Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Ignatiaanse spiritualiteit / Het Universitair Centrum Sint-Ignatius Antwerpen (ucsia) en de invloed van ignatiaanse spiritualiteit.

Het Universitair Centrum Sint-Ignatius Antwerpen (ucsia) en de invloed van ignatiaanse spiritualiteit.

Redactie Cardoner on 05/11/2008 - 3:04 pm in Ignatiaanse spiritualiteit

door Luc Braeckmans.

Het UCSIA komt voort uit de vroegere jezuïetenuniversiteit in die stad. Deze bijdrage schetst het ontstaan en de eigenheid van het centrum dat door niet-jezuïeten wordt gestuurd, maar sterk door de traditie van een jezuïetenuniversiteit is beïnvloed. Door deze beïnvloeding in de kern van zijn missie op te nemen laat het ucsia zich door elementen van de ignatiaanse spiritualiteit tekenen. Luc Braeckmans is docent wijsbegeerte aan de Universiteit Antwerpen en academisch onderdirecteur van het ucsia.

Wie enig zicht wil krijgen op het Universitair Centrum Sint-Ignatius Antwerpen (kortweg ucsia), dient rekening te houden met het Antwerpse universitaire landschap en met de geschiedenis daarvan. Na de zogenaamde universitaire expansie in Vlaanderen op het einde van de jaren ’60 van de 20ste eeuw kende Antwerpen tot in 2003 drie universiteiten, met name de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen (ufsia), het Rijksuniversitair Centrum Antwerpen (ruca) en de Universitaire Instelling Antwerpen (uia). Deze drie universitaire instellingen functioneerden grotendeels autonoom ten overstaan van elkaar, weze het dat zij op vele punten (maar lang niet alle) complementariteit vertoonden. Zij gaven in de Antwerpse regio gestalte aan de traditionele verzuiling in België en Vlaanderen.

 Van ufsia naar ucsia

De ufsia was een jezuïetenuniversiteit. Zij had de vorm aangenomen van een vzw naar Belgisch recht. De provinciale overste van de Noord-Belgische jezuïetenprovincie was een vast lid van de algemene vergadering. Hij mandateerde de helft van de leden van die algemene vergadering en gedurende lange tijd ook de helft van de leden van de rectorale raad, het hoogste academische en wetenschappelijke adviesorgaan. De ufsia omschreef  zichzelf in haar statuten als “(…) een vrije instelling geïnspireerd door de christelijke levensbeschouwing (…)”.

Over het doel van de instelling was in de statuten het volgende te lezen:

 “Het doel van de vereniging is, in het perspectief van een christelijke levensbeschouwing, samen met de leden van de Sociëteit van Jezus, universitair onderwijs te verstrekken, wetenschappelijk onderzoek te verrichten en bij te dragen tot de alzijdige vorming zowel van de leden van de universitaire gemeenschap als van de hele bevolking.”

 In de teksten over het statuut van de ufsia-student kregen deze bepalingen een weerspiegeling als volgt:

 “Mits inachtneming van dit doel, zal de vereniging ernaar streven, in een geest van ruime verstandhouding met andere instellingen mee te werken aan de verdere uitbouw van het universitair onderwijs te Antwerpen. Dit sluit niet in dat iedere student de katholieke godsdienst moet belijden of een christelijke levenshouding moet toegedaan zijn. De student kent echter het maatschappelijk doel van de instelling en aanvaardt dus ten minste de realisatie van dit doel niet te hinderen doch integendeel te eerbiedigen: zijn houding, woorden en handelingen zullen niet kwetsend in strijd zijn met de humane waarden die gemeenlijk christelijk worden genoemd.”

 Tussen de drie Antwerpse universitaire instellingen werden vanaf het midden van de jaren ’80 van de 20ste eeuw in steeds toenemende mate samenwerkingsakkoorden gesloten. Omstreeks 2000 werd duidelijk dat een erg verregaande samenwerking tussen of zelfs fusie van de drie instellingen onafwendbaar werd, dit in het belang van de goede werking van de instellingen zelf. Vanaf dan begon de ufsia onder impuls van de toenmalige provinciale overste (pater Mark Rotsaert S.J.) en van de voorzitter van de algemene vergadering (prof. Walter Nonneman) in het fusieproces een voortrekkersrol te spelen. Op die wijze wist de ufsia te bewerkstelligen dat de nieuwe, pluralistische ua na de fusieoperatie een aantal kenmerken zou vertonen die door de ufsia als belangrijk werden beschouwd. Zo zou er in alle faculteiten van de ua uitdrukkelijk en systematisch aandacht worden geschonken aan problematieken van levensbeschouwelijke aard, in alle faculteiten van de ua werden filosofische opleidingsonderdelen ingebouwd en de aanwezigheid en de werking van een dienst voor universiteitspastoraat werden gegarandeerd.

Een van de specifieke wensen van de toenmalige ufsia handelde over de eventuele voortzetting van een aantal activiteiten die in het verlengde lagen van een jezuïetenuniversiteit. Daartoe creëerde de ufsia, alvorens met de andere universitaire instellingen te fuseren tot de ua, een nieuw autonoom universitair centrum, het ucsia.

