar net een volledige baan en de opvoeding van twee kinderen kon hanteren, moest ze nu ook nog zorg dragen voor haar man, die bij een ongeluk gewond was geraakt. Vrienden drongen erop aan dat zij hulp zou zoeken, of tenminste enkele ogenblikken per dag voor zichzelf opzij zou zetten. Maar de gedachte daaraan riep diepe schuldgevoelens in haar op. Al die mensen hadden haar nodig, hoe kon ze hen in de steek laten? En welk moment van de dag moest ze dan wel voor zichzelf vrijmaken?

Terwijl ze met deze vragen worstelde, werd zij geholpen door inzichten met betrekking tot het verschil tussen gevoelens die van de boze geest en gevoelens die van de goede geest komen. In zijn Geestelijke Oefeningen merkt Ignatius op dat terwijl slechte mensen bekoord worden door wat moreel slecht is, goede mensen eerder beproefd worden door wat hen moreel goed lijkt (GO 314-315, 332-333). Omdat zij minder gevoelig zijn voor de bekoring tot het kwade, probeert de boze geest hen voor zich te winnen door hun goedheid. Op die manier kan de boze geest, in de gestalte van de goede geest, een verzorgster aanmoedigen tot meer zelfopoffering. Zij begint zich de rol van God aan te meten door te denken dat alles van haar afhangt. Ze vraagt alleen met grote tegenzin hulp, ook al adviseert iedereen haar dat te doen. Ze vindt er voldoening in alles zelf te doen en verlangt dat anderen haar daarin bevestigen. Al heel gauw worstelt ze met depressie, weerzin en boosheid. Toen deze vrouw in de gaten begon te krijgen welke geest haar zoveel last bezorgde, realiseerde ze zich dat ze vrede en vreugde kon ervaren, zelfs wanneer ze de moeilijke taken die op haar pad kwamen op zich nam. Wat goed leek was in feite de bekoring die veel edelmoedige zielen in de war brengt.

In 2010 publiceerde de Amerikaanse theologe Rosemary Radford Ruether het verhaal van haar enige zoon David, die aan paranoïde schizofrenie lijdt. Het boek met de titel Many Forms of Madness: A Family’s Struggle with Mental Illness and the Mental Health System werd geschreven met medewerking van David en bevat ook zijn gedichten. Ruether beschrijft de eindeloze crises en haar vaak vruchteloos zoeken naar hulp, maar ook hoe zij geleidelijk aan de zorg voor David een deel van haar eigen carrière liet worden. Hoewel het boek geen theologische verhandeling is, geeft Ruether in het laatste hoofdstuk geestelijke raad met betrekking tot wat zij “genade en beperkingen” noemt. Genade verwijst naar de onwrikbare verplichtingen die geliefden op zich nemen voor geesteszieken, de belofte die zij doen er voor hen te zijn tot het eind van hun leven. Maar deze belofte wordt in evenwicht gehouden door het bewustzijn dat “onvoorwaardelijke aanwezigheid beleefd moet worden onder beperkende omstandigheden”. Er zijn beperkingen in wat mensen kunnen doen voor elkaar, zelfs voor hun eigen kinderen. Dit moeilijke evenwicht tussen onvoorwaardelijke liefde en begrenzende omstandigheden moet elke dag weer bepaald worden wanneer men voor iemand met een geestesziekte zorgt. Dit is de spagaat die veel verzorgenden proberen te maken.

Verhalen van genezing en hoop mee beleven

Hoe moeten wij bidden als we zorgen voor hen die ziek of zwak zijn? Verzorgers zeggen dat hun gebed vaak neerkomt op het herhalen van: “God, help me!” Hoewel dit altijd een onderliggend thema blijft, verlangen zij toch ook naar andere vormen van gebed die eenvoudig genoeg zijn om in een druk leven te kunnen worden opgenomen, met inbegrip van gebeden die ze kunnen delen met degenen die zorg van hen ontvangen. Het bidden met de verbeelding dat Ignatius voorstelt, beantwoordt hieraan. Het is een nieuwe manier om zich te richten op de verhalen van het Nieuwe Testament over hoop en genezing, die onze manier van waarnemen en onze persoon diepgaand kan beïnvloeden.

