Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Ignatiaanse spiritualiteit / Een spiritualiteit van de Weg.

Een spiritualiteit van de Weg.

Redactie Cardoner on 06/02/2007 - 1:42 pm in Ignatiaanse spiritualiteit

door Dirk Boone.

De auteur is directeur van het Bezinningscentrum “Oude  Abdij” in Drongen. Als leek heeft hij daar de leiding van een apostolisch werk van de jezuïeten. In dit artikel geeft hij als reflectie op zijn samenwerking met hen enkele gedachten over de jezuïeten en de ignatiaanse spiritualiteit.

Wie – als niet-jezuïet – regelmatig samenwerkt met jezuïeten, weet dat er binnen de orde de laatste jaren nagedacht wordt over mogelijkheden van “partnerschap” tussen jezuïeten en leken. De achtergrond van deze reflectie heeft te maken met de ontdekking en erkenning van het eigen charisma en de spiritualiteit van de leek –  gehuwd of niet – die een verrijking betekent voor het leven van de Kerk, inbegrepen dat van religieuzen. Zowel jezuïeten als leken weten zich geroepen om in het spoor van Ignatius Jezus te volgen: dat is de kern van het partnerschap dat beiden verbindt.

En vele jezuïeten getuigen ervan dat zij heel wat te leren hebben van de manier waarop leken hun verbondenheid met Jezus beleven in het gezin, op het werk, enz. Het belang van deze evolutie mogen we niet onderschatten. Tot in een recent verleden werden leken beschouwd als de “ontvangers” van wat priesters en (mannelijke) religieuzen hen te geven hadden. Dat zij op hun beurt iets te bieden konden hebben en konden bijdragen tot een beter verstaan en een diepere beleving van het christelijk geloof was voor velen gewoon ondenkbaar. Ook al is er vooral sinds het Concilie een en ander ten goede veranderd, we staan wellicht nog maar aan het begin van de ontwikkeling van een echte lekenspiritualiteit”.

Inbreng jezuïeten blijft nodig

Terecht krijgen leken vanwege jezuïeten waardering, respect en vertrouwen voor de manier waarop zij de ignatiaanse spiritualiteit beleven en doorgeven. Wat dat betreft mogen zij als volwaardige partners beschouwd worden. Maar dat wil naar mijn mening niet zeggen dat zij het daarom zonder jezuïeten kunnen stellen. Soms heb je de indruk dat jezuïeten in onze contreien zich tegenover leken wat al te bescheiden opstellen en de specifieke plaats die zij zelf als “partner” bekleden minimaliseren. Nochtans hebben wij – misschien vandaag meer dan ooit  jezuïeten nodig die hun spiritualiteit ten volle beleven. Niet dat zij per se het ideaal moeten belichamen waarnaar wij moeten streven, maar zij zijn de eerste erfgenamen van de ignatiaanse spiritualiteit en de eerste getuigen van de waarachtigheid ervan: dat dit een “goede” weg is om het Leven te vinden. Enkele aspecten daarvan wil ik nu, vanuit “lekenperspectief”, in enkele gedachten ontwikkelen.

Het eerste wat opvalt met betrekking tot de ignatiaanse spiritualiteit en de mensen die haar beleven, is het feit dat zij zo onzichtbaar en ongrijpbaar is. Als ik benedictijnen of norbertijnen wil leren kennen, ga ik een tijdje verblijven in een abdij en laat ik mij meenemen door de sfeer en de schoonheid van gebouwen, koorgebed en liturgie. Opgenomen in hun manier van leven en gebed, proef ik als vanzelf iets van hun spiritualiteit. Maar hoe zit dat met de jezuïeten? Waar moet ik heen om hun spiritualiteit te proeven? Jezuïeten wonen niet in abdijen, maar in gewone huizen, waar meestal niets bijzonders aan is. Bovendien zijn ze niet aan hun woonplaats gebonden; zij verhuizen regelmatig en ook al weet je ze te wonen, je moet dikwijls geluk hebben om hen thuis te vinden. Ze hebben geen koorgebed of vaste gebedstijden en het zijn – het weze gezegd – niet echt experts in liturgie. Ze zijn niet altijd een toonbeeld van “ora et labora” een balans tussen werken en bidden, en daarenboven kunnen ze werkzaam zijn op elk mogelijk terrein; zelfs als collegepater of universiteitsprofessor zijn ze in onze contreien niet langer herkenbaar.

