Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Ignatiaanse spiritualiteit / Uit de duisternis, licht

Uit de duisternis, licht

Redactie Cardoner on 28/07/2017 - 3:55 pm in Ignatiaanse spiritualiteit, Jezuïeten - Geschiedenis van de Orde

door Joan Roccasalvo CSJ. 

Een door de Sovjets veroordeelde spion van het Vaticaan is kandidaat-heilige. Walter Ciszek, een Pools-Amerikaanse jezuïet, overleefde in de Sovjet-Unie  de KGB en de goelag. Zr Joan Roccasalvo leerde pater Ciszek na zijn terugkeer naar de Verenigde Staten goed kennen en schrijft over zijn geestelijk leven en zijn worstelen met God.

Op 12 oktober 1963 landde een vliegtuig in de Verenigde Staten, afkomstig uit de Sovjet-Unie, met aan boord de jezuïet pater Walter Ciszek. Op die dag in oktober 1963 werd hij geruild tegen twee Sovjet agenten, een echtpaar dat gespioneerd had in de Verenigde Staten. Hij had 23 jaar doorgebracht in gevangenschap. De rest van zijn leven zou hij met mensen delen wat hij in die jaren geleerd had. Hij stierf tachtig jaar oud op een Mariafeest: 8 december 1984. Het proces voor zijn zaligverklaring is gestart en de kerk heeft Walter Ciszek de titel gegeven van dienaar Gods.

Het levensverhaal van pater Ciszek is bekend door de twee boeken hij schreef: With God in Russia, (Nederlandse vertaling: Met God in Rusland, Utrecht, 1965) en He Leadeth Me (1973). Terugkerende thema’s in artikelen over de jaren in Rusland zijn de eenzame opsluiting, geestelijke en lichamelijke mishandeling, dwangarbeid en het blijven getuigen van het evangelie.

Het begin

Het is moeilijk om iemand te bedenken die minder in aanmerking komt voor een heiligverklaring dan de jonge Walter Ciszek. Hij werd geboren in 1904 als zoon van Poolse immigranten in de Verenigde Staten. Hij was een gespierde, geblokte jonge kerel die van school weg bleef en ruzie zocht met iedereen om zich te bewijzen en om de pesterijen van de grotere jongens te vermijden. Zijn ouders schaamden zich voor hem. Ten einde raad wilde zijn vader hem naar een tuchtschool sturen, maar dat ging uiteindelijk niet door. Hij kwam in plaats daarvan terecht op een door Poolse priesters geleid seminarie, het internaat van Sint Cyril en Methodius in Michigan. Daar ontmoette Walter voor het eerst een jezuïet toen een pater kwam spreken over roeping tot het priesterschap. Hij vroeg om toelating tot de Sociëteit van Jezus, werd aanvaard en trad in bij de jezuïeten in 1928 tegen de uitdrukkelijke wil van zijn vader. Zijn vader was een vrome katholiek maar stond sceptisch tegenover het idee dat zijn onhandelbare zoon deze weg op zou gaan.

In 1929 had Walter als novice antwoord gegeven op de oproep van paus Pius XI die vroeg om priesters voor de missie in Rusland. Dat ging toen niet door omdat hij eerst zijn opleiding moest afmaken.

Ontnuchtering

 De eerste opdracht voor pater Ciszek na zijn studies aan onder meer het Russicum in Rome was in 1938 in Polen: hij werkte eerst als priester en leraar in Albertyn in Polen. Later ging hij als missionaris naar Rusland samen met Poolse vluchtelingen die op zoek waren naar werk. Hij had de naam aangenomen van Vladimir Lypinski, weduwnaar. Hij kwam er al snel achter dat de arbeiders om hem heen niet over godsdienst wilden praten en zelfs niet wilde luisteren naar iemand die het daarover had. Hij kreeg last van zelfmedelijden: “Dit is niet hoe ik het me voorgesteld had. Dit is niet wat ik gekozen heb. Ik wil terug. U, God, kunt me nu niet meer aan mijn belofte houden. Ik had nooit gedacht dat zo zou kunnen zijn. Ik kan er niet meer tegen en ik ben niet van plan om te blijven. Ik ben hier van geen nut.” (He Leadeth Me, p. 40)

Langzaam, heel langzaam aan begon het pater Ciszek te dagen dat de missie die hij dacht dat hij had gekozen niet zijn eigendom was. Hij moest mislukken voordat hij in kon zien dat dit Gods werk was en dat hij gedwee met de Voorzienigheid moest meewerken.