Zoals degenen die bekend zijn met de Geestelijke Oefeningen weten, geloofde Ignatius in de kracht van individuele beelden. Hij zag ieder aspect van een evangelieverhaal als object van contemplatie: Jezus’ doop, zijn bekoringen, de roeping van de apostelen, het wonder van Kana, het bedaren van de storm op het meer. Hij nodigt ons uit om ons een scène uit het evangelie in detail voor te stellen en met al onze zintuigen in ons op te nemen. In verbeelding moeten we luisteren, zien, smaken en aanraken wat plaats vindt in een bepaald christelijk mysterie (GO 121-126). Beeldende contemplatie van een verhaal maakt ons van waarnemers tot deelnemers. Wanneer we zover zijn, praten we met Jezus over alles wat ons raakt en beweegt.

Omdat onze verbeelding de eigenschap heeft verschillende zaken te combineren, gaan we vaak vanzelf van het evangelieverhaal naar ons eigen leven, van een beschouwing van de bekoringen van Jezus naar onze eigen bekoringen, van het kalmeren van de golven door Jezus naar het verlangen dat Hij de golven in ons kalmeert. Een dergelijk gebed activeert onze gevoelens en opent ons voor een persoonlijke ervaring van Gods genade. Bovendien verenigt onze verbeelding verleden, heden en toekomst op zo’n manier dat, hoewel ingaan op deze evangelieverhalen een beweging naar het verleden lijkt, we op paradoxale wijze in het heden blijven. God ontmoet ons daar waar wij zijn. Voor zorgenden kan het gebed dat uit deze beschouwingen voortvloeit een stem geven aan de verwarring, smart, vrede of liefde die zij voelen. Het geeft toegang niet alleen tot gemeenschappelijk, maar ook tot persoonlijk gebed en stelt zowel verzorgers als verzorgden in staat om uitdrukking te geven aan de gebeden en bespiegelingen die de passage uit het evangelie opgeroepen heeft.

Vooral de verhalen uit het Nieuwe Testament over Jezus’ genezingen – omdat hierin sprake is van de lichamelijke details die zo belangrijk zijn bij ziekte – worden woningen van gebed waarin het goed toeven is. Verzorgenden houden zich bezig met de intiemste vormen van zorg, daarom helpt het te zien dat voor Jezus aanraking vaak de eerste of de belangrijkste verbinding uitdrukt. Zo vinden we in Lucas 8,40-48 het verhaal van een vrouw die twaalf jaar ziek geweest was en, terwijl zij in behandeling was bij verschillende artsen, er zowel financieel als fysiek alleen maar op achteruit gegaan was. Na ons gemengd te hebben onder de menigte om haar heen, voelen we Jezus’ medelijden en zijn we geneigd net als de zieke vrouw de zoom van zijn kleed aan te raken. We ontdekken geestelijke kracht in die verbinding en wanneer Jezus vraagt: “Wie heeft mij aangeraakt?”, staan we op om met Hem te spreken en te vertellen wat er leeft in ons hart. Daarna luisteren we naar wat Hij ons te zeggen heeft of blijven alleen maar stil in zijn aanwezigheid.

Bidden met de verbeelding berust op de zekerheid dat God ons tegemoetkomt in het particuliere en het gewone, want dit zijn tempels van het heilige. Bij een workshop die ik ooit gaf over spiritualiteit voor verzorgers, gaf een vrouw het volgende commentaar: “Wanneer ik een Bijbelverhaal kan binnenstappen, dan herinner ik mij niet alleen maar een Bijbelpassage, ik leef er ook achteraf in. Het speelt voortdurend door mijn hoofd.” Ze vervolgde met te zeggen dat deze oefening haar in tijden van wanhoop omhoogtilde en haar in staat stelde om gelukkig te zijn ondanks de tragische omstandigheden van de levenslange zorg voor een dochter met een ernstige handicap.

Terugkijken op de dag

Een vrouw die probeert evenwichtig om te gaan met verscheidene zorgtaken, zegt dat zij vreugde kent wanneer haar moeder blij naar haar glimlacht, maar ook dat zij soms volledig kapot is en niet weet hoe ze de volgende verplichting tot een goed einde zal brengen. Verzorgenden kunnen zich aan het eind van de dag ontmoedigd en uitgeput voelen: onafgewerkte klussen, onopgeloste problemen, geloof en hoop op een absoluut dieptepunt. Te midden van al die scherven, soms zo hard als graniet, kan een verzorger zich afvragen: “Hoe verder?”