In tegenstelling tot vele andere religieuze gemeenschappen, hebben de jezuïeten een spiritualiteit die zich niet aan bepaalde plaatsen, gebedstijden en “werken” laat binden. Ignatius’ voornaamste bekommernis was “de zielen helpen” – mensen dichter bij God brengen – en daar moest bij wijze van spreken alles voor wijken: het traditionele koorgebed, de “stabilitas loci” en zelfs de persoonlijke voorkeur voor een of ander werk. Want wat het betekent de zielen te helpen moet – naargelang tijd en plaats –  steeds weer ontdekt (onderscheiden) worden. In die zin is de ignatiaanse spiritualiteit een spiritualiteit van het op weg zijn, van beschikbaarheid daar waar het verlangd wordt, en dus van… gehoorzaamheid. Dat laatste intrigeert natuurlijk: het roept oude beelden op van “kadaverdiscipline”, militaire corpsgeest en blinde onderwerping aan de wil van de overste. Maar ook al loert hier het gevaar van een ideologisering altijd om de hoek, toch is gehoorzaamheid mijns inziens een belangrijke pijler van de ignatiaanse spiritualiteit (en een belangrijke vrucht van de Geestelijke Oefeningen): overgave van de eigen wil aan Gods wil, en dat zou ik niet al te licht opvatten. Gehoorzaamheid aan Gods wil drukt zich heel concreet uit in gehoorzaamheid aan mensen en omstandigheden, vooral in die situaties waar men zelf liever een andere weg zou willen inslaan.

 Gezellen van Jezus

Waar vind je een thuis als je voortdurend op weg bent? Wie gaat er met je mee, als je je niet op zo’n manier kan binden aan mensen (of aan je werk…) dat je niet meer beschikbaar bent om “zielen te helpen”? Waar vind je een houvast of fundament?

Wij zijn compañeros de Jesus zegt Ignatius, “gezellen van Jezus”. Hij is het die met je meegaat. Bij Hem kom je thuis, door Hem word je gezonden, dankzij Hem houd je het vol, meer nog, ben je gelukkig in wat je doet. Leven in vriendschap met de Heer, dat is het fundament van het jezuïetenbestaan.

Maar hoe kom je tot vriendschap met Jezus? Hoe houd je de ruimte voor Hem open? Hoe vermijd je dat je je geluk zoekt in andere dingen? Ik geloof dat daar maar één antwoord op bestaat: door te bidden. De ignatiaanse spiritualiteit is een spiritualiteit van het gebed, wat men daarover ook moge beweren. Jezuïeten, en allen die met hen op weg gaan, zijn (moeten zijn) mensen van gebed, dat kan niet anders. Wie kan “de zielen helpen” als hij of zij niet een man of vrouw van gebed is? Eigenlijk moeten jezuïeten, misschien nog meer dan monniken, echte “contemplatieven” zijn. De ondersteuning die het abdij- of kloosterleven biedt, moeten zij immers ontberen en het gevaar dat men dan zodanig opgaat in studie, werk of relaties dat men vergeet dat het om Gods eer en hulp aan de zielen gaat, is reëel. Daarom moet de verbondenheid met Christus des te inniger zijn en daarvoor is een cultuur van het gebed levensnoodzakelijk.

Hiëronymus Nadal noemde Ignatius een“contemplatief in de actie” Met deze uitdrukking beschrijft hij het ideaal van wat de Moderne Devotie – de spiritualiteit waarin Ignatius gevormd is – in navolging van Jan van Ruusbroec de “ghemeyne mens” noemt. Ignatius was een “ghemeyne mens”: totaal beschikbaar voor de anderen, zonder de innige Godsverbondenheid te verliezen. Of zoals Nadal het uitdrukt:”Die manier van bidden tot de heilige Drieëenheid was aan Ignatius geschonken als een groot en uitzonderlijk voorrecht; en ook nog deze genade dat hij in alles, in woord en daad, zich bewust was van en gevoelig voor de aanwezigheid van God en de aantrekkingskracht van het bovennatuurlijke – contemplatief als hij was in de actie zelf.”Deze genade stelde hem in staat “God in alles te vinden”. InHet verhaal van de pelgrim, zijn gedicteerd levensverhaal, staat het zo: “Hij zei (…) dat hij veeleer in devotie was gegroeid – dat is in het gemak God te kunnen vinden – en dat hij die nu zelfs méér had dan ooit in heel zijn leven: op welk tijdstip hij God wilde vinden, telkens vond hij Hem. (99)

