Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Ignatiaanse spiritualiteit / Religieus celibaat in een geseculariseerde tijd

Religieus celibaat in een geseculariseerde tijd

Redactie Cardoner on 20/03/2015 - 7:42 am in Ignatiaanse spiritualiteit

door Michael C. McCarthy S.J.

Onze pijn: zal er iemand bij me zijn als ik sterf?

Een paar jaar geleden mocht ik als gastdocent een semester lesgeven aan de Loyola Universiteit van Chicago. Ik gaf een cursus over de theologie van Sint-Augustinus. De klas bestond uit ongeveer vijftien jezuïetenstudenten aan het begin van hun opleiding en drie lekenstudenten.

Halverwege het semester sprak ik met een van de niet-jezuïeten over zijn eindscriptie. Jeff was een pasgetrouwde doctoraalstudent en voor het einde van het semester zou zijn eerste kind geboren worden. In de loop van ons gesprek (dat ik hier met zijn toestemming weergeef) vroeg ik aan Jeff hoe hij het beleefde, een klas met zoveel jezuïeten. Hij verzekerde mij dat hij de ervaring om met zoveel mannen in een groep te zijn bijzonder troostend vond.

“Er heerst hier een sfeer van kameraadschap die ik ten zeerste waardeer”, zei hij. “Ik heb me niet meer zo gevoeld sinds de tijd dat ik op een jezuïetencollege zat en ik realiseer me hoezeer ik het op prijs stel.”

“Heeft het ook niet iets griezeligs in een groep van zoveel jezuïeten te zijn?” vroeg ik.

“Helemaal niet,” antwoordde hij, “maar soms ben ik wel met ze begaan.”

“Hoezo?”

“Moeilijk om uit te leggen”, zei Jeff. “Maar ik blijf maar denken aan mijn grootvader. Toen hij stierf, was mijn grootmoeder voortdurend bij hem. Ze sliep in een stoel naast zijn ziekenhuisbed en liet hem nauwelijks alleen. Het mag vreemd klinken, maar ik vraag me af wie er bij deze kerels in de buurt zal zijn op het uur dat ze sterven. Zullen ze alleen zijn? Wie zal voor ze zorgen?”

Zijn woorden verrasten me. Ik had nog nooit op die manier over mijn eigen bestaan als jezuïet gedacht en het leek alsof zijn observatie niet op haar plaats was. De jezuïeten die in zijn klas zaten begonnen immers pas aan hun leven, ze waren vol energie en toewijding vanuit een bewustzijn een zending te hebben. Ik ben er zeker van dat oud worden een van de laatste dingen was waar ze aan dachten, en voor zover ze worstelden met de consequenties van hun celibaat hield dat nauwelijks verband met vragen over hun levenseinde. Op dat ogenblik wist ik dus niet of ik dankbaar moest zijn voor de compassie die Jeff had met zijn medestudenten, of juist gekwetst door zijn medelijden naar ons toe. Maar in de volgende jaren heb ik vaak over zijn opmerking nagedacht en onderkend dat Jeff iets heel dieps en complex had aangeraakt. Ook al waren zijn gedachten en gevoelens duidelijk mede bepaald door zijn ervaring als jonge echtgenoot en toekomstige vader, ze wezen ook naar een paar kernpunten in verband met het celibaat – zowel existentieel als theologisch. Zijn opmerking vind ik steeds fascinerender.