 

Op zulke momenten is het ignatiaanse onderzoek (GO 43) een ideaal gebed. Kort, maar goed gestructureerd geeft het de mogelijkheid om de indrukken van de dag te verzamelen en ze aan Gods genade voor te leggen. Hoewel de vorm kan verschillen en aangepast kan worden aan de omstandigheden, komen de voornaamste elementen van het onderzoek goed overeen met de behoeften van de verzorger: zich bewust maken van Gods tegenwoordigheid; dankbaarheid; stilstaan bij de gebeurtenissen van de dag en de innerlijke bewegingen die zij veroorzaakten; de bereidheid om vergiffenis te ontvangen; een hoopvolle blik op de toekomst en een afsluitend gebed.

Ignatius stelt voor dat we bij de aanvang van deze terugblik ons God voorstellen terwijl Hij naar ons kijkt met een blik vol liefde en met een groot verlangen met ons in relatie te treden. Dit herinnert ons er constant aan dat God wil dat wij voor onszelf zorgen en het geluk vinden dat voor ons is weggelegd. Het brengt onze tekortkomingen als verzorgende binnen het gezichtsveld van een liefhebbende God. Het binnentreden in de omarming van dit goddelijke medelijden is fundamenteel, omdat verzorgers hun inspanningen vaak als ontoereikend beschouwen en spijt hebben van elk moment van ongeduld en boosheid.

Een zorgverlener ervaart vaak tegenstrijdige gevoelens. Een vriend die jarenlang zijn eigen plannen opzij had gezet om een collega bij te staan die stervende was aan ALS, zei: “Soms wens ik dat het voorbij was, en dan voel ik me schuldig over zulke gedachten. Op andere momenten vrees ik de dag dat het over zal zijn en ik overweldigd zal zijn door verdriet.” Het ignatiaanse zelfonderzoek kan een veilige haven zijn waarin zulke gevoelens kunnen worden erkend en naar juiste waarde geschat.

De gerichtheid van het onderzoek op dankbaarheid moedigt ons aan om zowel de gaven als de uitdagingen van het verzorgen te benoemen. Soms zijn we eenvoudig dankbaar dat we de kracht vonden om het de hele dag vol te houden. Misschien zijn we veranderd in positieve zin door onze inspanningen tot vriendelijkheid. We worden er ons van bewust dat we in het helpen van iemand een doel en een betekenis hebben gevonden, dat we iemand van wie we houden beter hebben leren kennen en de vertrouwelijkheid is gegroeid, van verrassende ogenblikken van vergeving en verzoening of van de inspiratie die we uit de moed en weerbaarheid van de ander putten. Of we kunnen dankzeggen voor de manier waarop genezing plaatsvond ondanks onze gebrekkige inspanningen. De hoofdfiguur in Georges Bernanos’ roman Het dagboek van een dorpspastoor legde deze ervaring als volgt vast toen hij had ervaren dat hij vrede kon schenken aan een stervende parochiaan: “O wonder – om zo in staat te zijn te geven wat we niet uit ons zelf bezitten, heerlijk wonder van onze lege handen. De hoop die verdroogde in mijn eigen hart, bloeide op in het hare.”

Tenslotte nodigt deze rustpauze aan het eind van de dag ons uit om ons opnieuw in herinnering te brengen dat God aan het werk is voor ons in heel de schepping. Zo kunnen wij God God laten zijn en het zware gewicht van onze eigen verantwoordelijkheid voor het welzijn van anderen van onze schouders laten glijden. We worden op die manier vrij om te doen wat wij kunnen en al het andere aan zijn goddelijke zorg over te laten (GO 236). Het onderzoek is, evenals de andere thema’s van de ignatiaanse spiritualiteit die we hebben verkend, gebaseerd op het vertrouwen dat wij leven in een goddelijke matrix die ons voedt, ondersteunt en overeind houdt, terwijl wij ons best doen – hoe onvolmaakt ook – in onze zorg voor elkaar. Het is de goddelijke Geest die onze daden van blijvende goedheid inspireert en ondersteunt.

uit: The Way, 53/3 (juli 2014)

vertaling: Ernst Bolsius S.J. en Wiggert Molenaar S.J.

Kathleen R. Fischer werkte meer dan dertig jaar als theologe, geestelijk begeleidster en psychotherapeute in Seattle, Washington, en is momenteel consultante en schrijfster. Zij publiceerde verscheidene artikelen en boeken, waarvan het meest recente is Loving Creation: Christian Spirituality, Earth-Centered and Just (2009).

Print Friendly, PDF & Email