 Jezuïetenerfgoed

De doelstelling van het ucsia roept onvermijdelijk sterke reminiscenties op aan de formulering van de doelstelling van de voormalige ufsia. Artikel 3 van de statuten van het ucsia luidt:

 “Het doel van de vereniging is, in het perspectief van een christelijke levensbeschouwing in een geest van openheid en verdraagzaamheid, samen met de leden van de Sociëteit van Jezus en de leden van de Antwerpse universitaire gemeenschap, een hoogstaand internationaal multidisciplinair forum te bieden dat academische reflectie, vorming en dienstverlening ondersteunt en stimuleert over thema’s die bijzondere gestalte geven aan de christelijke levensvisie om aldus dienstig te zijn aan het geloof en bij te dragen tot een meer rechtvaardige samenleving.”

 In zijn officiële teksten verwijst het ucsia dus niet expressis verbis naar de ignatiaanse spiritualiteit; het verwijst daarentegen wel uitdrukkelijk naar de Sociëteit van Jezus. “Verwijzen naar” is in deze context zelfs een veel te zwakke woordkeuze. Het ucsia verbindt statutair zijn werking met twee andere instanties, met name de ua en de jezuïetenorde. Die band met de jezuïetenorde wordt geconcretiseerd door de aanwezigheid van jezuïeten in de algemene vergadering, in de raad van bestuur en in de academische adviesraad. Uiteraard nemen deze jezuïeten in de bestuurs- en adviesorganen van het ucsia lang geen meerderheidsposities in. Maar alleen reeds hun aanwezigheid en hun sterke betrokkenheid zijn ipso facto significatief.

Daarnaast worden in de statuten uitdrukkingen aangewend die op een bijzondere wijze waardengeladen klinken: een “christelijke levensbeschouwing” en dito “levensvisie”, een “geest van openheid”, een “geest van verdraagzaamheid”, “dienstbaarheid aan het geloof”, “bijdragen tot een meer rechtvaardige samenleving”,… Uitsluitend binnen de grenzen van een christelijke geloofstraditie kunnen deze opties op een authentieke wijze als ensemble worden ingevuld. Deze waardengeladen uitdrukkingen vinden dan op hun beurt een concretisering in de keuze van de inhoud van de diverse themata die door het ucsia worden ontwikkeld. Ik verwijs ter illustratie naar de verschillende internationale seminaries en zomercursussen die reeds werden georganiseerd, naar de ucsia-leerstoel, naar de gastcolleges en naar de activiteiten van het Scribani-netwerk, een door het ucsia gesticht netwerk van jezuïetenorganisaties in Europa. De themata van deze initiatieven gaven bijna alle op academische wijze gestalte aan een interesse voor vragen over multiculturaliteit en interreligieuze dialoog. Daarnaast ging veel aandacht naar het ondersteunen van het netwerk van pastores aan de Vlaamse universiteiten en hogescholen, naar vormingsinitiatieven voor godsdienstleerkrachten, naar vragen over kerkopbouw en naar themata van ethische, bio-ethische, spirituele en religieuze aard.

Welnu, de leden van de academische en administratieve directie van het ucsia die in samenwerking met een erg brede en variërende groep van universiteitsprofessoren en deskundigen allerhande de vormingsinitiatieven en de programma’s uitwerken, zijn zelf geen jezuïeten. De wetenschappelijke en administratieve medewerkers zijn dat evenmin. Vermoedelijk begon niemand van hen zijn of haar werkzaamheden in het ucsia vanuit een geestelijke roeping of vanuit een godservaring, zoals dat van jezuïeten wel mag worden verwacht. Niemand van hen deed de Geestelijke Oefeningen van Ignatius, de meesten kenden trouwens op het moment dat zij hun opdrachten binnen het ucsia opnamen, daarvan het bestaan niet. Het gaat, op één uitzondering na, om leken waarvan een meerderheid pas in de dagdagelijkse werking van het ucsia zelf in contact kwam met het geestelijke erfgoed van Ignatius en van de jezuïetenorde. Toch engageerden zij zich allen verregaand in een nieuw jezuïtisch universitair project. De beweegredenen daartoe hebben in eerste instantie te maken met de uitdagingen en opportuniteiten die vervat liggen in iedere opstartende organisatie met nieuwe, boeiende maatschappelijke en academische opdrachten. De specifieke aard van die opdrachten houdt evenwel verband met de kern zelf van de missie die het ucsia uittekende. Bovendien is er een verband met het erg gunstige imago dat jezuïeteninstellingen in Vlaanderen en in de wereld genieten. Het gaat om een imago dat hoogwaardige intellectualiteit, deskundigheid, degelijkheid, diepgang, plichtsbewustzijn, volharding en trouw uitstraalt. Het is overigens datzelfde imago dat bijvoorbeeld de grote aantrekkingskracht verklaart die momenteel nog steeds van de jezuïetencolleges in een sterk geseculariseerd Vlaanderen uitgaat, ook al zijn in deze zeven Vlaamse jezuïetencolleges nog slechts twee jezuïeten in het personeelskader actief.