Een diep gebedsleven

Ignatius was een mysticus, hij was zich zo sterk bewust van Gods tegenwoordigheid dat hij er als het ware voortdurend en zonder moeite toegang toe had. Jezuïeten moeten natuurlijk geen mystici zijn – dat is een “genade” (cf. Nadal) die niet aan hun roeping gebonden is – , maar zij zijn naar mijn mening toch geroepen tot het diepe gebedsleven dat Ignatius had. Zij zijn geroepen “contemplatieven in de actie” te zijn; ze staan midden in de wereld, gaan op in wetenschappelijk werk, geven les, staan vluchtelingen en armen bij, “duiken diep onder in de dagelijkse vreugde en het lijden van mensen” (Martini), en blijven in dit alles innig met de Heer verbonden. Daardoor worden hun bezigheden werkelijk vruchtbaar; zij worden immers werken van de Heer zelf, en naarmate de vriendschap met Hem en de overgave aan Hem groeit, kunnen zij daarin meer “de zielen helpen”.

Formeel genieten jezuïeten een grote vrijheid wat de dagelijkse gebedstijd betreft. Afhankelijk van de situatie waarin ze zich bevinden, moeten zij zelf bepalen hoeveel zij moeten bidden. “

Er moet geen andere regel worden voorgeschreven dan die welke de verstandige liefde aan ieder ingeeft, ” zegt Ignatius (Constituties 582). Er zijn verschillende brieven van hem bewaard waarin hij medebroeders vermaant minder te bidden. Sommigen hebben daarin een dankbaar excuus gevonden om het gebed tot een strikt minimum te beperken. Dikwijls met het argument dat zij geen monniken zijn: dezen zoeken en vinden God in het gebed, terwijl jezuïeten God zoeken en vinden in de wereld, “in alle dingen”. Dit lijkt me een verkeerde voorstelling van zaken. Ignatius’ medebroeders voelden zich dikwijls zo sterk aangetrokken tot het gebed dat het gevaar dreigde dat zij hun verantwoordelijkheden niet meer zouden opnemen. Ongetwijfeld zou Ignatius hebben kunnen instemmen met de uitspraak van Vincentius a Paolo dat men het gebed mag verlaten om een zieke te verzorgen omdat men“ God niet alleen laat wanneer men God verlaat omwille van God”  . Het gebed van een jezuïet is niet aan tijd en plaats gebonden, maar we mogen er van uitgaan dat zijn verlangen naar God zo groot is, dat hij bidt waar en wanneer het maar enigszins kan. Daarom, hoe verschillend de levenswijze tussen de zogenaamde contemplatieven en actieven ook is, voor beiden is het gebed het fundament van hun leven. Het leidt naar Gods liefde en maakt elk “werk” echt vruchtbaar, of dat nu bier brouwen is binnen de muren van een abdij, de uitgave van een werk van Ruusbroec of het bijstaan van vluchtelingen.

