Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Ignatiaanse spiritualiteit / Brief van Ignatius van Loyola aan Jezuïeten van Nu

Brief van Ignatius van Loyola aan Jezuïeten van Nu

Redactie Cardoner on 02/11/2015 - 5:11 pm in Ignatiaanse spiritualiteit, Jezuïeten - Zending Vandaag

Karl Rahner SJ kroop in de huid van Ignatius en schreef over “de kern van de jezuïetenroeping zoals deze zich in vier eeuwen heeft ontwikkeld, en wat deze vandaag de dag aan kracht in zich heeft”. Karl Rahner (1904-1984), een Duitse jezuïet, was een van de meest invloedrijke theologen van de 20e eeuw. Het Duitse origineel van deze tekst is van 1978. 

Ik, Ignatius van Loyola, wil proberen hier iets te zeggen over mezelf en over wat Jezuïeten van vandaag te doen staat. Daarbij ga ik ervan uit, dat jullie je gebonden weten aan de geest die mij en mijn eerste gezellen bezielde in de eerste periode van deze orde.

Ik wil niet mijn levensloop vertellen in de stijl van een historische biografie. Een dergelijk verslag van de feiten, zoals ik ze tegen het einde van mijn leven kon zien (zo waren ze en niet anders) heb ik al in het kort gegeven en dat is nog in jullie bezit. En behalve dat zijn er in iedere eeuw tot heden toe genoeg goede en slechte boeken over mij geschreven. Vanuit het gelukzalige zwijgen van God dat ik ondervonden heb, wil ik proberen iets over mezelf te zeggen, ofschoon dat bijna onmogelijk is en ofschoon wat vandaar uit gezegd wordt, onvermijdelijk weer van eeuwigheid in tijd verandert, ook al blijft deze tijd op zijn beurt omgeven door het eeuwige geheim van God. En zeg nu niet te snel en te gemakkelijk, dat je je wat ik te zeggen heb, niet eigen zou kunnen maken, omdat het voor het gehoord is, gefilterd wordt in jouw hoofd en misschien ook in jouw hart en zodoende alle problematische eigenaardigheden van de luisteraar en van zijn vergankelijke situatie in zich zou dragen. Als theoloog zou je moeten weten, dat het horen het spreken niet noodzakelijk en geheel teniet doet. Als je straks opschrijft wat jij op jouw manier gehoord hebt, is er misschien toch nog iets overgebleven van wat ik wilde zeggen. Bovendien, als wat ik nu zeg precies zo zou klinken als mijn woorden in Het Verhaal van de Pelgrim, de Geestelijke Oefeningen, de Constituties van mijn orde en in de duizenden brieven die ik samen met mijn secretaris Polanco heb geschreven, en als je dan dat alles rustig voor kennisgeving zou kunnen aannemen en beschouwen als bezonken wijsheid van een heilige, dan zou ik alleen voor mijn tijd en niet voor de jouwe gesproken hebben.

Onmiddellijke Godservaring

Zoals je weet, wilde ik, zoals ik het toen uitdrukte, “de zielen helpen”, dwz. ik wilde mensen iets zeggen over God en zijn genade en over Jezus Christus, de Gekruisigde en Verrezene, iets dat hun vrijheid zou verlossen tot de vrijheid die ik in God had leren kennen. Ik wilde niet iets anders zeggen dan wat in de Kerk altijd gezegd werd, en toch was ik van mening (en die mening was juist) dat ik het oude op een nieuwe manier kon zeggen. Waarom? Ik was ervan overtuigd, dat ik – eerst als beginneling tijdens mijn ziekte in Loyola en later definitief gedurende mijn afzondering in Manresa – God onmiddellijk ontmoet heb en dat ik die ervaring zo goed en zo kwaad als het kon, aan anderen moest doorgeven.

Als ik zo beweer God onmiddellijk te hebben ervaren, dan hoef ik aan deze bewering nog geen college theologie te verbinden over het wezen van die onmiddellijke Godservaring; dan wil ik ook niet spreken over alle begeleidende fenomenen van zo’n ervaring, die uiteraard ook hun historische en individuele eigenaardigheden vertonen. Ik heb het namelijk niet over aanschouwelijke visioenen, symbolen, geluiden, niet over de gave der tranen en dergelijke dingen. Ik zeg alleen: ik heb God ervaren, de naamloze en ondoorgrondelijke, zwijgende en toch nabije, die zijn Drievuldigheid naar mij toewendde. Ik heb God ervaren ook en vooral voorbij aan iedere aanschouwelijke verbeelding, Hem die als Hij zo vanuit Zichzelf iemand in genade nabij komt, in het geheel niet met iets anders verwisseld kan worden.

Mijn overtuiging zal in jullie oren wel totaal ongevaarlijk klinken. Ze zal niet eens opvallen, vermoed ik, want zodra jullie God ter sprake brengen, vallen jullie niet over een woord. Maar in wezen is die overtuiging overweldigend, voor mij anders dan voor jullie. Want ik ben overweldigd door de onbegrijpelijkheid van God, die met geen andere onbegrijpelijkheid te vergelijken is; en jullie leven in een tijd zonder God, die – alles bijeengenomen – niet verder gekomen is dan de afgoden af te schaffen, welke de tijd die aan jullie tijd voorafging gelijkgeschakeld had met de onzegbare God, wat ik naïef en tegelijk verschrikkelijk vind. Misschien moet ik zelfs spreken over de afwezigheid van God tot in de Kerk toe, waar die toch uiteindelijk in de eenheid met de Gekruisigde door haar eigen geschiedenis de val van de goden tot stand moet brengen.

518vvLy3zeL._SX300_BO1,204,203,200_Zijn jullie er eigenlijk nooit van geschrokken, dat ik in mijn Verhaal van de Pelgrim gezegd heb, dat mijn mystiek mij zo’n geloofszekerheid heeft gegeven, dat mijn geloof ook ongeschokt zou blijven als er geen Heilige Schrift bestond? Zou je hierop niet gemakkelijk tot een aanklacht kunnen komen van subjectivistisch mysticisme en van onkerkelijkheid? Ik vond het eigenlijk helemaal niet zo verwonderlijk dat ze mij er in Alcalà, Salamanca en elders van verdachten een ‘alumbrado’ te zijn. Ik heb God, de ware en levende God, werkelijk ontmoet. Hem die deze naam verdient, waarbij alle andere namen verdwijnen. Of men zo’n ervaring mystiek noemt of niet, doet hier niet ter zake. Hoe men enigszins in menselijke begrippen kan verduidelijken, dat zoiets überhaupt mogelijk is, daarover mogen jullie theologen speculeren. Waarom zulk een onmiddellijkheid een verhouding tot Jezus en, daarvan afgeleid, tot de Kerk niet teniet doet, daarover wil ik later nog even spreken.

Nu eerst echter dit: ik heb God ontmoet; ik heb Hem zelf ervaren. Ik kon ook toen al onderscheid maken tussen God zelf en de woorden, de beelden, de beperkte losse ervaringen die op een of andere manier naar God verwijzen. Die ervaring van mij had natuurlijk ook zelf weer haar eigen geschiedenis; ze begon klein en bescheiden. Ik sprak en schreef erover op een manier die nu natuurlijk ook mijzelf ontroerend kinderlijk voorkomt en die wat ik bedoelde, slechts heel indirect en als van verre laat zien. Maar het blijft waar: vanaf Manresa heb ik in toenemende mate en steeds zuiverder de onvergelijkbare onbegrijpelijkheid van God ervaren (mijn vriend Nadal heeft het destijds ook al op zijn meer filosofische manier geformuleerd).

God zelf. God zelf heb ik ervaren, niet menselijke woorden over Hem. Hem en de onherleidbare vrijheid die Hem eigen is en die alleen van Hem zelf uit kan worden ervaren en niet als kruispunt van eindige werkelijkheden en van de berekeningen daarover. Hem zelf: dat blijf ik zo zeggen, ook al is het “zien van aangezicht tot aangezicht” dat ik nu ervaar, weer heel iets anders (en toch hetzelfde) en ook al hoef ik geen theologieles over dit onderscheid te geven. Ik zeg: zo was het. Ik durf zelfs te zeggen: als jullie je in je scepticisme (want jullie staan natuurlijk sceptisch tegenover mijn bewering, aangestoken als jullie zijn door een diepgaand atheïsme) tot het uiterste zouden laten gaan, niet alleen in theorie met veel schrander gepraat maar ook in het bittere leven, dan zouden jullie dezelfde ervaring kunnen opdoen. Dan komt er namelijk een gebeuren op gang waarbij (bij alle biologisch voortbestaan) de dood ervaren wordt als radicale hoop, die alleen nog door zichzelf bewezen wordt, of als volstrekte wanhoop; en op dat moment biedt God Zichzelf aan. (Geen wonder dat ik zelf in Manresa vlakbij de afgrond van zelfmoord heb gestaan). Deze ervaring is weliswaar genade, maar daarom toch voor niemand in principe ontoegankelijk. Juist daarvan was ik overtuigd.

Leidraad om zelf tot ervaring te komen

Ik beschouwde de genade van Manresa en van mijn verdere leven tot in de eenzaamheid van mijn dood, die ik helemaal alleen onderging, toch niet als een speciaal privilege van een elitair uitverkoren mens. En daarom gaf ik Geestelijke Oefeningen aan ieder voor wie zo’n aanbod van geestelijke hulp acceptabel scheen te zijn. Ik gaf Geestelijke Oefeningen, ook reeds voordat ik jullie theologie bestudeerd had en het (ik moet een beetje lachen) met enige moeite tot Parijse magister gebracht had, ook voordat ik door de priesterwijding kerkelijk-sacramentele volmachten had ontvangen. Waarom ook niet? De retraiteleider (zoals jullie hem later hebben genoemd) draagt, gezien de uiteindelijke aard van deze Oefeningen, hoe kerkelijk ze ook zijn, niet ambtshalve het woord van de Kerk als zodanig over, maar reikt slechts (als hij kan) heel behoedzaam van verre enige hulp aan, zodat God en de mens elkaar werkelijk onmiddellijk ontmoeten. De eerste gezellen die ik had, waren voor deze taak ook maar heel verschillend begaafd en vóór Parijs liepen allen die ik door de Oefeningen voor mijn plannen had willen winnen, weer van mij weg. Nogmaals: is het voor de kerkelijkheid van mijn tijd en voor het atheïsme van jullie tijd zo vanzelfsprekend, dat er een directe Godservaring bestaat, bestaan mag?