Door met het beeld van zijn grootvader te komen schiep Jeff wel degelijk een nieuw gezichtspunt voor het nadenken over de betekenis van het celibaat. Ik heb in de loop van mijn leven veel over het celibaat nagedacht, maar nauwelijks over het doodsbed; wel over het huwelijksbed, over het omgaan met seksuele verlangens en over het opbouwen van diepmenselijke relaties om zo God te ontmoeten op een heel concrete manier. Ik heb nogal wat afgebeden om een evenwicht te vinden in de spanning tussen universele liefde in mijn relaties en persoonlijke gehechtheid aan bijzondere liefdes. Maar de laatste jaren heb ik genoeg meegelopen met jezuïeten die hun levenseinde tegemoet gingen, om mezelf de dingen af te vragen die Jeff zich afvroeg. Nog steeds denk ik na over seks en over vriendschap, maar ik stel mezelf ook een aantal nieuwe existentiële vragen. Op verschillende manieren functioneert het sterfbed, zelfs in de Geestelijke Oefeningen, als een symbool van een laatste grens, waar we in verschillende opzichten heel alleen zijn en naar het geheel van ons leven kijken. Vanaf die plaats kunnen we de vraag stellen: Wie zal er uiteindelijk getuigen over mijn bestaan? Als vrijgezel zonder vrouw en kinderen, wie zal mij goed genoeg kennen om op te merken wat voor mens ik in laatste instantie ben? Wie zal zich mij herinneren? Wie zal de waarde van mijn leven zien en onderkennen? Wie zal voor mij opkomen? Wie zal mij vasthouden?

Onze hoop: “Mijn ziel klampt zich aan U vast; uw rechterhand zal mij vast blijven houden” (Psalm 63,9)

Voor christenen is het antwoord op al deze existentiële vragen uiteindelijk God. Voorts zijn dit vragen die elke mens zich stelt – niet alleen mannen en vrouwen die nu eenmaal een religieuze gelofte hebben afgelegd celibatair te blijven. Maar ik denk toch ook dat vragen zoals “Wie zal zich mij herinneren?” of “Wie zal er uiteindelijk getuigen over mijn bestaan?” voor celibatairen een aparte klank hebben.

Wat een jezuïet in zijn leven ook mag presteren aan edelmoedig dienstbetoon en hoe intiem zijn vriendschappen ook mogen zijn, toch denk ik dat zijn verhouding tot de toekomst van de wereld anders komt te liggen vanwege zijn geloften – en vooral die van het celibaat. Ook al zal niemand aan het religieuze leven beginnen omwille van erkenning door de buitenwereld, toch zullen de normale kenmerken van wat je gepresteerd hebt en wat belangrijk voor je was die aan doorsneemensen een natuurlijke voldoening geven, voor ons minder typerend zijn. Er zullen er maar weinig onder ons zijn wier naam op gebouwen of belangrijke boeken zal prijken, en hoewel de meesten van ons mensen zullen achterlaten in wier leven we sporen nalaten, en soms diepe, toch zal het ontbreken van een meer gebruikelijke nalatenschap aan partner of kinderen ons bijzonder fragiel maken en vatbaar voor eenzaamheid. Dat kan ook leiden tot ongezonde vormen van compensatie. Daar komen nog twee factoren bij die ons gevoel van onzekerheid vergroten: het teruglopen van het aantal mensen dat zich aangetrokken voelt tot onze stijl van leven, en een zekere afkeuring in onze cultuur van het religieuze leven als zodanig (of in elk geval de afwezigheid van een brede, hoorbare instemming). We kunnen ons niet goed voorstellen, laat staan beïnvloeden, hoe de toekomst eruit gaat zien, en dit gegeven kan ons onrustig maken. Beter dan te zoeken naar manieren om ons tegen dit gevoel te verdedigen, zouden we onze kwetsbaarheid kunnen onderkennen als een bijzondere genade: ze kan ons meer openstellen voor de totaliteit van het geheim van God. Hij alleen is onze toekomst.

Maar wat betekent dat, te zeggen dat alleen God onze toekomst is? En hoe verhoudt zich deze bewering precies tot de geleefde ervaring van iemand die de gelofte van kuisheid heeft afgelegd?

Ik zou willen suggereren dat in onze tijd het afleggen van een gelofte van kuisheid (of welke religieuze gelofte ook) het beste eenvoudig kan gezien worden als een vrije act van geloof, hoop en liefde. En wat nog belangrijker is: wanneer we onze gelofte van kuisheid gaandeweg beleven, worden we uitgenodigd om, vaak erg moeizaam, ons geloof, onze hoop en onze liefde uit te diepen, evenals onze vrijheid om onszelf telkens opnieuw voor het mysterie van God te plaatsen. Als we geloven dat God zowel in het verleden als in het heden zijn eigen liefde heeft geopenbaard op een manier die niemand had kunnen voorzien, dan kunnen we onszelf overeind houden in het geloof en het vertrouwen dat God in de toekomst hetzelfde zal doen. We wachten op een nieuwe openbaring van liefde, niet in de vorm van een menselijk initiatief, maar uiteindelijk door God gegeven. Ons celibaat is een dramatische vorm van vertrouwen dat God voor ons bereid heeft “wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen enkel mensenhart is opgekomen” (1 Kor 2,9). En als het ons lukt open te blijven voor deze mogelijkheid, in welke vorm ook, dan kan het doorléven van onze gelofte in werkelijk geloof, hoop en liefde, dezelfde deugden helpen bewerkstelligen in het volk van God.