Het wonder van de Russische jaren van Walter Ciszek ligt niet in de vervolging waar hij aan bloot stond, hoewel het lijden het ruwe materiaal vormt van zijn opmerkelijke leven. Het eigenlijke wonder is dat deze kleine man met een ijzeren wil en een stalen gestel door vallen en opstaan en door mislukking moest leren dat we noch onszelf noch anderen kunnen redden op eigen kracht. Het is God die redt: wij mogen een rol spelen bij zijn reddend handelen. Mozes heeft dit moeten leren en andere profeten uit het Oude Testament eveneens. Wanneer alles verloren lijkt grijpt God in om te redden. Na de Russische inval in Polen werd de jonge pater Ciszek in 1941 gearresteerd door de geheime dienst als spion van het Vaticaan.

Lubyanka

In 1942 werd pater Ciszek gebracht naar de beruchte Lubyanka gevangenis, een voormalig  hotel in Moskou dat de gevreesde bestemming was voor veel onschuldige slachtoffers van het Sovjetregime. Vijf jaar lang verbleef hij er in eenzame opsluiting en hij werd er uit elkaar gehaald, stukje voor stukje, zoals een horlogemaker de onderdelen van een Zwitsers horloge één voor één eruit haalt. Hij werd gekooid, alleen in een kamer van twee bij drie meter met een ijzeren bed in de hoek, een deken en een kussen, een parasha – toiletemmer met deksel -, geen tafel, geen stoel, niets om op te zitten. De gevangenen mochten ’s nachts op hun bed liggen, maar brachten de dag door staand, leunend tegen de muur of rusteloos ijsberend tussen de muren. De stilte was oorverdovend. De bewakers droegen in de gangen speciale zachte schoenen zodat de gevangenen ze niet konden horen aankomen.

Het feit dat hij een dagorde had hield hem overeind. Hij begon de dag met de morgenopdracht, waste zich, deed een uur gebed en at dan het magere ontbijt. Uit zijn hoofd zegde hij de woorden op van de liturgie van de eucharistie, maar zonder brood en wijn. Op het middaguur worden in het Kremlin klokken geluid: dat was het moment voor het angelusgebed en het gewetens­onderzoek. Daarna bad hij drie rozenhoedjes: een in het Pools, een in het Engels en de derde in het Russisch. Dan zong hij kerkliederen en kinderliedjes, preekte voor zichzelf, vertelde zichzelf grappen, deed zijn ondervragers en de bewakers na, deed wat gymnastiek en bad voor zijn ondervragers.

Ondervraagd in Lubyanka

De ondervragingen waren onvoorspelbaar, meedogenloos en angstaanjagend; er werden mensen mishandeld. Sessies konden dagen aan een stuk duren, bijna zonder onderbreking. Vaak waren het nachtenlange sessies in het halfduister. Er was een vaste serie vragen: “Je bent een volksmenner, je zet ze op tegen de regering, je geeft godsdienstlessen, je wil de regering omverwerpen, je vertelt niet alles wat je weet.” Ze bekritiseerden de katholieke kerk. Hij brak door de lichamelijke en geestelijke uitputting. En uiteindelijk tekende hij: “Ik nam de pen en tekende mijn schuldbekentenis. Ik verging van schaamte en schuld. God had me in de steek gelaten. Hoe kon God toelaten dat ik zulke leugens had getekend?”(p. 77). Zijn eigen kracht had gefaald. Hij was mislukt. Hij was terug in zijn cel, geschokt, verslagen en hulpeloos. Walter Ciszek besefte dat hij tot dan toe op eigen kracht had vertrouwd. Vijftien jaar dwangarbeid in Siberië was het vonnis.