Is het niet waarschijnlijker, dat mijn oude tijd die directe Godsontmoeting als onkerkelijk subjectivisme zou hebben verworpen en dat jullie nieuwe tijd er niet meer in ziet dan illusie en ideologie?

Ik heb in Parijs aan mijn Geestelijke Oefeningen de regels voor de kerkelijke gezindheid toegevoegd; ik heb alle ambtelijke processen die men in de kerk telkens weer tegen mij aanspande, met succes uitgevochten; ik heb mijn werk en dat van mijn gezellen onder het rechtstreeks gezag van de paus gesteld. Daarover moet ik straks nog uitvoeriger spreken. Maar het blijft waar: God kan en wil onmiddellijk met zijn schepselen omgaan; dat het gebeurt, kan de mens werkelijk ervaren; hij kan de soevereine beschikking vatten van de vrijheid van God over zijn leven; en die is meer dan een imperatief van menselijke schranderheid, meer dan het resultaat van objectief (filosofisch, theologisch of ‘existentieel’) geredeneer vanonder af.

Ignatiaanse spiritualiteit

Deze zo simpele en toch eigenlijk overweldigende overtuiging is, volgens mij, (samen met iets waarover ik nog te spreken kom) de kern van wat jullie mijn spiritualiteit plegen te noemen. Is zij, gezien vanuit de geschiedenis van de kerkelijke vroomheid en in die geschiedenis, oud of nieuw? Ligt zij voor de hand of is zij iets schokkends? Geeft zij het begin aan van de “nieuwe tijd” van de kerk en is zij misschien meer verwant met de oorspronkelijke ervaringen van Luther en Descartes dan jullie, jezuïeten, de eeuwen door wilden toegeven? Is zij iets wat weer op de achtergrond zal raken in de Kerk van vandaag en morgen? Daar verdraagt men immers de zwijgende eenzaamheid voor God bijna niet meer en probeert men te vluchten in een kerkelijke gemeenschappelijkheid, hoewel kerkelijke gemeenschap toch eigenlijk zou moeten worden opgebouwd uit geestelijke mensen die God onmiddellijk ontmoet hebben en niet uit hen die de Kerk gebruiken om uiteindelijk te ontkomen aan de ontmoeting met God en zijn vrije onbegrijpelijkheid. Vriend, voor mij bestaan zulke vragen al lang niet meer en ze hebben daarom geen antwoord nodig; ik ben hier niet de profeet van de toekomstige kerkgeschiedenis; jullie moeten deze vragen aan jezelf stellen en er antwoorden op vinden die in hun theologische helderheid leiden tot keuzes die geschiedenis maken.

Maar het blijft waar: de mens kan God zelf ervaren. En jullie zielzorg zou steeds en bij iedere stap onverbiddelijk dit doel voor ogen moeten hebben.

Als jullie de voorraadkamers van het bewustzijn van de mensen alleen maar vullen met jullie theologie, al is die nog zo geleerd en gemoderniseerd, op een manier die uiteindelijk toch alleen maar een verschrikkelijke woordenvloed zou opleveren; als jullie de mensen alleen maar op het spoor van kerkelijkheid zouden dresseren tot enthousiaste onderdanen van het kerkelijk establishment; als jullie in de Kerk toch van de mensen alleen maar gehoorzame onderdanen zouden maken van een verre God die vertegenwoordigd wordt door een kerkelijke overheid; als jullie de mensen niet nog vóór dit alles zouden helpen om uiteindelijk alle tastbare zekerheden en stukjes kennis los te laten en zich getroost te laten vallen in die onbegrijpelijkheid die geen wegen meer heeft; als jullie ze niet zouden helpen dit klaar te spelen in de laatste, verschrikkelijke impasses van het leven en in de mateloosheid van de liefde en van de vreugde en tenslotte radicaal en definitief in de dood (samen met de van God verlaten, stervende Jezus); – dan zouden jullie met je zogenaamde zielzorg en missionaire zending mijn “spiritualiteit” toch nog hebben vergeten of verraden.

Aangezien alle mensen zondaars zijn en kortzichtige wezens, hebben jullie, jezuïeten, in jullie geschiedenis volgens mij niet zelden gezondigd door die spiritualiteit te vergeten en te verraden. Jullie hebben niet zelden de Kerk verdedigd, alsof zij het laatste was, alsof zij niet ten diepste, waar zij trouw blijft aan haar eigen wezen, het gebeuren was waarbij de mens zich zwijgend overgeeft aan God en uiteindelijk helemaal niet meer wil weten wat Hij daarmee doet, omdat God juist het onbegrijpelijke geheim is en alleen zó onze bestemming en onze zaligheid kan zijn.

Vooral voor jullie met dat verdrongen geheime atheïsme van tegenwoordig zou ik duidelijker moeten uitleggen, hoe men God onmiddellijk kan ontmoeten en hoe deze ervaring zo alles kan gaan omvatten dat God iemand op ieder moment tegemoet komt en niet alleen op speciale “mystieke” ogenblikken en dat alle dingen Hem zichtbaar maken zonder dat ze zelf in het niet verdwijnen. Ik zou eigenlijk iets moeten zeggen over situaties die voor zulke ervaringen bijzonder gunstig zijn (voor het geval dat deze ervaringen iemand voor de eerste keer duidelijk gemaakt moeten worden). Die situaties hoeven er uiteraard in jullie tijd niet altijd hetzelfde uit te zien als ik geprobeerd heb door de richtlijnen van mijn Geestelijke Oefeningen tot stand te brengen. Ik ben er overigens ook van overtuigd, dat indien die Geestelijke Oefeningen tamelijk letterlijk worden genomen, ze ook in jullie tijd nog steeds meer succes kunnen hebben dan heel wat nieuwerwetse “verbeteringen” die tegenwoordig hier en daar bij jullie in praktijk worden gebracht. Vervolgens zou ik moeten verhelderen, dat het wekken van zo’n Godservaring welbeschouwd niet een indoctrinatie is van iets wat van tevoren helemaal niet in de mens aanwezig is. De mens komt daardoor juist uitdrukkelijker tot zichzelf. Hij aanvaardt vrij iets in zichzelf wat altijd al gegeven is, meestal bedolven en verdrongen, maar onontkoombaar; en dat iets heet genade. Daarin is God zelf onmiddellijk aanwezig.

Misschien (ik moet er een beetje bij lachen) zou ik jullie moeten zeggen, dat je geen reden hebt om wanhopig van dorst naar oosterse bronnen van verdieping te lopen, alsof er bij ons geen bronnen van het levende water meer zouden bestaan. Van de andere kant mogen jullie ook niet hoogmoedig beweren, dat uit die oosterse bronnen alleen maar menselijke kennis van het hogere zou kunnen vloeien en niet ook de eigenlijke genade van God. Maar ik kan over dat alles nu niet verder spreken. Jullie moeten er zelf over nadenken, het zelf onderzoeken en keuren. De eigenlijke prijs voor de ervaring die ik bedoel, is het hart dat zichzelf geeft in geloof en hoop en dat de naasten liefheeft.

Institutionele religie en innerlijke ervaring

Wat ik zojuist bedoelde, zou ik nog eens met een beeld willen verduidelijken. Zie het hart eens als een stuk grond. Moet dat voor eeuwig tot onvruchtbaarheid gedoemd blijven, tot een woestijn waarin de demonen huizen, of mag het een vruchtbaar land zijn, dat vruchten voortbrengt voor de eeuwigheid? Je krijgt soms de indruk dat de Kerk geweldige en ingewikkelde “irrigatiesystemen” aanlegt om het land van dit hart te bevloeien en vruchtbaar te maken door haar woord, haar sacramenten, haar instellingen en levenspraktijken. Nu zijn al die “irrigatiesystemen”, als je ze zo mag noemen, zeker goed en nodig (al erkent de Kerk ook zelf, dat de bodem van een hart ook vruchten voor de eeuwigheid kan voortbrengen, als haar “irrigatie-installaties” nog niet zover reiken). – Natuurlijk klopt dit beeld niet helemaal: het handelen van de Kerk in evangelie en sacramenten heeft aspecten, redenen en wetten die met dit beeld niet duidelijker worden. Maar laten we het beeld toch even vasthouden. –

Ik bedoel dan dit: naast dit, als het ware van buiten komende, van buitenaf aangevoerde water, dat dit land van de ziel moet drenken (zonder beeld: naast de godsdienstige indoctrinaties, boven alle stellingen over God en zijn geboden uit, boven alles uit wat niet God is en alleen maar naar God verwijst, waartoe ook Kerk, Schrift, sacramenten enz. behoren), bestaat er ook zoiets als een diepteboring op dat land zelf: uit de bron die dan aangeboord wordt, borrelen midden in dat land de wateren van de levende Geest op ten eeuwigen leven. Zo staat het ook eigenlijk al bij Johannes. Zoals gezegd: het beeld gaat mank. Er bestaat uiteindelijk geen tegenstelling tussen deze bron en het “irrigatiesysteem” van buitenaf. Deze beide werkelijkheden zijn uiteraard van elkaar afhankelijk. Iedere oproep van buitenaf in de naam van God (een ander beeld) dient alleen maar ter verduidelijking van de innerlijke toezegging van God dat Hij Zichzelf wil geven en deze toezegging kan op haar beurt niet zonder die oproep in een of andere aardse vorm. Die vorm kan overigens veel meer variëren en veel bescheidener zijn dan jullie theologen vroeger toestonden. Bovendien mag die oproep van buitenaf, een oproep tot verantwoordelijkheid, tot liefde en trouw, tot onbaatzuchtige inzet voor vrijheid en gerechtigheid in de maatschappij, veel wereldlijker klinken dan jullie theologen graag zouden horen.