Dat klinkt allemaal bijna pijnlijk vanzelfsprekend, maar het kan gemakkelijk gebeuren dat we de sterke band tussen het celibaat en de theologale deugden vergeten. Op zijn best ervaren wij jezuïeten ons celibaat als een manier om anderen lief te hebben in een grote mate van vrijheid en universaliteit. En dat is ook zo. Je mag hopen dat onze ervaring als jezuïeten rijk is aan werkelijk menselijke liefde, een diep gevoel van broederschap en het verlangen om te dienen. Van nature is ons denken over celibaat ingebed in een fundamentele menswordingstheologie, voortkomend uit de Geestelijke Oefeningen van Sint-Ignatius. God is immanent; God is aanwezig in elk schepsel; God zwoegt voor ons. Het celibaat is een kader om Christus te volgen en Hem te dienen waar Hij zijn eigen missie waarmaakt.

 

Maar toch kan de manier waarop wij het celibaat verstaan het risico lopen van functionalisme. Zelf heb ik bv. tijdens een groot gedeelte van mijn religieuze leven op de vraag van anderen waar een celibatair leven goed voor was, geantwoord dat het mij beter in staat stelde overal heen te gaan en alles te doen zonder gehechtheid. Ongetwijfeld maken onze geloften ons meer beschikbaar voor zending met Christus, maar een beperkt begrip van de celibataire kuisheid zet de deur open voor werkverslaving en zal nooit in staat zijn op de lange duur een gezond religieus leven in stand te houden. Nog erger: het kan een excuus worden om nooit met anderen op een echt liefdevolle, diepmenselijke manier in relatie te treden. De betekenis van het celibaat als een geleefde beschikbaarheid waarin we voor God klaarstaan verwordt dan tot een eerder functionalistische gewoonte.

Hoewel een menswordingstheologie doorslaggevend is voor onze geloofshouding, heeft een al te exclusieve nadruk op Gods immanentie zijn consequenties. In de donkere nachten bv., als we ons eenzaam voelen of beangstigd of zelfs verlaten, worden we geconfronteerd met een andere kant van Gods mysterie. Ons is telkens opnieuw voorgehouden dat het koninkrijk van God er al is en tegelijk nog niet. Het zou kunnen dat we meer en meer geroepen worden om dat “nog niet” toe te laten, als we proberen te verstaan wat het betekent arm te zijn, kuis, gehoorzaam. Het blijkt steeds belangrijker de geloften op een bruikbare eschatologische manier te duiden: niet in de zin dat ze ons “van de andere wereld” doen zijn, maar dat we de wereld denken als doorschijnend voor het transcendente mysterie van een God die helemaal anders is en in wie wij een nieuwe hemel en een nieuwe aarde verhopen.