Het enig noodzakelijke

Het leven van Thérèse van het kind Jezus was in zowat alles tegengesteld aan dat van Ignatius. Op jonge leeftijd ingetreden in de karmel van Lisieux, verliet zij niet één keer haar klooster. Zij beoefende haar apostolaat voor de wereld binnen de muren van haar klooster, terwijl het apostolaat van de jezuïeten zich “in” de wereld afspeelt. Niettemin riep Pius XI op 14 december 1927 de kleine Thérèse uit tot patrones van de missies, samen met de jezuïet Franciscus Xaverius, die onvermoeibaar het verre oosten had afgereisd. Wellicht hebben karmelieten en jezuïeten nooit zo dicht bij elkaar gestaan als toen… Wat is het dat beiden verbindt? Welke gemeenschappelijke grond zit er onder deze van de buitenkant bekeken totaal verschillende levenswijzen? De vereniging met Christus, die al de rest mogelijk maakt. In een brief aan haar overste schrijft Thérèse: “Moeder, sinds ik begrepen heb dat het voor mij onmogelijk is om ook maar iets uit mijzelf te doen, viel de taak die u me opgedragen hebt niet meer zwaar; ik heb aangevoeld dat het enig noodzakelijke was, om me meer en meer met Jezus te verenigen en dat al het overige me erbovenop gegeven zou worden.” En mgr. A. Combes commentarieert: “Wie heeft het ooit gewaagd met een dergelijke eenvoudige stelligheid te zeggen: het aandeel van de mens in de actie, is de contemplatie? Hij moet zich meer en meer met Jezus verenigen: al het overige – dat wil zeggen de actie zelf – zal hem erbovenop gegeven worden!” Ik geloof dat Ignatius het hier volmondig mee eens zou zijn.

In harde bewoordingen wijst Jan van het Kruis – Thérèses grote ordegenoot en landgenoot van Ignatius – de “actieven” in de Kerk terecht die buiten het gebed om vruchtbaar menen te zijn: “De zeer actieven dus, die met hun preken en uiterlijke bezigheden de wereld denken te omvademen, dienen hier er aan te denken, dat zij de Kerk tot veel meer nut zouden strekken en God veel meer zouden behagen –  om nog te zwijgen van het goede voorbeeld dat zij zouden geven –  als zij misschien eens de helft van die tijd besteedden aan het verkeer met God in gebed, ook al zouden zij nog niet tot zo’n verheven gebed gekomen zijn als hiervóór bedoeld. Zonder twijfel zouden zij dan door één werk met minder moeite méér tot stand brengen dan anders met duizend, omdat hun gebed het werk dan verdienstelijk zou maken en zijzelf er geestelijke krachten uit zouden putten. Als zij op een andere manier te werk gaan, betekent dit hard hameren en een beetje meer dan niets tot stand brengen, en soms helemaal niets en soms zelfs nadeel. Moge God er u voor behoeden dat het zout krachteloos wordt, dat ge in werkelijkheid niets doet, al heeft het van buiten nog zo de schijn dat ge iets tot stand brengt, daar het toch zeker is dat geen goede werken tot stand gebracht kunnen worden tenzij in de kracht van God (Geestelijk Hooglied, 29, 3)

Niet voor niets noemde het vriendengroepje rond Ignatius zichzelf “gezellen van Jezus”. De vriendschap met Jezus was voor hen een beleefde werkelijkheid en het fundament van hun roeping. Dit hoofdstukje uit   De Navolging van Christus van Thomas van Kempen –  het lievelingsboek van Ignatius –  laat ons iets proeven van deze innige verbondenheid:

De vertrouwelijke vriendschap met Jezus

Als Jezus bij u is, dan is alles goed en lijkt geen enkel ding moeilijk. 2Maar als Jezus er niet is, valt alles hard. 3Als Jezus van binnen niet spreekt, is iedere troost waardeloos. 4Maar als Jezus ook maar één woord spreekt, voelen wij een diepe vertroosting. 5Stond Maria Magdalena niet meteen op van de plaats waar zij zat te schreien, toen Martha zei: “De Meester is er en Hij roept u” (Joh 11, 28)? 6Gelukkig het uur waarop Jezus u van uw tranen wegroept naar de vreugde van de geest. 7Wat zijt ge dor en hard zonder Jezus!

Wat zijt gij onwijs en ijdel als gij iets begeert buiten Jezus! 9Is dat soms geen erger schade dan wanneer gij de hele wereld zoudt verliezen? 10Wat heeft u de wereld te bieden zonder Jezus? 11Zonder Jezus zijn is een zware hel, met Jezus zijn een verrukkelijk paradijs. 12Als Jezus maar bij u is, kan geen enkele vijand u schaden. 13Wie Jezus vindt, die vindt een waardevolle schat, ja zelfs een schat waarvan de waarde alle waarde te boven gaat. 14En wie Jezus verliest, verliest ontzettend veel, meer dan de hele wereld. 15Doodarm is hij die zonder Jezus leeft, schatrijk hij die goed met Jezus staat.