Maar – en daar leg ik eigenzinnig steeds weer de nadruk op – zulke indoctrinaties en imperatieven van buitenaf, zulk een toevoer van genade van buitenaf halen uiteindelijk alleen maar iets uit, als ze de diepste genade van binnenuit ontmoeten. Dat was nu juist mijn ervaring vanaf mijn eigen eerste “geestelijke oefeningen” in Manresa: daar werden mij de ogen van de geest geopend en kon ik alles zien in God zelf. Die ervaring wilde ik op anderen overdragen door de Geestelijke Oefeningen die ik gaf.

Mij lijkt het een vanzelfsprekende zaak dat deze hulp om God onmiddellijk te ontmoeten (of moet je zeggen: om te ervaren dat de mens God altijd al ontmoet heeft en ontmoet?) vandaag de dag nog belangrijker is dan ooit. Want anders valt er niet te ontkomen aan het gevaar, dat alle theologische indoctrinaties en alle morele imperatieven van buitenaf opgeslokt worden door de dodelijke stilte die het hedendaagse atheïsme om de mens heen legt, zonder dat men overigens in de gaten heeft dat deze verschrikkelijke stilte ook weer van God spreekt. Ik zeg steeds hetzelfde. Ik kan nu geen Geestelijke Oefeningen meer geven en daardoor blijft natuurlijk mijn verzekering, dat je God onmiddellijk kunt ontmoeten, een niet ingeloste belofte.

Je begrijpt me nu wel, denk ik, als ik stel, dat het geven van de Geestelijke Oefeningen voor jullie, jezuïeten, de voornaamste taak moet zijn. Al het andere moet daarop gericht zijn. Met Geestelijke Oefeningen bedoel ik dan natuurlijk geen cursussen die door de Kerkelijke overheid worden georganiseerd en die aan velen tegelijk worden gegeven. Ik bedoel dat we anderen helpen binnen te gaan in Gods geheim, zodat ze Gods onmiddellijke nabijheid niet verdringen, maar duidelijk ervaren en aanvaarden. Niet dat ieder van jullie op deze manier Geestelijke Oefeningen zou kunnen of moeten geven: niet ieder van jullie hoeft zich in te beelden dat hij dat zou kunnen. Ik wil ook niets afdoen aan het belang van alle andere pastorale, wetenschappelijke en maatschappelijke taken, die jullie in de loop van je geschiedenis meenden te moeten uitproberen.

Maar dat alles moeten jullie eigenlijk zien als voorbereiding of als uitvloeisel van wat ook in de toekomst jullie uiteindelijke opdracht moet blijven: de mensen te helpen om tot een onmiddellijke ervaring van God te komen, zodat ze gaan beseffen dat het onbegrijpelijke mysterie dat wij God noemen, nabij is en aangesproken kan worden, en juist dan ons ten diepste thuis doet komen, als wij maar niet proberen er ons meester van te maken, maar ons er onvoorwaardelijk aan overgeven. Jullie moeten alles wat jullie doen, steeds weer toetsen aan de vraag of dit doel ermee gediend wordt. Als dat het geval is, heb ik er geen bezwaar tegen dat iemand van jullie die bioloog is, ook nog een studie maakt van het zielenleven van de kakkerlak.

God buigt zich naar de wereld

Als ik beweer, dat God ook in jullie tijd, niet minder dan in de mijne, onmiddellijk ontmoet kan worden, dan bedoel ik werkelijk God, de onbegrijpelijke God, het onuitsprekelijke geheim, het duister, dat alleen voor wie er zich onvoorwaardelijk door laat opslokken, het eeuwige licht wordt, de God die geen naam meer heeft. Maar juist deze God, Hij en geen ander, werd door mij ervaren als de God die tot ons afdaalt, die ons nabij komt, in wiens onbegrijpelijke vuur wij juist niet verbranden, maar in feite pas worden en eeuwigheidswaarde krijgen. De onzegbare God zegt ons Zichzelf toe en in deze belofte van zijn onuitsprekelijkheid worden wij, leven wij, zijn wij bemind en krijgen wij eeuwigheidswaarde. Als wij ons door Hem laten nemen, worden wij door Hem niet vernietigd, maar pas echt aan onszelf gegeven. Het nietige schepsel wordt oneindig belangrijk, onuitsprekelijk groot en mooi, aangezien het door God met Hemzelf begiftigd is.

Zonder God dwalen wij in de ruimte van onze vrijheid en van onze keuzen eeuwig onzeker en uiteindelijk wanhopig verveeld rond, omdat alles wat wij kunnen kiezen, toch maar beperkt is en steeds weer door nog iets anders verdrongen kan worden en het er dus tenslotte niet toe doet wat we kiezen. Ik deed echter de ervaring op, dat de ruimte van mijn vrijheid en van mijn mogelijkheden werd opgenomen in de ruimte van de oneindige vrijheid van God en dat Hij, als ik een keuze ging maken, van al mijn mogelijkheden er één meer dan de andere met zijn bijzondere liefde omvatte. Hij maakte dan dat Hijzelf daarin ‑ en niet in al die andere mogelijkheden ‑ oplichtte, zo dat Hij er niet door vertekend werd, maar erin bemind kon worden en die mogelijkheid in Hem bemind kon worden. En zo werd voor mij duidelijk dat die ene mogelijkheid “de wil van God” was.

Als ik de mogelijkheden van mijn vrijheid voor de beginnende beslissing van mijn vrijheid plaatste en ik die mogelijkheden van te voren invoelde en erop inspeelde, kwam ik tot de bevinding, dat de ene mogelijkheid het zicht op God zelf vrij liet en in die open vrijheid paste en de andere niet; dat Hij in de ene mogelijkheid bleef oplichten en in de andere niet. Toch konden al die mogelijkheden op zich kleine tekentjes zijn van de oneindige God, die ‑ ieder op hun manier ‑ van Hem afkomstig zijn. Zo ongeveer (het is moeilijk het duidelijk te maken) leerde ik opnieuw te onderscheiden, ook binnen het veld van wat feitelijk en redelijk mogelijk was en in het kerkelijk leven geoorloofd, tussen datgene waarin de onbegrijpelijkheid van de grenzeloze God mij in het begrensde nabij wilde zijn, en datgene wat enigszins duister bleef en geen doorkijk gaf op God, hoewel het op zich genomen en zoals ik het ervoer, ook zinvol was. Het zou immers dwaasheid zijn te beweren, dat alles wat bestaat, juist omdat het bestaat en dus van God afkomstig is, voor iedere mens in gelijke mate een doorkijk op God zou moeten geven, want dan zou, gegeven dat een mens in vrijheid kiest en moet kiezen, het er niet toe doen wat hij kiest.

Door de “vleeswording” van God in zijn schepsel vervliegt dit schepsel niet voor God, maar krijgt het pas blijvende waarde en des te meer naarmate het Hem meer nabij komt. Toch heb ik met wat ik zojuist zei, nog niet alles van de ervaring van die “vleeswording” genoemd. De mens die zo onmiddellijk voor God is komen te staan, kan ‑ hoe onbegrijpelijk het ook lijkt ‑ in zekere zin mee voltrekken dat God afdaalt in het eindige dat daardoor goed wordt. De naamloze en onbegrijpelijke God, die geen opdrachten ontvangt en zich niet voor mensen hoeft te verantwoorden, mag daarbij niet verdwijnen uit het gezichtsveld van degene die bidt en handelt. God mag niet de zon worden die alles zichtbaar maakt en zelf niet gezien wordt. God moet onmiddellijk zichtbaar blijven. Het moet in zijn licht ‑ ik zou haast zeggen ‑ meedogenloos duidelijk, blijven dat al het andere eindig en betrekkelijk is.

Maar juist dit schepsel, waaraan (in tegenstelling met alle andere) de zichzelf gevende liefde van God de voorkeur geeft, blijkt in dit onbarmhartige licht de voorkeur te hebben en bemind te zijn, blijkt uit vele leeg blijvende mogelijkheden gekozen te zijn om te bestaan. Dat God zich buigt naar een of ander eindig schepsel, wordt mee voltrokken door de mens die in het ondefinieerbare licht van God staat; die mens mag en kan dat eindige schepsel helemaal serieus nemen, het wordt voor hem beminnenswaard, mooi, van uiteindelijk eeuwige waarde, omdat God zelf het onbegrijpelijke wonder van zijn liefde kan volbrengen en volbrengt, dat Hij er Zichzelf aan schenkt.

De mens kan dus mee voltrekken dat God zich buigt naar het eindige schepsel en daarnaar afdaalt. Daarbij wordt God niet kleiner en gaat het eindige schepsel niet in rook op. Maar de mens verandert wel: hij is niet meer de mens wiens geheimste pijn en tevens geheimste genot het is alles en iedereen te ontmaskeren als betrekkelijk en onbeduidend; hij kan niet meer de mens zijn die een eindig schepsel ofwel verafgoodt ofwel (uiteindelijk) vernietigt. Dit meevoltrekken dat God zich buigt naar iets wat niet God is en wat juist doordat God er zich naar buigt, onvermengd, niet meer van God kan worden gescheiden, wordt allereerst daar ervaren waar iets, in tegenstelling met iets anders, als door God gewild wordt ervaren, zoals ik al heb uiteengezet. Welbeschouwd is dit iets, waar God zich naar buigt, de naaste en geen ding; daarom is dit zich met God mee buigen naar de mens de echte naastenliefde. Ik moet daar echter later nog uitdrukkelijker over spreken. De liefde tot God lijkt de wereld te laten ondergaan, maar ze is juist liefde tot de wereld. Ze bemint de wereld samen met God en bewerkt daarmee niet haar ondergang, maar haar eeuwige opgang.