Eschatologie opnieuw beschouwd

Deze eschatologische oriëntatie is altijd al een sleutelbegrip geweest in de theologie van het religieuze leven. In de klassieke Bijbelbron over het celibaat uit het Matteüsevangelie spreekt Jezus over hen die afzien van het huwelijk omwille van het Koninkrijk en geeft hen die in staat zijn dit te ontvangen de raad dat te doen (Mt 19,12). Later in hetzelfde hoofdstuk vraagt Petrus met een aandrang die ikzelf ook vaak gevoeld heb: “Kijk, wij hebben alles achtergelaten en zijn U gevolgd. Wat zullen wij dan krijgen?” (Mt 19,27). Jezus antwoordt dat iedereen die zijn huis en zijn familie heeft verlaten, in veelvoud beloond zal worden en deel hebben aan het eeuwige leven. Bij Marcus is de balans tussen het “al wel” en het “nog niet” zelfs nog duidelijker: zij die alles hebben achtergelaten om Jezus te volgen zullen het honderdvoud ontvangen “nu in deze tijd”, en tegelijkertijd mogen vooruitkijken naar eeuwig leven “in de komende tijd” (Mc 10,30). Overigens wordt Jezus’ ongehuwde staat vaak aangehaald als een teken van zijn eschatologische visie. Anticipatie van de komende tijd heeft grote invloed gehad op het vroege inzicht van Paulus in de waarde van het ongehuwd zijn, en laat in de vierde eeuw vertelt Johannes Chrysostomus zijn gemeenschap over monniken verspreid in de bergen van Syrië: “Daar mediteren ze al over de dingen van het Koninkrijk, spreken met bossen en heuvels, en vóór alles, in een grote stilte en eenzaamheid, met God.” Vanaf de eerste generaties heeft de christelijke traditie het celibataire leven hoog aangeslagen, omdat het beleefd werd als een concreet teken van hoop dat ons gebed “Uw koninkrijk kome” in vervulling zal gaan.

Als het waar is dat een dergelijke eschatologische oriëntatie altijd een belangrijk onderdeel is geweest van de theologische traditie betreffende het religieuze leven, waarom zijn we dan zo aarzelend dit gegeven te claimen als we onze eigen celibataire kuisheid verantwoorden? Ik vermoed dat het antwoord te maken heeft met historische, culturele en theologische elementen. In tegenstelling tot de vroege monastieke orden hebben gemeenschappen als de jezuïeten een religieuze leefstijl te zien gegeven die meer apostolisch georiënteerd was dan in de eerste duizend jaar. Voor de meeste jezuïeten is de duidelijkste en misschien eerste motivatie voor het celibaat een apostolische, en we beweren gauw: “We zijn geen monniken.” Dat zal best waar zijn, maar wat me interesseert is hoe vaak we dat lijken te zeggen vanuit een verdedigende houding, om onze eigen religieuze cultuur te beschermen. Wat mij in het begin aantrok in de Sociëteit van Jezus was bv. hoe “reëel” jezuïeten leken te zijn. Ik zag in hen een niveau van engagement in de wereld dat liet zien dat religieus geloof niet losstaat van de bezorgdheid voor sociale gerechtigheid, en op het persoonlijke vlak gaven ze me ruimte op een manier die ik niet van andere religieuzen gewoon was. Ze dronken bier; ze konden over allerlei onderwerpen praten, van baseball tot opera en tot geld beleggen toe; ze hadden een intellectuele en sociale geloofwaardigheid die niet erg “kerks” was. Zoals John O’Malley opmerkte heeft, naast de praktische stuwkracht van de Geestelijke Oefeningen, onze vorming in seculiere academische disciplines een grote in vloed gehad op wie wij zijn. De oude jezuïetenbeginselen over humanistische opvoeding ten dienste van het burgerlijke leven hebben ons gemaakt tot een groep mannen die minder neigen naar (en misschien constitutioneel allergisch zijn voor) het “niet van deze wereld zijn”.

Maar terwijl het een van onze grote gaven is mensen te helpen om God te vinden in alle dingen, kan het ook moeilijk zijn (tenminste voor mijzelf) ons te herinneren dat God méér is dan te vinden in alle dingen. De filosoof Charles Taylor meent dat de religieuze cultuur van het Westen sinds de Reformatie de tendens heeft om het tot bloei komen in dit leven als het exclusieve doel van het bestaan te beschouwen, terwijl verwijzingen naar alles wat daarbovenuit stijgt verdacht gevonden worden. Hij noemt deze trend de “immanente revolte” tegen een religiositeit die het transcendente leek te overdrijven. Toch schetst Taylor de beperkingen van die revolutie.