De genade van de verlichting

Na korte tijd kreeg pater Ciszek de genade van zijn leven: de genade van de verlichting. Wat hij dan opschrijft kan alleen maar gekomen zijn uit het diepst van zijn hart: “Opeens wist ik met een onverwachte en bijna verblindende helderheid en eenvoud dat ik tot dan toe vertrouwd had op mijn eigen wil en verstand – iets dat ik helemaal niet kon en wat ook verkeerd was. De wil van God was niet verborgen buiten mezelf in de in de situaties waar ik mij zelf in aantrof; nee, die situaties zelf waren Gods wil voor mij. Wat God van mij verlangde was dat ik die toestand zou aanvaarden als afkomstig van Hem, dat ik zou leren de teugels los te laten en me helemaal over zou geven aan wat God wilde beschikken. Hij vroeg niets minder dan een totale vertrouwvolle overgave zonder enige terughoudendheid van mijn kant, zonder uitzondering, geen voorbehoud op welke manier dan ook. Hij vroeg een totale zelfgave. Het vroeg een absoluut geloof: geloof in het bestaan van God, in zijn voorzienigheid, in zijn bekommernis om het kleinste detail, geloof in zijn vermogen om me te ondersteunen en geloof in zijn liefdevolle bescherming.”

“Het hield in dat ik de laatste twijfel verloor, de vrees dat God er uiteindelijk niet zal zijn om je op te vangen. Het leek wel wat op de eeuwigheid tussen schrikken en geloven als een kind voor het eerst achterover leunt in het water, alle steun loslaat en merkt dat het water hem inderdaad draagt, en dat je kunt drijven zonder te bewegen en in volledige rust”(p. 77). “Door alles los te laten, door alle zeggenschap over mijn leven en mijn toekomst te laten gaan was ik er ook niet meer verantwoordelijk voor. Ik was niet meer bang of bezorgd, er was geen spanning meer: ik kon me laten meedrijven op het getijde van Gods voorzienigheid met mijn ziel helemaal in vrede”(p. 79-80). Daar was een andere periode aan vooraf gegaan, de fase van uitzuivering, van het aanvaarden van het niet gekozen lijden. Hij had volgehouden bij alle pijnen en had zich vastgeklampt aan de woorden van Jezus: “Ik zal altijd bij je zijn” in goede en in kwade dagen, in dagen van verveling en van opwinding, dagen van pijn en dagen van vreugde. Het “sacrament van het huidige moment” was het enige dat zeker was. De uitzuivering leidde uiteindelijk tot standvastigheid omdat hij toe liet dat Gods macht zijn effect had in hem. Uit het duister kwam licht.

Siberië en de genade van de “Opheffing”

De geestelijke verlichting die hij in Lubyanka had ontvangen, hielp hem in de Siberische werkkampen. Het was een ervaring van totaal verlies van vrijheid, zonder enige rechten en zonder de mogelijkheid van hulp van buiten. Hij werd geplaatst in de zwaarste en laagste werkploeg die het meest smerige werk moest doen in de modder: met blote handen en zonder hulpmiddelen zware bouwmaterialen uitladen en inladen, kruipen in vochtige donkere gangen van nieuwe mijnen – allemaal gevaarlijk werk dat vaak gedaan werd bij temperaturen onder nul. Hij was hulpeloos. In een cel van nog geen tien bij tien meter zaten honderd gevangenen bovenop elkaar. Er was totaal geen privacy. De omstandigheden waren vernederend: de cellen waren smerig, er waren toiletemmers, geen stromend water, weinig frisse lucht, geen schone kleren – het was onmenselijk. Hij was de enige politieke gevangene tussen atheïsten, materialisten, opportunisten – mensen die handelden alsof ze geen geweten hadden. Maar hij begon te zien dat zij ondanks die buitenkant niet anders waren dan andere mensen.