Als de mens met God mee afdaalt naar de wereld

Wat ik tot nu toe gezegd heb, zijn natuurlijk slechts woorden over een ervaring. Ze kunnen die ervaring zelf niet te voorschijn toveren. De ervaring van dit mee afdalen moet in het leven zelf worden opgedaan. Zoals zo vaak het geval is, kan ook hier het geheel niet worden samengesteld uit van tevoren gescheiden delen. De ervaring moet als geheel geschonken worden en kan zich alleen dan in zijn eenheid en verscheidenheid ontvouwen en steeds onvoorwaardelijker opgenomen worden in de vrijheid van de mens: de naaste moet je met spontane vanzelfsprekendheid steeds onbaatzuchtiger en eerlijker beminnen in de gewone dingen van de dag; God moet zich steeds duidelijker kenbaar kunnen maken in zijn onvoorwaardelijke trouw. De liefde tot God en de liefde tot de naaste moeten zich, zo onlosmakelijk één en onderling afhankelijk als ze zijn, steeds duidelijker aanbieden aan de vrijheid van de mens.

De liefde tot de naaste lijkt voor de mens, die altijd al uitgaat naar de veelvormige wereld, in eerste instantie het meest vanzelfsprekende, en toch dreigt ze tegelijkertijd steeds wanhopig teleurgesteld dood te gaan aan de leegheid van wie bemint en van wie bemind wordt. Daarom zou men, nu zoals altijd, moeten beginnen met vastberaden het niet‑vanzelfsprekende te doen, nl. naar een onmiddellijke ontmoeting met God te streven en in die zin Geestelijke Oefeningen te doen (wat vooralsnog niets te maken heeft met retraitehuizen, door de kerkelijke overheid georganiseerde cursussen, uitvoerige theologische indoctrinatie enz.). In ieder geval is de liefde tot God, (tot God, niet tot een menselijke theorie over Hem!) de uiteindelijke grond voor een liefde tot de naaste die onvoorwaardelijk trouw kan zijn en toch vrij kan blijven.

Christelijke meditatie als ervaring dat God onmiddellijk te bereiken is, laat de wereld niet wegzinken of in rook opgaan. Jullie zullen zelf moeten onderzoeken of dat ook het geval is bij de oosterse meditatiemethoden die jullie tegenwoordig zo fascinerend vinden, alsof er binnen het uitdrukkelijke christendom niets te vinden zou zijn dat evenveel waard is. Zo ja, dan is het mij goed dat jullie leentjebuur spelen in het Oosten. Want dan is ook daar God aan het werk, die zijn geest uitgiet over alle vlees. Zo nee, wees dan voorzichtig.

In ieder geval mogen jullie in deze tijd niet zwichten voor de bekoring te menen, dat de zwijgende en ondefinieerbare onbegrijpelijkheid die wij God noemen, zich niet ‑ op straffe van niet zichzelf te zijn ‑ in vrije liefde tot jullie zou kunnen of mogen wenden, niet het initiatief zou mogen nemen, of jullie niet zelf vanuit je diepste innerlijk, waarin Hij aanwezig is, het recht zou mogen geven Gij te zeggen tegen deze Nameloze. Dit onbegrijpelijke wonder gooit jullie hele filosofie onderste boven. Dat het mogelijk is, begrijp je alleen, als je de werkelijkheid ervan aandurft. Dit wonder hoort zelf bij de onuitsprekelijkheid van God, die een lege formule zou blijven en ook weer ondergeschikt aan die filosofie van jullie, als niet tevens wordt ervaren dat ze zich naar ons buigt. Jullie moeten je er in deze tijd voor hoeden te menen, dat dit Gij alleen iets voorlopigs is, dat voorafgaat aan het vallen in Gods zwijgende onbegrijpelijkheid: het is er veeleer het gevolg van. Het bloeit op als de voltooiing van de overgave aan God die zich naar ons buigt. Het laat God juist groter zijn dan wij Hem denken, als wij onszelf tenminste blijven zien als totaal afhankelijk en nietig.

Jezus

Maar nu moet ik over Jezus spreken. Klonk wat ik tot nu toe zei, alsof ik Jezus en zijn gezegende Naam vergeten was? Ik ben Hem niet vergeten. Hij was in alles wat ik tot nu toe zei, innerlijk al aanwezig, ook al moeten de woorden die bij jullie gesproken worden, op elkaar volgen en kan geen enkel woord alles ineens zeggen. Ik zeg: Jezus. Jullie zullen in jullie “geschiedenis van de vroomheid” wel beweren, dat de Jezusdevotie, die ik in de Geestelijke Oefeningen de mensen probeer bij te brengen, alleen maar een voortzetting en nagalm is van de Jezusdevotie die sedert Bernardus van Clairvaux en daarna via Franciscus van Assisi in de hele Middeleeuwen iets vanzelfsprekends was en bij mij hoogstens nog eens dunnetjes overgeschilderd was met een paar begrippen uit het laatmiddeleeuwse feodalisme, dat op profaan gebied in die tijd al de eerste tekenen van verval vertoonde.

Ik geef graag toe, dat jullie bij mij veel voorbeelden zouden kunnen ontdekken van zo’n middeleeuws jesuanisme. Ik ontsla jullie hierbij met genoegen van de plicht op de Olijfberg na te kijken hoe het precies zit met de voetafdrukken die de Heer bij zijn Hemelvaart zou hebben achtergelaten. En waarom zou ik mij er iets van aantrekken, als men beweert dat ik in deze aangelegenheid niet origineel ben? Is dit middeleeuwse jesuanisme verouderd of is het een boodschap die vandaag de dag helemaal nog niet begrepen wordt? Licht daarin al niet iets op van wat jullie zoeken met het moderne jesuanisme? Jullie denken immers dat je de mens alleen maar vindt, als jullie gewichtig en onnozel de dood van God verkondigen, in plaats van te begrijpen, dat precies in deze menselijke mens God zelf zich heeft uitgezegd en toegezegd.

In mijn tijd was het voor mij geen probleem (of hoogstens een probleem van de liefde en van de echte navolging) om in Jezus God en in God Jezus te vinden. In Hem op unieke wijze. In Hem, zo heel concreet als Hij is, zodat alleen de liefde en niet de scheidende rede kan zeggen, waarin je Hem ook moet nadoen als je Hem navolgt. In Hem, van wie je kunt vertellen, en dan heb je de geschiedenis verteld van God, de eeuwige en onbegrijpelijke. Die geschiedenis kun je ook weer niet herleiden tot een theorie. Ze moet bovendien steeds opnieuw verteld worden en zet daarin zelf haar geschiedenis voort.

Voor mij was sedert mijn bekering Jezus zonder meer degene in wie God zich naar de wereld en naar mij boog. In die beweging van God is de onbegrijpelijkheid van het zuivere geheim geheel aanwezig en komt de mens tot zijn eigen volheid. De uniciteit van Jezus, de noodzaak Hem in een beperkte schat van voorvallen en woorden te zoeken, met het doel in dit kleine de oneindigheid te vinden van het onuitsprekelijke geheim, heeft mij nooit gestoord. De reis naar Palestina stelde ik mij werkelijk voor als een reis naar God in wie geen wegen zijn. En niet ik maar jullie zijn onnozel en oppervlakkig, als jullie menen dat mijn verlangen naar het Heilig Land bijna vijftien jaar lang alleen maar een gril is geweest van een Middeleeuwer, of zoiets als wanneer een Moslim nu naar Mekka verlangt. Mijn verlangen naar het Heilig Land was het reikhalzen naar Jezus in zijn concreetheid. Want Hij is geen abstract idee.

Er bestaat geen christendom dat buiten Jezus om de onbegrijpelijke God zou kunnen vinden. God heeft gewild, dat velen, onzegbaar velen Hem vinden, alleen al doordat ze op zoek zijn naar Jezus en ze, wanneer de dood hun overkomt, toch juist met de van God verlaten Jezus sterven, zelfs als ze hun eigen lot niet met zijn gezegende Naam kunnen benoemen. Want God heeft deze duisternis van eindigheid en schuld alleen maar toegelaten in zijn wereld, omdat Hij ze in Jezus tot de zijne heeft gemaakt.

Deze Jezus beheerste mijn denken, deze Jezus had ik lief, deze Jezus probeerde ik na te volgen. En dat alles was voor mij de manier waarop ik concreet God vond, zonder Hem tot een schim te maken van mijn vrijblijvende bespiegelingen. Want van het web van zulke bespiegelingen kom je pas los, als je door het leven heen de echte dood sterft. En dat gebeurt pas goed, als je met Jezus fier aanvaardt wat bij de dood hoort, nl. dat je van God verlaten bent; dat te aanvaarden is ook de hoogste, ondefinieerbare mystiek. Ik weet dat ik hiermee niet het geheim heb verklaard van de eenheid tussen geschiedenis en God. Maar in Jezus, de Gekruisigde en Opgestane, die dus God vrij laat om Hem te verlaten en die zo God ontvangt, is die eenheid er definitief; in Hem kan ze in geloof, hoop en liefde worden aangenomen.