Een en ander betekent, paradoxaal genoeg, dat de inhoud van de activiteiten van het ucsia zodoende toch in niet geringe mate wordt getekend door elementen van ignatiaanse spiritualiteit, weze het volgens modaliteiten van een externe bemiddeling. Hier ligt precies een van de meerwaarden van het ucsia en liggen er kansen voor een uiterst cruciale traditie waarvan de ignatiaanse spirituele traditie een emanatie is.

 Secularisatie

De tijdgeest in het Westen is, zo wordt algemeen aanvaard, vandaag de dag nagenoeg volledig geseculariseerd. De westerse cultuur nam een bijzonder complexe gestalte aan, die onder andere veelal als multicultureel en als postmodern wordt omschreven. De complexiteit van dit gebeuren belichten en, indien mogelijk, enigermate verhelderen is een gigantische taak voor hedendaagse geesteswetenschappers. Vermoedelijk was die taak in de geschiedenis van het Westen nooit ingewikkelder dan nu. Want nooit in die geschiedenis vertoonden de traditionele “grote verhalen” dermate een amechtigheid dat zij hun typische vitaliserende en oriënterende taken in toenemende mate niet meer kunnen opnemen of uitvoeren. Geïnstitutionaliseerde godsdiensten, kerkgemeenschappen, religieus geïnspireerde organisaties,… ook zij vertonen in hun maatschappelijk verschijnen de kortademigheid die alle “grote verhalen” kenmerkt.

De Sociëteit van Jezus deelt onvermijdelijk in deze groeiende institutionele onmacht. Een van de symptomen ervan is genoegzaam bekend: een schrijnend personeelstekort ten gevolge van een reeds decennia durende terugloop van het aantal nieuwe kandidaten. Een groot deel van de aandacht van de hogere oversten gaat bijgevolg naar opeenvolgende sluitingen van residenties. Een onafwendbare, maar weinig opbeurende bezigheid. De indrukwekkende reductie van het aantal jezuïeten in Vlaanderen – sommige commentatoren voorspellen zelfs de volledige verdwijning, wat in het geval van een aantal religieuze congregaties effectief reeds is gebeurd – hoeft helemaal niet het verdwijnen van ignatiaanse spiritualiteit en van ignatiaanse idealen te betekenen. Welbepaalde religieus geïnspireerde praktijken zullen zonder veel twijfel verdwijnen, gebonden als ze zijn aan culturele referentiepunten met een datering. Maar de ignatiaanse spiritualiteit bevat bestanddelen die aan iedere gebondenheid aan kenmerken van een welbepaalde tijd lijken te ontsnappen. Het gaat om die bestanddelen met name die raken aan de kern van de christelijke heilsboodschap: God is dermate de Heilige dat Hij niet anders vermag dan zijn liefde mee te delen. In onbeperkt mededogen nodigt Hij de mens – iedere mens, staande in een noodzakelijke ambiguïteit van een concrete existentie – uit tot volledige participatie aan zijn heiligende volheid. Deze universele toezegging van heil is, naar mijn oordeel, in geen enkele andere grote traditie te vinden. Ignatius is een van de centrale figuren uit de geschiedenis van het christendom, die op grond van een herhaalde geloofservaring deze onovertroffen heilsboodschap doorgeeft en beklemtoont hoe de heiligende kracht van God de concrete mens in de ambiguïteit van zijn of haar persoonlijke existentie tegemoet komt.

In Ignatius achterna (Averbode: Altiora, 2005) tonen William A. Barry S.J. en Robert G. Doherty S.J. aan dat jezuïeten op grond van hun spiritualiteit een traditie van creatieve spanning kennen, meteen wezenlijk verankerd in het bestaan van ieder mens. Voor dat soort creatieve spanning vraagt het ucsia voortdurend aandacht: spanning tussen uiteenlopende culturen, spanning tussen godsdienstige tradities, tussen geloof en weten, tussen waarden en wetenschappen, tussen vrijheid en gebondenheid, tussen geloof en ethiek,… De aandacht voor en de studie over dit soort spanningen houdt het ucsia gaande, omdat het zich laat inspireren door de traditie van een jezuïetenuniversiteit. Op die wijze werd het, veel meer dan bij de start werd vermoed, door de jezuïetenspiritualiteit getekend en bijgevolg a fortiori door elementen van de ignatiaanse spiritualiteit beïnvloed. Zodoende leert het ucsia merkwaardig genoeg als uitdrukkelijk academisch en universitair centrum – het is volstrekt niet de zetel van een proselitische beweging – zelf vanuit ignatiaanse spirituele elementen in de wereld te staan, en leert het elementen van deze spiritualiteit op veelal stilzwijgende wijze door te geven aan allen die op de diensten van het ucsia een beroep doen.

Print Friendly, PDF & Email