Exclusief humanisme sluit het transcendente venster, alsof er aan gene zijde niets is – meer nog, alsof het niet een schreiende behoefte van het mensenhart is dat venster te openen, te kijken, en dan naar gene zijde te geraken; alsof het voelen van deze behoefte het gevolg is van een fout, van een dwalend wereldbeeld, een verkeerde opvoeding, of erger nog, een pathologie. (A Catholic Modernity? Oxford, 1999, blz. 26-27)

Taylor zegt dan dat het een kenmerk is van het “seculiere tijdperk” waarin we leven dat mensen – zelfs religieuzen – nu kunnen leven zonder een verbinding met het transcendente. Het lijkt niet waarschijnlijk (en zou naar mijn mening een zeer oneerlijke beschuldiging zijn!) dat jezuïeten zich daaraan schuldig zouden maken. Maar toch kunnen we niet vermijden dat we door onze cultuur worden bepaald. In de manier waarop wij onszelf verstaan verzetten we ons tegen de heersende denkpatronen, en gaan er tegelijkertijd in mee. In deze context plaatst een gesprek over het celibaat ons voor een echt probleem. Ik vermoed dat wanneer wij jezuïeten beweren dat wij “geen monniken zijn”, we gedeeltelijk ook reageren tegen een levensstijl waarvan we vinden dat die overdreven gespiritualiseerd en van de reële wereld losgeraakt is. Maar in de wereld waarin we leven heeft het soort afstand nemen waarop de gelofte van kuisheid neerkomt, weinig zin, behalve in de functionele opvatting die ik boven beschreef. Bij iedere poging om ons celibaat te benoemen in termen van een “transcendent venster” lopen we het grote gevaar uitdrukkelijk niet van deze wereld te zijn of (om het woord van Taylor te gebruiken) “pathologisch”.

Maar met de oude asceten, die onze geestelijke voorvaderen zijn, was dat niet anders, en eerlijk gezegd ook niet met Jezus.

Wanneer we de transcendentie van God herbevestigen en ons weer een eschatologische betekenis van het celibaat toe-eigenen, is het gelukkig niet nodig daarvoor de wereld te minachten of een of andere gnostisch zienswijze aan te hangen die het vlees als wezenlijk slecht beschouwt of zalig worden ziet als de opgave aan onze lichamelijke staat te ontsnappen. Je kunt niet ontkennen dat veel celibataire en niet-celibataire christenen feitelijk, zij het wellicht niet als principe, een geïdealiseerd geloof “van de andere wereld” huldigen. Los nog van de loutere moeilijkheid te weten waar we het over hebben wanneer we spreken over Gods transcendentie of over het eschaton, houdt een dergelijk taalgebruik enorme risico’s in. Overdreven nadruk op Gods andersheid kan de indruk wekken dat God niet tegenwoordig is in onze alledaagse realiteit. Te veel focus op de wereld die gaat komen loopt het gevaar tekens van Gods heerschappij hier en nu te overzien, en ook het hoge ethische appel ervan op ons te verwaarlozen. Maar wanneer we een eschatologische benadering gelijkstellen met wereldvreemdheid, richten we een soort van strofiguur op. Onze theologische hulpmiddelen zijn heel wat steviger dan dat en geven ons het instrumentarium om veel meer continuïteit te zien tussen de hoop van deze wereld en het leven van de komende wereld. Het overschrijdt grotelijks de afmetingen van dit opstel om een toereikende discussie over de eschatologie als zodanig aan te gaan. Theologen zullen verschillende klemtonen willen leggen als ze zich buigen over de wezenlijke spanning tussen het “alreeds” en het “nog niet”. Wel zouden de meesten het erover eens zijn dat Christus de basis is van de eschatologie, dat de hele beweging van schepping en verlossing tendeert naar voltooiing en dat daarom eschatologie gebonden is aan wat er nu gebeurt en tegelijkertijd vooruit kijkt.

Eschatologie gaat over meer dan het handelen van God in schepping en verlossing, doordat ze in de gave van het eeuwige leven expliciet de introductie bevestigt van iets dat kwalitatief anders is, nieuw en transformerend. Onze hoop op de toekomst gaat niet eenvoudigweg over een optimistische ontwikkeling, vooruitgang of overgang van het heden in een lijn zonder einde. De logica van de christelijke hoop is niet de logica van gevolgtrekkingen, maar eerder de logica van de verbeelding. (D.A. Lane in The New Dictionary of Theology)

Ons celibaat verkeert precies in de spanning tussen het  “alreeds” en het “nog niet” en nodigt ons uit vooruit te kijken naar het “kwalitatief andere”.