Navolging van Jezus

Ik moet echter nog iets zeggen over die Jezus: hoe volg je Hem na? Hoe ga je zover dat je Hem van pure liefde nabootst? Ik maak hierbij geen aanspraak op originaliteit; de oude boodschap komt jullie immers ook daarin vanuit een nog niet ingehaalde toekomst tegemoet. Weliswaar heb je Jezus, en in Hem God zelf, pas helemaal gevonden, als je met Hem bent gestorven. Maar als je begrijpt, dat dit sterven met Hem gebeuren moet door het leven heen, dan krijgen met name bepaalde typische bijzonderheden van het leven van Jezus een onthutsende betekenis, hoe toevallig ze ook schijnen en hoe historisch en maatschappelijk bepaald ze ook zijn. Die typische bijzonderheden van het, concreet gezien, heel gewone leven van Jezus kregen voor mij kracht van wet; maar of die een bijzonder doorslaggevend gewicht hebben voor al degenen die ‑ uitdrukkelijk of anoniem ‑ God vinden en gered worden, weet ik niet. Het schijnt niet zo te zijn.

Er schijnen vele wegen te bestaan voor de navolging van Jezus. Het heeft niet erg veel zin die verschillende wegen onder één noemer te brengen of uit de verschillende concrete gedaanten van die navolging één enkele essentie te distilleren door te zeggen dat ze “in de geest” één zijn. Dat is misschien wel helemaal waar: er bestaat natuurlijk een enige, diepste essentie van de navolging van Jezus, omdat er één God bestaat, één Jezus, in zekere zin éénzelfde mens en éénzelfde eeuwig leven. Maar er bestaan van die navolging concrete vormen die verschillend zijn, die verschrikkelijk verschillend blijven, die elkaar wederzijds zelfs schijnen te bedreigen en te ontkennen.

Hebben Innocentius III en Franciscus van Assisi dezelfde navolging beoefend? Of waren beide wijzen van navolging ‑ en van geen van twee mag je ontkennen dat het navolging was ‑ zo verschillend, dat zij elkaar alleen nog maar met bijna wanhopig veel liefde en geduld verdroegen? Bestaan er niet verschillende charisma’s? Kun je meer dan een enkel charisma werkelijk verstaan, op de eerste plaats het charisma dat je zelf bezit?

Hoe het ook zij, ik heb gekozen voor de navolging van de arme en nederige Jezus. De arme en nederige, geen andere. Zo’n keuze is even onherleidbaar als concrete liefde, het is een roeping, die haar rechtvaardiging alleen maar in zichzelf vindt. De levenswijze die uit deze concrete roeping voortvloeit, mag niet eenvoudig aan alle christenen worden opgelegd en zou ook niet aan allen kunnen worden opgelegd met de slimme verklaring dat het gaat om een armoede en nederigheid van geest, van gezindheid. Ik maak geen aanspraak op originaliteit en heiligen in de hemel vergelijken zichzelf niet met elkaar, maar afgezien misschien van de uiterlijke levensstijl van mijn laatste jaren als generaal van de orde, heb ik in mijn leven sedert Manresa de armoede met dezelfde radicaliteit beoefend als Franciscus van Assisi. Natuurlijk waren er al maatschappelijke en economische verschillen tussen mijn tijd en de zijne; daaruit volgden ook automatisch verschillen in de levensstijl van ons beiden, vooral omdat ik, in tegenstelling met Franciscus, wilde en moest studeren. Een heilige als Bonaventura zou ook oog hebben gehad voor de verschillen die daaruit voortkwamen en ermee hebben ingestemd, zonder te ontkennen dat ik werkelijk de arme Jezus navolgde.

Lees het Verhaal van de Pelgrim maar, dan zul je begrijpen wat ik bedoel. Uit de navolging van de nederige Jezus volgde voor mij bovendien een geestelijke en kerkelijke levenswijze die de toenmalige situatie doorbrak: ik had een leven gekozen dat niet alleen onverenigbaar was met wereldlijke machtsposities, maar dat ook de uitsluiting betekende van kerkelijke macht, kerkelijke prebenden en bisschoppelijke waardigheden. Deze “marginalisatie” van mijn bestaan (als ik dat zo eens mag noemen) in de profane en in de kerkelijke samenleving was mij dus bittere ernst. Het was niet iets wat mij van buiten af werd opgedrongen.

Door mijn geboorte uit een van de beste Baskische families en door mijn relaties met de groten van de wereld en van de Kerk van toen zou het heel gemakkelijk voor mij zijn geweest “iets te worden” en ik had daarbij heel goed het geruststellende besef kunnen hebben dat ik juist zo, door macht en aanzien, onbaatzuchtig en offervaardig de mensen, de Kerk en God diende. Ik had misschien zelfs, zonder me iets wijs te maken, tegen mezelf kunnen zeggen, dat ik in een dergelijke maatschappelijke en kerkelijke positie iets beters zou kunnen presteren, dan wanneer ik zo’n onbeduidend klein arm mensje zou worden aan de rand van de maatschappij en van de Kerk. (Door de orde te stichten en generaal te worden ben ik daarna toch nog eens heel iemand anders geworden, maar dat is een ander verhaal; daarover moet ik straks nog iets zeggen).

Kortom: ik wilde de arme en nederige Jezus navolgen. Dat wilde ik en niets anders. Wat ik wilde, is helemaal niet vanzelfsprekend, het valt niet af te leiden uit het “wezen van het christendom”, het wordt, toen en nu, door de prelaten van de Kerk en de hogere clerus in de landen die zichzelf nog steeds zien als de bolwerken bij uitstek van het christendom, niet gepraktiseerd. Voor wat ik wilde had ik geen kerkideologische of maatschappijkritische motivatie, hoewel het in dat opzicht misschien ook van belang is. Wat ik wilde werd mij zonder meer als een wet van mijn leven, zonder op of om te kijken, ingegeven door de dwaze liefde tot Jezus. Want buiten diens onherleidbare concreetheid om kon ik ‑ ondanks de eindigheid en beperktheid ervan ‑ de oneindige en onbegrijpelijke God niet vinden. Daarmee sluit ik niet uit maar in, dat die keuze voor een plaats aan de rand van maatschappij en kerk voor mij zoiets was als een vrij inoefenen van het meesterven met Jezus, wat het oordeel en het zalige lot is voor alle mensen, ook voor degenen die Jezus niet zo kunnen en willen navolgen.

Machteloze dienst

Wat heb ik mij er in mijn tijd tegen verweerd (en met succes!), dat mijn mensen promotie zouden maken en benoemd zouden worden op bisschoppelijke en dergelijke posten. En niet omdat ik destijds niet de beste lieden uit mijn kleine schare mocht laten weghalen. Als nu een jezuïet bisschop of kardinaal wordt, dan doet dat jullie eigenlijk niets; jullie schijnen het in wezen normaal te vinden, dat dat ook bestaat; er zijn zelfs tijden geweest waarin het bijna regel was dat een van de curiekardinalen jezuïet was.

Merken jullie niet hoezeer mijn en jullie mentaliteit op dat punt van elkaar verschillen? Jullie zullen, zeggen: “Ja, toen! Dat waren andere tijden”, en: “Door zo’n benoeming word je tegenwoordig immers niet meer een machtig heerschap!” Dat klopt niet! Op de eerste plaats zijn kardinalen en bisschoppen ook vandaag nog mensen die in aanzienlijke mate onderhevig zijn aan de bekoring van de macht. En ten tweede zouden jullie (als je gelijk had) je juist moeten afvragen, waar dan tegenwoordig wel de betrekkingen, ambten, hefboomposities enz. in de Kerk liggen waarvan jullie in mijn geest vastberaden zouden moeten afzien, om de mensen in de Kerk te dienen zonder “macht”, alleen in het vertrouwen op de kracht van de geest en van de dwaasheid van Christus.

Iemand van jullie mag gerust een bisschop worden zoals Helder Camara, want dan zet hij voor de armen leven en welzijn op het spel. Maar denk er goed over na, waar tegenwoordig de “bisschopszetels” staan waarop jullie niet mogen gaan zitten, ofschoon ze nu misschien heel anders heten en ofschoon je kunt bewijzen dat ze onontbeerlijk zijn in de Kerk. Ik ken het probleem dat daaronder ligt: hoe kan een charismatische gemeenschap van radicale navolging van Jezus ook een kerkelijk geïnstitutionaliseerde orde zijn? Natuurlijk was ik heel gelukkig, toen de orde al bij mijn leven officieel door de pausen werd goedgekeurd. En jullie moeten proberen het wonder van die identificatie steeds opnieuw te verrichten. De rekening zal nooit kloppen. Maar probeer het steeds opnieuw. Een van beide alleen is te weinig. Alleen beide samen is kruisigend genoeg.

Als ik het heb over de “arme” en “nederige” Jezus, die ik wilde navolgen, dan moeten jullie deze woorden vandaag in theorie en praktijk vertalen om ze echt te verstaan. Jullie moeten jezelf de vraag stellen: Wat betekent eigenlijk “arm en nederig” vandaag in jullie tijd? Wanneer iemand vandaag de dag jezuïet wordt, dan is hij misschien tamelijk snel en vanzelfsprekend een vrome mens en priester. Maar arm en nederig nog lang niet. Hoe die praktische vertaling in de realiteit van heden er uit moet zien, dat moeten jullie zelf zichtbaar maken. Misschien moeten enkelen van jullie het eerst voor zichzelf uitvinden, voordat het in de orde als geheel duidelijk kan worden. Maar vlucht om Gods wil niet in een gezindheid alleen: die kunnen de prelaten van de Kerk ook hebben. Armoede en nederigheid, vertaald in de huidige situatie, moeten een prikkel vormen tot kritiek op Kerk en maatschappij, een gevaarlijke herinnering aan Jezus en een bedreiging voor het vanzelfsprekend functioneren van de kerkelijke instituties. Anders deugt die vertaling niet. Maar dat verschaft jullie overigens alleen maar een criterium, niet het werkelijke motief. Het motief is Jezus, de totterdood stervende. Hij, en niet een of ander berekend maatschappelijk doel. Hij alleen kan jullie bewaren voor de betovering van de macht, die ook in de Kerk in duizend‑en‑een gedaanten bestaat en ook zal blijven bestaan. Hij alleen kan jullie redden van de maar al te aannemelijke gedachte, dat je in wezen de mensen toch alleen maar kunt dienen, als je macht hebt. Hij alleen kan het heilig kruis van zijn machteloosheid voor jullie inzichtelijk en aanvaardbaar maken.