Het is een grote kunst met Jezus te kunnen omgaan; en Jezus weten te behouden is een grote wijsheid. 17Wees nederig en vreedzaam, en Jezus zal bij u zijn. 18Wees vroom en rustig, en Jezus zal bij u blijven. 19Gij kunt Jezus gauw verjagen en zijn genade verliezen, wanneer gij wilt afdwalen naar de uiterlijke dingen. 20En wanneer gij Hem eenmaal verjaagd hebt en verloren, naar wie zult gij dan vluchten en wie zult gij als vriend gaan zoeken?

Zonder een vriend kunt gij niet goed leven, en als Jezus niet bovenal uw vriend is, zult gij er diep droevig en verlaten aan toe zijn. 22Gij doet dus dwaas wanneer gij in iemand anders vertrouwen stelt of uw vreugde vindt. 23Het is verkieslijker de hele wereld tegen zich te krijgen dan Jezus te krenken. Van allen die u dierbaar zijn moet Jezus dus alleen uw Geliefde bij uitstek wezen. 25Uw liefde moet allen gelden omwille van Jezus, maar Jezus omwille van Hemzelf. 26Jezus Christus alleen moet uitzonderlijk bemind worden, omdat Hij alleen boven alle vrienden goed en trouw bevonden wordt. 27Omwille van Hem en in Hem moeten zowel vrienden als vijanden u lief zijn en voor hen allen moet uw gebed tot Hem gaan, opdat zij allen Hem mogen kennen en liefhebben.Gij moet nooit verlangen boven anderen geprezen of bemind te worden, want dit komt uitsluitend aan God toe, die zijnsgelijke niet heeft. 29 Ook moet gij niet willen dat iemands hart door de liefde tot u in beslag wordt genomen, noch dat uw hart door de liefde totiemand in beslag wordt genomen, maar Jezus moet in u zijn en in alle rechtgeaarde mensen. 30 Wees zuiver en vrij in uw binnenste zonder dat gij u in enig schepsel verstrikt.  31Gij dient naakt te zijn en aan God een zuiver hart te bieden, wanneer gij vrij wilt zijn en zien wilt hoe zoet de Heer is. En gij zult het beslist zover niet brengen als gij door zijn genade niet voorkomen en aangetrokken wordt om, na alles te hebben weggedaan en afgedankt, alleen te zijn en u met Hem te verenigen. 33Want als de genade van God tot de mens komt, dan wordt hij tot alles bij machte. 34Gaat zij van hem heen, dan is hij arm en zwak en is hij als het ware alleen nog maar aan de klappen overgeleverd.

In deze toestand moet hij niet neerslachtig worden en niet wanhopig, maar zich gelijkmoedig schikken in Gods wil en alles wat hem overkomt ter ere van Jezus Christus verdragen, want na de winter volgt de zomer, na de nacht keert de dag terug en na de storm komt stralend helder weer. 

(Thomas van Kempen, De Navolging van Christus   uit het tweede boek “Wenken die tot het innerlijk leven leiden”). 

Een mens is geroepen om “gezel van Jezus” te zijn. Daarin ligt zijn bestemming en zijn geluk. Het is het “enig noodzakelijke”, de kostbare parel. Door hun levenswijze laten jezuïeten zien dat zij daarvan leven. En daarmee leggen zij getuigenis af tegenover elk van ons. Als een “levende heenwijzing” laten zij zien waar het in het bestaan om gaat. Met Jezus zijn we kind van de Vader, door Hem wordt elke mens broer of zus van dezelfde Vader, in Hem ontdekken we dat de wereld “schepping” is, gemaakt om mensen naar God te leiden. In de vriendschap met de Heer worden alle dingen relatief, dat wil zeggen, krijgen ze hun juiste plaats. Alles komt “in orde”. Hij leert ons onderscheiden waar het op aankomt: wat naar Hem leidt en van Hem wegleidt. Zijn vriendschap is de bron van alle liefde, ook die voor onze partner of kinderen. Hij maakt het mogelijk dat wij hen echt kunnen liefhebben, Hij geeft ze ons en aan Hem zijn ze toevertrouwd.

Print Friendly, PDF & Email