Een poging tot eschatologische benadering

Hoe de “logica van de verbeelding” zou kunnen werken in ieder van ons, hangt vooral af van de unieke gesteldheid van iedere jezuïet afzonderlijk. Voor wat ze waard is, wil ik hier mijn eigen benadering aanbieden, uiteraard hoogst individueel, maar ieder van ons zal de woorden moeten vinden die voor hem passend zijn. Wat mijzelf betreft, als ik me weer een eschatologische oriëntatie wil toe-eigenen, zou ik iets zeggen in de geest van het volgende gebed.

God, alles wat ik in mijn leven kan bereiken, het totaal aan deugden dat ik mogelijk bezit en de goede daden die ik heb verricht, alsook de zonden die ik heb begaan – al deze dingen hebben alleen maar zin en waarde in relatie tot U. Ik ken U, en toch blijft U een mysterie voor me. U hebt van mij gehouden, en toch blijf ik steeds naar U verlangen. Mijn celibaat is een wijde ruimte van openheid die altijd blijft wachten op U. Er zijn ogenblikken dat die ruimte lijkt op een kamer vol liefde en hartstocht; andere keren lijkt die ruimte van openheid een verschrikkelijk lege plek. Toch kies ik ervoor op U te wachten. U geeft me dit verlangen dat alleen U kunt vervullen. U geeft me dit vertrouwen in uw liefde en uw vermogen om iets nieuws te doen – mij vorm te geven, de wereld vorm te geven op een manier die ik me niet echt voor kan stellen.

 En zo leer ik op een of andere manier Jezus kennen, die ook zichzelf aan U gaf, op manieren die veel radicaler en completer waren dan ik ooit zou kunnen. Ik voel zijn intense, jeugdige opwinding bij het inluiden van uw Koninkrijk. Soms denk ik dat ik zijn vermogen om zichzelf volledig te geven kan begrijpen. Maar ik voel ook de soorten van weerstanden die Hij ervoer, en ik heb zo mijn vermoeden over de verschrikkelijke duisternis van zijn kruis: hoe Hij daar hing, onzeker, verlaten, en U was afwezig. Ik hoor mezelf als Hij zich verwonderd afvraagt waarom het Koninkrijk niet kwam zoals Hij zich dat voorstelde, waarom zijn edelmoedige plan niet uitkwam zoals Hij dat eerst gedacht had. Ik hoor mezelf in de intense teleurstelling van zijn laatste klacht: Was mijn toewijding dit alles waard? Heb ik voor niets volhard? Is mijn celibaat niets meer dan een vernederende naaktheid?

 En toch geef ik mijzelf samen met Hem opnieuw aan U, in het vertrouwen dat U getuigenis zult afleggen over mijn leven. Ik vertrouw erop dat U zich mij zult herinneren en me vast zult houden en oprichten op een manier die ik me niet echt voor kan stellen.

Uiteindelijk is onze celibataire kuisheid een vrije act van geloof, hoop en liefde die niet uitgelegd of gerechtvaardigd kan worden vanuit wat Taylor noemt “exclusief humanisme, dat het transcendente venster sluit, alsof er aan gene zijde niets is”. Maar in deze act zouden we onszelf meer compleet kunnen vormgeven naar het beeld van Christus, die zich toevertrouwt aan de Vader in een vertrouwen dat gelijkwaardig is met zijn toewijding. Om heel wat redenen heeft de traditie mogelijkheden aan te bieden om dat transcendente venster te benaderen op manieren die een “seculier tijdperk” waarschijnlijk maar vreemd vindt of zelfs verbiedt.

Nawoord

Aan het begin van dit opstel gaf ik aan dat het antwoord op de vraag “Waarom celibaat?” God moet zijn. Maar omdat God niet een object is dat men bevatten kan, zal het antwoord ons altijd ontsnappen.