Geslaagde en mislukte navolging

Ik kom er nu dus niet onderuit er iets over te zeggen, hoe het in mijn orde gegaan is met die door mij gekozen levensstijl bij het navolgen van de arme en nederige Jezus. Als je de geschiedenis ervan beziet vanuit de eeuwigheid van God, omvat door de liefhebbende wil van God zonder welke er niets zou zijn wat werkelijk was en is, dan bezie je zo’n geschiedenis kalm en mild en erken je haar eigen betekenis en haar eigen recht van bestaan. Je staat dan niet voor het dilemma ofwel die geschiedenis eenvoudig op eigen naam te schrijven alsof het allemaal jouw werk was, ofwel ze te veroordelen als ontrouw van de zonen aan de geest van de vader. Terwijl ik dat voorop stel en steeds jullie, jezuïeten, voor ogen houd, moet ik dan toch zeggen, dat de orde mij op dit punt eigenlijk niet is nagevolgd, althans niet tot op heden.

Natuurlijk waren sommigen van jullie arm en nederig in de werkelijkheid van hun leven en niet alleen in de geest. De slaaf van de slaven in Zuid Amerika, Pedro Claver, een Jean‑François Régis die het lot deelde van zijn arme boeren, een Friedrich von Spee die met gevaar voor zijn leven en voor uitsluiting uit de orde aan de zijde van de heksen bleef staan, de vele jezuïeten die in de voorbije eeuwen op afschuwelijke schepen naar Oost‑Azië reisden eigenlijk alleen maar om daar te worden omgebracht, en vele, vele anderen tot en met je vriend Alfred Delp, die voor hij in 1945 in Berlijn werd opgehangen, met geboeide handen zijn religieuze geloften ondertekende, waren onder jullie zonder meer navolgers van de arme en nederige Jezus, en wel vanuit de geest die ik door hun orde op hen had overgedragen. Maar de orde zelf als zodanig?

Je weet, hoe ik wekenlang gebeden en geworsteld heb om schijnbare kleinigheden van het armoederecht in mijn orde; hoe ik geprobeerd heb de geest van de arme en nederige Jezus met wetten te verdedigen, hoe ik gevochten heb om kleinigheden, die jullie vermoedelijk zouden hebben afgehandeld in een nuchtere, zakelijke discussie van een paar uur. Je weet, hoe het mij, als we nuchter en eerlijk het geheel bekijken, toch niet gelukt is, zomin als het (de franciscanen mogen het mij vergeven) Franciscus gelukt is, om door middel van wetten de echte navolging van de werkelijk arme Jezus voor de orde als zodanig te redden.

Kun je die geest eigenlijk wel verdedigen door middel van wetten? Want die wetten zullen ofwel de geest die ze willen verdedigen, doden, ofwel onvermijdelijk zoveel vrijheid laten, dat de ruimte die ze geven, door een andere geest kan worden ingenomen, zonder dat er tegen de letter van de wet gezondigd wordt. Kan de bedoelde levensstijl helemaal niet worden overgenomen door een grotere groep zonder dat er wezenlijk afbreuk aan wordt gedaan? Had ik eigenlijk met mijn door mijn geest bezielde gezellen de beslissende grens al overschreden, toen wij in 1540 die “charismatische” kring (zo noemen jullie dat tegenwoordig) omzetten in een kerkelijk goedgekeurde orde? Maar hadden we dat dan niet moeten doen, als toch zo en niet anders impulsen die uiteindelijk van de Geest van God komen, eeuwenlang hebben doorgewerkt?

“Idealen” vragen een zuivere en radicale beleving; maar is het bewust en nederig genoegen nemen met een onvolmaakte beleving niet ook iets van de Geest die de enige is die werkelijk de geschiedenis van de Kerk en de wereld telkens weer een stukje dichter bij God brengt? De Geest moet zich in de wereld noodzakelijk maatschappelijk belichamen en dreigt daar steeds weer aan te sterven. Is het dan zo verwonderlijk dat in die wereld de orde voor zijn leden een plaats is geworden waar men economische zekerheid geniet en minstens binnen de Kerk iemand van aanzien is, ook al leeft ieder afzonderlijk daarin economisch bescheiden en al wordt maar zelden (minder vaak dan in vergelijkbare omstandigheden) iemand van hen bisschop of kardinaal of anderszins een machtig heerschap in de Kerk? Is dat allemaal vanzelfsprekend of is het tragisch?

Is het echter nodig dat deze dwang van het verleden ook geldt voor de toekomst van de jezuïeten? Kunnen zij in de toekomst misschien niet, of ze willen of niet, in heel reële zin, ook als orde, arm worden en als werkelijk armen een armzalig leven moeten leiden van de hand in de tand en dat van harte en zonder uitvluchten in verbondenheid met de arme Jezus? Dat zou dan (als gevolg en niet als motivatie) ook maatschappijkritisch van betekenis kunnen worden. Kunnen, om redenen die ik te enen male niet heb kunnen voorzien, de jezuïeten plotseling op een geheel andere en nieuwe manier weer in de marge van de kerkelijke samenleving terecht komen, met een gezonde charismatische distantie tot de hiërarchie, die zij natuurlijk ook altijd zullen blijven respecteren? Heeft Johann Baptist Metz jullie daar niet onlangs iets over gezegd, wat voor jullie echt wel de moeite van het overdenken waard is? Het zijn allemaal vragen die in mijn eeuwigheid beantwoord zijn, maar het antwoord kan in jullie tijd alleen maar worden vertaald door de geschiedenis zelf en niet door voorbarige woorden.

In ieder geval hebben jullie, jezuïeten, de plicht de toekomst moedig tegemoet te treden, aangezien Jezus met zijn concrete leven en sterven een levensstijl aangeeft die ook in de toekomst legitiem zal zijn. Alleen moeten jullie zelf uit zien te vinden, hoe die stijl er uit moet zien om morgen echte navolging van de arme en nederige Jezus te kunnen zijn. Ik heb telkens gesproken over de “arme” en “nederige” Jezus in de taal van mijn tijd. Ik zeg het nog een keer: misschien moeten jullie zelfs die woorden al vertalen met andere woorden om ze te kunnen vatten en ze te kunnen leven, zonder opnieuw te vluchten in een loutere armoede van geest, of in een ascese die uit is op puur individueel profijt. Want dat was toch een beetje al te zeer de stijl van de afgelopen anderhalve eeuw bij jullie. In die tijd hebben jullie te weinig oog gehad voor jullie maatschappelijke verantwoordelijkheid én voor gerechtigheid in de wereld. De Kerk als geheel trouwens ook, ondanks een aantal lofwaardige encyclieken.

 Verbondenheid met de Kerk

Ik moet nu ook iets zeggen over mijn verbondenheid met de Kerk en over de betekenis daarvan voor jullie tijd. Dat wordt nu eenmaal verwacht en niet ten onrechte. Nu het gaat om de objectieve betekenis van de onderwerpen waarover ik spreek, in al hun verscheidenheid, moet ik heel kort mogen zijn. Als God, Jezus, de navolging van Hem en de Kerk ondanks alle verband dat ertussen bestaat nu eenmaal verschillende werkelijkheden zijn en daarom ook een verschillend gewicht hebben, dan heb ik in tijd en eeuwigheid niet alleen het recht, maar de plicht deze verschillende werkelijkheden ook werkelijk te onderscheiden naar hun gewicht en hun betekenis. Men noemt mij met nadruk een man van de Kerk; Marcuse noemt mij een soldaat van de Kerk.

Ik schaam me bepaald niet voor de verbondenheid met de Kerk. Ik wilde met mijn hele bekeerde leven de Kerk dienen, met dien verstande dat deze dienst uiteindelijk God en de mensen geldt en niet een instituut dat zichzelf zoekt. De Kerk heeft oneindige dimensies, want zij is de gemeenschap van gelovige mensen, die in hoop op weg zijn, die God en hun medemensen liefhebberen die vervuld zijn van de Geest van God. Maar ‑ en voor mij is dat vanzelfsprekend ‑ de Kerk is ook sociologisch bepaald; ze is een concrete kerk in onze geschiedenis, een kerk van de instituties, van het menselijke woord, van de tastbare sacramenten, van de bisschoppen, van de paus van Rome, zij is de hiërarchische, Rooms‑Katholieke Kerk. En als men mij een man van de Kerk noemt en ik dat als iets vanzelfsprekends erken, dan bedoelt men juist de Kerk in haar tastbare en harde institutionaliteit, de ambtelijke kerk, zoals jullie tegenwoordig zeggen, inclusief de niet bijster vriendelijke bijtoon die dat woord heeft. Ja, ik was deze man van deze kerk; en dat wilde ik zijn en ik kan eerlijk zeggen, dat dat nooit tot een onoplosbaar conflict is gekomen met het feit, dat ik God volstrekt onmiddellijk had leren kennen in mijn geweten en in mijn mystieke ervaring.

Maar mijn verbondenheid met de Kerk wordt totaal verkeerd begrepen, als ze wordt opgevat als het egoïstische, door een fanatieke ideologie beheerste verlangen naar macht, dat wil zegevieren zelfs ten koste van het geweten, of als een zich vereenzelvigen met een “systeem” dat niet verder wijst dan naar zichzelf. Wij mensen zijn in ons leven allemaal kortzichtig en zondig en daarom wil ik heus niet beweren, dat ik destijds niet ook her en der mijn bijdrage heb geleverd aan die onechte verbondenheid met de Kerk; en als jullie daar zin in hebben, mogen jullie gerust eerlijk en nuchter mijn leven daarop doorlichten. Maar één ding is zeker: mijn verbondenheid met de Kerk in haar geheel genomen, was toch maar één, zij het voor mij onmisbare factor van mijn wil “de zielen te helpen”, een wil die slechts dan en in zoverre zijn echte doel bereikt, als die “zielen” in geloof, hoop en liefde groeien in onmiddellijk contact met God.