Hij begon anderen te helpen door naar ze te luisteren, te troosten en ze aan te sporen om vol te houden. God wilde dat hij een andere Christus werd voor hen. Zijn situatie ging er niet op vooruit, maar hij kon weer aanvaarden wat God van hem wilde. Tegelijk voelde hij vrede en keerde zijn vertrouwen terug – geen vertrouwen op zijn eigen overlevingskunst, maar vertrouwen dat God erin zou slagen hem te ondersteunen. Hij leerde dat handwerk je niet naar beneden haalt, maar dat het je beter maakt, dat het een gave is van God die je laat meebouwen aan een betere wereld. Na veel gebed en zich verlaten op de Voorzienigheid nam het innerlijke verzet af – maar niet de tegenslag. Hij had het gevoel dat zijn geest vermorzeld was, maar toch ging hij voorwaarts in het stikdonker met alleen het licht van Christus voor hem uit. Het was geloof op zijn puurst. Voor Walter Ciszek is geloven zoiets als lopen door een donkere laan met een zaklantaarn. Je krijgt genoeg licht van Gods genade om telkens één stap te zetten. Je krijgt niet genoeg licht om het einde van de tunnel te zien.

Na de lange periode van uitzuivering en van verlichting kwam de derde fase –  die van de “opheffing”. “Opheffing”, in het Engels “elevation”, is een ongebruikelijke term die pater Ciszek zelf gebruikte voor de derde fase van omgaan met lijden en tegenslag. In de eerste fase word je uitgezuiverd, voor de tweede fase neemt hij het gebruikelijke woord “verlichting”; in de derde fase is word je opgetild naar een niveau van diepe vrede en vreugde: met geestelijke ogen ontdek je in het lijden een deelname in de gelijkenis met God. Er was een verdieping van zijn geloof. Het licht kwam nu van binnen en doorstraalde alles wat hij deed. Hij was vastbesloten om iedere dag en ieder ogenblik te aanvaarden als gegeven door God en ze aan God terug te geven zo goed als hij kon. In deze derde fase van “opheffing” beleef je de genade van de verrijzenis van Christus in zowel je eigen leven als in het leven van anderen. En de genade van het lijden was er elke dag.

Bewaakte vrijheid

Na vijftien jaar gevangenschap werd pater Ciszek in 1955 naar Norilsk verbannen en drie jaar later naar Krasnojarsk. Toen de KGB ontdekte dat hij daar priesterlijk werk deed en parochies had gesticht, werd hij weer overgeplaatst, nu naar Abakan, waar hij werkte als automonteur. In die tijd kon hij voor het eerst weer schrijven aan zijn zussen en naar de orde die al meende dat hij niet meer in leven was. In 1963 keerde hij terug naar Amerika.

Mystiek van het dagelijks leven

Mystiek wordt tegenwoordig geassocieerd met iets als euforie in een sausje van New Age denken en in Oosterse godsdiensten is mystiek een hogere staat van bewustzijn. In de katholieke ascetische theologie spreken we echter van mystiek bij intense ogenlikken van gebed als de woorden wegvallen tussen God en mens en er sprake is van vereniging. Zo’n mysticus was pater Ciszek. Mystici zijn vaak praktische mensen die God kunnen vinden op elke plaats op elk moment. Mystici als Walter Ciszek zijn in contact met de werkelijkheid omdat ze één zijn met de wereld om hen heen. Gods licht doorstraalde deze kleine man die op zijn beurt Gods licht uitstraalde – de schoonheid van die heiligheid zal door de hele kerk erkend en gevierd worden.

 

Dit Nederlandse artikel is gebaseerd op twee teksten van zuster Roccasalvo, teksten die gepubliceerd zijn op de website http://www.catholicnewsagency.com.  De vertaling en de bewerking voor Cardoner zijn van de hand van Jan Stuyt S.J. 

In September 2016 verscheen bij Loyola Press een boek van Walter Ciszek onder de titel With God in America. The spiritual Legacy of an Unlikely Jesuit.
Het is een verzameling teksten die mede door Marc Lindeijer SJ  geredigeerd is. In de bundel staan teksten uit retraites die pater Ciszek in Amerika gaf, evenals toespraken en brieven en interviews met mensen die hem goed gekend hebben. Het boek kreeg in 2017 een prijs in de categorie Biografieën van de  “independent press award”.  

Voor meer gegevens zie  jesuits.org/news_october 2017

 

Print Friendly, PDF & Email