Maar nogmaals, dat is juist de kwestie. Uiteindelijk zijn we vrij om acten te stellen van geloof, hoop en liefde. De beslissing om een gelofte van kuisheid af te leggen of je eraan te houden – als een van die acten – vloeit voort uit een vrijheid die de basis van het geloofsleven zelf is. Er zijn maar weinig mensen die zich door een redenering laten overtuigen om in God te geloven. Veeleer worden we, voor het grootste deel, op een mysterieuze manier geroepen, en het is aan ons daar ja op te zeggen of niet.

Zoals het waarom van het celibaat ons altijd zal ontglippen, zo ook de zin ervan. En ook dat kun je weer beschouwen als een functie van onze vrijheid. In de oude traditie bestond er geen eenduidige verantwoording van het celibaat. Er waren verschillende kaders waarbinnen men kon zeggen dat het zinvol was. Door middel van hun eigen leven moesten onze voorgangers het zinvol maken, en datzelfde geldt, dunkt me, ook voor ons.

Maar terwijl we dat proberen te doen, merken we telkens opnieuw dat God ons verrast. Zoals het gezegde luidt, is God altijd groter: Deus semper major. Terwijl we ons naar een oneindige horizon bewegen, herinneren we ons Jezus’ belofte dat ons een onvoorstelbaar honderdvoud gegeven zal worden in de komende tijd. Hoe dat gaat gebeuren, welke vorm dat gaat krijgen, zal altijd ons voorstellingsvermogen te boven gaan. Het zal “kwalitatief anders” zijn. Daarom zullen we de moed moeten hebben telkens weer onze vertrouwde, veilige ankers los te laten en ons aan Hem toe te vertrouwen.

Aan het begin van dit opstel sprak ik ook over het beeld van het doodsbed als een eerste brandpunt om over het celibaat na te denken. Het is passend nogmaals naar dit beeld terug te keren. Toen ik aan een eerste schets van dit opstel aan het werken was, was ik feitelijk lid van een team mensen die een medebroeder begeleidden die stervend was aan een agressieve vorm van kanker. Paul Locatelli S.J., twintig jaar lang president van een universiteit, was een man die wist wat macht was en ervan genoot, maar uiteindelijk stond hij totaal met lege handen.

Voor mijzelf was Paul een ruimdenkende werkgever en oudere medebroeder waar ik oprecht van hield en die ik vreselijk mis. Maar op zijn doodsbed – kwetsbaar op een manier die hij voordien nooit had gekend en soms onderhevig aan angst, als nacht hem omving – leerde hij mij zonder het te weten iets wezenlijks. Een mens die voor de dood stond, zo was Paul alleen op een manier die noch ontkend kon worden noch verzacht. Maar hij voelde zich ook bemind met een intensiteit die hij voor mijn gevoel tevoren nooit had gekend. Hij had geen vrouw of kinderen, maar wij, leden van zijn natuurlijke en van zijn religieuze familie, bleven bij hem tot het einde. Dat hief zijn eenzaamheid niet op, maar deed wel de betekenis ervan verschuiven.

En dat is de les. Zoals ieder ander, zijn wij celibatairen op een heel diepe wijze altijd alleen. Onze eenzaamheid heeft een iconische betekenis, en dat kan bij tijden verpletterend aanvoelen. Maar in het alleen-zijn zijn we niet alleen. Ook al kunnen we altijd in de verleiding komen om ons persoonlijk ten opzichte van de anderen terug te trekken en we altijd weer onder druk kunnen komen te staan om in toenemende mate een privaat leven te leiden, op zijn best zijn we dan nog altijd diep verbonden. In elkaar zijn we getuige van de uitwerking van het celibaat – rustig, nederig, onvolmaakt, moedig. Langzaam, op een mysterieuze wijze en soms pijnlijk, komen we onszelf tegen binnen het grotere Lichaam van Christus – breekbaar thans, maar nog altijd hunkerend naar onze verlossing en glorierijke transformatie, als alle dagen aan hun einde zijn gekomen.

Ondertussen zullen we elkaar elke dag moeten bemoedigen, zoals de Hebreeënbrief zegt: “zolang dat ‘heden’ duurt” (Heb 3,13).

uit: Studies in the Spirituality of Jesuits, 43/2 (zomer 2011),   blz. 3-12 en 45-46

vertaling: Peter van Gool S.J.

Print Friendly, PDF & Email