Iedere liefde tot de ambtelijke Kerk zou afgoderij zijn en deelname aan een verschrikkelijk egoïsme van een op zichzelf gericht systeem, als ze niet door die wil bezield zou zijn en zich niet daardoor grenzen zou laten stellen. Dat betekent echter ook (en de geschiedenis van mijn mystieke weg getuigt ervan), dat de liefde tot die Kerk, hoe onvoorwaardelijk ze in zekere zin ook is, helemaal niet het begin en het einde van mijn “existentie” (zoals jullie je tegenwoordig uitdrukken) was, maar een afgeleide grootheid, die voortkomt uit een onmiddellijk contact met God en die van daar uit zowel haar gewicht krijgt als haar grenzen en haar heel bepaalde eigen aard.

Om het nog eens een beetje anders te zeggen: door mee te voltrekken dat God zich buigt naar het concrete Lichaam van zijn Zoon in de geschiedenis, had ik de Kerk lief. En in deze mystieke eenheid ‑ bij alle wezenlijke verschillen tussen beide ‑ van God met de Kerk, was en bleef de Kerk voor mij transparant naar God toe en bleef zij de concrete vindplaats van mijn onuitsprekelijke relatie met het eeuwige geheim. Dat is de bron van mijn kerkelijke gezindheid, van mijn beoefening van het sacramentele leven, van mijn trouw aan het pausdom, van de kerkelijkheid van mijn zending de zielen te helpen.

Als mijn verbondenheid met de Kerk deze en geen andere plaats heeft in de structuur van mijn geestelijk bestaan, dan is ook een kritische opstelling ten opzichte van de concrete ambtelijke Kerk kerkelijk. Het is een christen mogelijk zich zo kritisch op te stellen, omdat zijn gezichtspunt niet zonder meer identiek is met dat van de ambtelijke kerk voorzover ze uiterlijk geïnstitutionaliseerd is. Want Christus deelt zichzelf als God ook altijd onmiddellijk mede en de inspiratie die Hij genadevol verleent, wordt, hoezeer zij hem in de Kerk bestendigt en zelf weer behoort tot de Kerk als genadegemeenschap, niet zonder meer overgedragen door het kerkelijke apparaat. Die inspiratie kan echt iets zijn waarvan de ambtelijke kerk in haar ambtsdragers iets moeten leren, als zij zich niet schuldig wil maken aan het afwijzen van bewegingen die van de Geest zijn, ook al zijn ze niet van meet af aan officieel kerkelijk goedgekeurd.

Zo’n kritische opstelling ten opzichte van de Kerk is, vanuit de Kerk gezien, zelf ook weer kerkelijk, want, doordat God zich naar de Kerk buigt, blijft deze uiteindelijk steeds open voor en onderworpen aan haar geest, die altijd meer is dan instituut, wet, letterlijke traditie, enz. Natuurlijk zijn door deze verhouding tussen geest en instituut concrete conflicten tussen geïnspireerde christenen en de ambtsdragers van de Kerk niet bij voorbaat uit de wereld geholpen. Dergelijke conflicten zullen zich zelfs telkens opnieuw en in verrassend nieuwe gedaanten voordoen, met het gevolg dat er geen pasklare recepten of institutionele procedures zijn om ze te overwinnen.

Uiteindelijk kan een christen er alleen in geloof van overtuigd zijn, dat tot het einde der tijden een absoluut conflict tussen geest en instituut in de Kerk principieel niet noodzakelijk is; en hij kan voor zichzelf alleen maar nederig hopen, dat de voorzienigheid van God ook hem niet in een situatie zal brengen waarin een absolute uitspraak van het ambtelijk gezag en een absolute uitspraak van zijn geweten voor hem onverenigbaar zijn en niet meer gelijktijdig te vatten.

In ieder geval mag ik stellen dat partiële en beperkte conflicten in de Kerk zelf ook weer kerkelijk zijn, zonder dat ik hier concrete recepten hoef te geven om ze te beslechten. Ook is de letterlijke uitvoering van een bevel van bovenaf niet de opperste regel van verbondenheid met de Kerk en van kerkelijke gehoorzaamheid; ik heb ook zelf als algemeen overste van mijn Orde niet met die regel geregeerd. Als dit de opperste regel was, dan konden er immers in de Kerk helemaal geen conflicten bestaan. Maar ze bestaan, met heiligen en tussen heiligen (te beginnen bij de strijd tussen Petrus en Paulus), en ze mogen er dus zijn.

Er bestaat in de Kerk ook geen grondbeginsel, waardoor de overtuigingen en de besluiten van de gelovigen en van de ambtsdragers bij voorbaat zonder wrijving op elkaar aansluiten. De Kerk is een kerk van de Geest van de oneindige en onbegrijpelijke God. Diens gelukzalige eenheid kan in deze wereld alleen maar gebroken weerspiegeld worden in het vele en verschillende, dat uiteindelijk alleen in God zelf en in niets anders tot vrede en eenheid komt.

Geloof maar niet, dat bij al mijn verbondenheid met de Kerk mij de ervaring bespaard is gebleven van zulke conflicten, of dat ik ze met een onechte verbondenheid met de Kerk heb weggedrukt. Ik was geen jabroer van de Kerk en van de paus. Ik heb conflicten gehad met ambtsdragers in de Kerk in Alcalà, in Salamanca, in Parijs, in Venetië, in Rome. In Alcalà en Salamanca ben ik door de ambtelijke kerk wekenlang gevangen gezet. In Rome nog kostte al het geharrewar voor de verdediging van mijn verbondenheid met de Kerk mij verschrikkelijk veel tijd en moeite. Toen de eeuwige Vader mij in La Storta beloofde dat Hij mij in Rome goedgunstig zou zijn, was een van de voorstellingen die ik mij van die “begunstiging” kon maken, de mogelijkheid gekruisigd te worden in het pauselijke Rome. Ik stond te sidderen over al mijn leden, toen Paulus iv tot paus werd gekozen en deze stuurde, toen ik al algemeen overste van een pauselijk goedgekeurde Orde was, zijn politie op mij af voor een huiszoeking. Ik verlangde zijn zegen bij mijn sterven om ook in dat uur, toen ik zonder sacramenten stierf, nogmaals tegenover hem een bescheiden hoffelijk gebaar te maken; toen Polanco die zegen overbracht, was ik al dood en de reactie van de paus op het bericht van die dood was niet bepaald vriendelijk.

Kort en goed, ik was en bleef trouw aan Kerk en paus; maar ik ben ook vervolgd en gevangen gezet door mannen van de Kerk met ambtelijk gezag. De eenheid tussen gehoorzame dienst en kritische distantie tegenover het ambt in de Kerk moet in de loop van de geschiedenis telkens opnieuw gerealiseerd worden zonder een eens voor al geldende en alles oplossende regel, maar het lukt ook telkens weer. En je herinnert je dat het over het geheel genomen telkens weer vergezeld ging van zulke conflicten. Je moet goed toekijken, voor je in de geschiedenis van de Orde kunt zien waar aanhankelijkheid aan Kerk en paus lof of blaam verdienen. Een heilige Pius v sprak deze Orde toe zonder begrip voor wat ze eigenlijk was. In de zogenaamde genadestrijd was de Orde met haar theologie in Rome in het defensief, en kon ze nog maar juist voorkomen dat ze veroordeeld werd. Voor haar moraaltheologie moest de Orde vechten tegen een verbond tussen Innocentius ix en de eigen Generaal van de Orde, Gonzalez. In de zeventiende en achttiende eeuw hebben jullie de ritenstrijd verloren tegen pausen, die nu eenmaal meer ophadden met orthodoxe voorzichtigheid dan met creatieve moed. De opheffing van de Orde in 1773 door Clemens xiv onder pressie van de Bourbons was ook niet direct een heldenstukje van pauselijke wijsheid en dapperheid, hoeveel verklaringen van bezonken wijsheid van de historici je er ook voor geeft: de tekst van de breve van opheffing was werkelijk schandalig, de gevangenneming van de Generaal van de orde, pater Ricci, door de paus was mensonwaardig (tegenwoordig zou je Amnesty International in het geweer roepen) en de Bourbons werden kort daarna weggevaagd door de revolutie, dus had de paus hun even tevoren ook wel een beetje meer weerstand kunnen bieden. De heilige Pius x stond op het punt de Generaal van de Orde, pater Wernz, af te zetten, omdat deze hem nog altijd te weinig integralistisch was.

Je zou zeker nog meer van dergelijke voorbeelden kunnen noemen van kritische distantie tussen ambtelijke Kerk en orde. Eigenlijk zou je zelfs moeten beweren, dat dergelijke conflicten iets heel vanzelfsprekends hebben voor een Orde die afziet van hoge ambten als bisschop en kardinaal, en die zich dus eigenlijk principieel distantieert van het ambt in de Kerk (dat ze overigens natuurlijk beaamt en respecteert). In feite echter is de eigenlijke betekenis van dit afzien van die kerkelijke waardigheden weer gedeeltelijk tenietgedaan, doordat in de Orde het bekleden van andere kerkelijke ambten vaste regel is geworden.

Met dat al kun je natuurlijk allerminst beweren, dat er in de loop van de lange geschiedenis van die Orde van mij zich niet telkens weer concreet identificaties hebben voorgedaan tussen ambt en Orde, waar juist een kritische distantie en een legitiem verzet meer op hun plaats geweest waren. En het spreekt vanzelf, dat deze Orde ook telkens weer de historische schuld op zich heeft geladen tegen de geest van de Kerk het instituut te verdedigen met zijn kortzichtigheid en zijn traagheid en onbeweeglijkheid in de theologie, in de zielzorg, in het recht enz.

Maar in principe blijft het waar, dat onvoorwaardelijke trouw aan de institutionele Kerk en kritische distantie ten opzichte van haar in de spiritualiteit van mij en mijn volgelingen echt mogelijk zijn, en dat beide in het ware wezen van de Kerk een werkelijk recht van bestaan hebben.

Jullie hoeven je daarom nu niet zonder meer te schamen, als een Paulus vi niet bepaald erg tevreden was met jullie tweeëndertigste Algemene Vergadering. Bij Pius v en Sixtus v, die jullie pijnlijke veranderingen in de constituties wilden opdringen, was het veel erger. Ik heb het niet over de enkelingen onder jullie; daar zijn vast wel een paar wonderlijke figuren bij van wie je niet meer precies weet, waarom ze nog jezuïet zijn. Maar over het geheel genomen zijn jullie ook vandaag nog trouw aan Kerk en paus, zoals ik het was, en daar horen ook conflicten bij.

Jezuïtische gehoorzaamheid

Nu we op dit punt gekomen zijn, is het misschien ook tijd om, aansluitend bij het thema “verbondenheid met de Kerk”, iets te zeggen over de zogenaamde “jezuïtische gehoorzaamheid”. Ook op dit punt van de geschiedenis van de vroomheid wil ik niet beweren dat ik al te origineel ben, hoewel natuurlijk de gehoorzaamheid in een actieve orde met één gemeenschappelijke opgave onvermijdelijk van groter belang is dan in een beschouwende abdij. Dit des te meer als die Orde verspreid is over de hele wereld en centraal bestuurd wordt, en dus de betrekkingen tussen de afzonderlijke leden niet geregeld kunnen worden op basis van bekendheid met elkaar en van vriendschap. In hoofdzaak huldig ik ook nu nog mijn leer en praktijk op dit punt. Gehoorzaam willen zijn, vastbesloten zijn zich ter beschikking te stellen voor een gemeenschappelijke opgave van velen en zich in die gemeenschap in en onder te ordenen, is ook vandaag de dag niet een houding waarvoor je je zou moeten schamen. Beslissingen die in en voor een gemeenschap moeten worden getroffen en die bindend zijn voor de afzonderlijke leden, kunnen niet altijd zo lang in beraad worden gehouden, bediscussieerd en ook uitgesteld worden, tot iedereen de objectieve juistheid van die beslissing zelf heeft ingezien. Een dergelijke ‘democratische’ besluitvorming is misschien vaak heel mooi en is misschien in kleine groepen ook mogelijk. Maar het is een utopie dat het altijd en overal mogelijk is waar een beslissing vereist wordt.

En zulke beslissingen zijn bijna altijd beslissingen waarover mensen geheel of gedeeltelijk van oordeel kunnen verschillen. Daarom is het ook helemaal niet inzichtelijk, waarom onderordening onder een beslissing die men zelf niet voor de betere houdt, de eigen waardigheid zou krenken. Natuurlijk wordt verondersteld dat men de eenheid van de gemeenschap beaamt en een gemeenschappelijke zaak wil dienen, dat men de onverschilligheid, de beheerstheid tegenover de afzonderlijke mogelijkheden van het leven en het handelen heeft, de bereidheid zichzelf met de nodige zelfkritiek niet al te serieus te nemen, die in het Fundament van de Geestelijke Oefeningen als dragende grond van jullie spiritualiteit worden aangeleerd.

Ik wil het nu niet ook nog hebben over de gehoorzaamheid als een deel van de navolging van Jezus. In mijn leer over de gehoorzaamheid ben ik in alle geval niet zo ‘democratisch’, dat ik van mening ben dat een bindend besluit altijd en in ieder geval waarschijnlijker juist is en eerder opgelegd kan worden, als het genomen wordt door een collectief bestuur dan door een individuele gezagsdrager, gegeven dat het besluit in beide gevallen toch genomen wordt tegen de mening van de betrokkene in. Beide manieren van besluitvorming hebben hun voor‑ en nadelen. Een collectieve besluitvorming wordt volstrekt niet altijd doorzichtiger en je weet dan vaak niet meer wie je ervoor verantwoordelijk kunt stellen. Een ‘democratisch centralisme’ is immers ook vandaag in de profane wereld niet overal het meest ouderwetse. Ook in mijn orde is (duidelijk verschillend van hoe het in de Kerk toegaat) de hoogste instantie een van onderen af gekozen parlement, de Algemene Vergadering, waaraan ook de Algemene Overste verantwoording schuldig is, hoewel hij bij de uitvoering zeer vergaande volmachten heeft. Is het jullie eigenlijk al eens opgevallen, dat dit constitutionele beginsel van jullie Orde anders is, democratischer, dan het met het pausdom gegeven constitutionele beginsel in de wereldkerk? Daar zijn jullie in de loop van jullie geschiedenis zo vastberaden voor opgekomen. Hebben jullie er ooit over nagedacht, dat je ‑ afgezien van al het overige ‑ de hoogste overste van de orde, gezien jullie democratische constitutionele beginsel, niet “de zwarte paus'” mag noemen?

De hele jezuïtische gehoorzaamheid speelt zich trouwens af in een broederlijke gemeenschap. Omdat deze laatste nuchter en zakelijk is en van de enkeling ook zeker vraagt enigermate afstand te doen van ‘nestwarmte’, daarom is ze nog niet onecht en zonder uitwerking. Overigens kunnen jullie, hoe onvoorwaardelijk een nuchtere gehoorzaamheid ook is, de traditionele leer over de gehoorzaamheid zonder meer een beetje ontmythologiseren. Ook datgene wat die goede Polanco in opdracht van mij in de beroemde ‘brief over de gehoorzaamheid’ heeft geschreven. Die bevat ook niet alleen maar eeuwige waarheden. Je kunt er tegenwoordig met meer onbevangenheid rekening mee houden, dat een overste te goeder trouw meer dan eens een bevel geeft, tegen de inhoud waarvan de “ondergeschikte” een bescheiden maar ondubbelzinnig neen stelt, omdat hij dat nu eenmaal niet kan verenigen met zijn geweten.

Ook als je gelooft aan de goddelijke voorzienigheid in het bestuur van de Kerk en van een Orde, hoef je niet te menen, dat de “oversten” een rechtstreekse en betrouwbare telefoonverbinding hebben met de hemel en dat hun beslissingen, hoe verplichtend ook, meer zijn dan in goede gemoede genomen besluiten van menselijk oordeel met alle beperktheden en mogelijkheden tot vergissing van dien.

Wie “onverschillig” is, zelfkritiek heeft en bereid is tot stille dienst aan een gemeenschappelijke zaak, wie daarbij nog een beetje humor heeft en mild begrip voor al het dwaze en ontoereikende van de aardse geschiedenis, die zal ook nu geen bijzonder verschrikkelijke problemen hebben met de gehoorzaamheid in een Orde. Ik heb zelfs de indruk dat een burgerlijke huisvader en werknemer een beperktere ruimte van vrijheid heeft in de profane maatschappij dan jullie in de Orde. In weerwil van dat domme woord in de brief over de gehoorzaamheid hoeven jullie geen “kadavergehoorzaamheid” te beoefenen. Wel moeten jullie onzelfzuchtige, nuchtere, dienstvaardige mensen zijn. Er bestaat een “mystiek van de dienst”. Maar daar wil ik het nu niet ook nog over hebben. Die ontmythologisering van de”gehoorzaamheid” ten opzichte van de macht van wereld en staat is ook nu zeker nodig. In de loop van jullie geschiedenis zijn jullie zonder twijfel te vaak devote “onderdanen” geweest ten opzichte van wereldlijke instanties, ofschoon jullie het volgens de theorie van jullie grote baroktheologen eigenlijk helemaal niet hadden moeten zijn. Waarom hebben jullie in de achttiende eeuw niet samen met jullie Indio’s het heilig experiment van de reducties met geweld verdedigd tegen het gruwelijk kolonialisme van Europa? Moesten jullie je daar toen werkelijk in vrome gehoorzaamheid uit Zuid‑Amerika laten wegsturen?

Wetenschap in de Orde

Ik zou het best fijn vinden iets te zeggen over de geschiedenis van de theologie in mijn Orde, ook al valt daar voor de toekomst van die theologie maar weinig uit af te leiden. Maar ik kan hier maar een paar kleine opmerkingen maken, ook al is die geschiedenis niet direct onbetekenend. Het probabilisme, dat door jullie moraaltheologie werd verdedigd, was voor zijn tijd bepaald niet zonder betekenis: het was een krachtige verdediging van het recht van ieder individu op vrijheid van geweten, ook al moet je wat ermee bedoeld werd, tegenwoordig anders formuleren.

Jullie zijn in jullie theologie humanisten geweest met een moderne wijze van denken en jullie hebben met een zeker modern optimisme gedacht over de mens, ook in zijn loutere “natuur”; jullie hebben daaruit consequenties getrokken voor jullie missie in China en India, die Rome niet wilde goedkeuren. Die wijze van denken en doen was toen, bedoeld of niet, een voorspel op een theologische antropologie die nodig is in een kerk die de hele wereld en alle culturen wil omsluiten, en die niet als een exportartikel het Europese christendom over de hele wereld wil verspreiden. Alleen hadden jullie bij dit soort optimistische antropologie van onderen af niet een groot aantal van jullie theologen mogen toestaan, tegen de grondovertuiging van mijn Geestelijke Oefeningen in, het weet hebben van de eigenlijke goddelijke genade van zijn plaats te halen en op te schuiven tot na de dood. Dat deden zij namelijk omdat zij meenden dat men deze genade niet zelf kan ervaren, maar er alleen maar weet van kan hebben door middel van de indoctrinatie van buiten af door de Kerk.

Als jullie theologie historisch gezien inderdaad heeft bijgedragen tot die ontwikkeling in het gelovig bewustzijn van de Kerk die in Vaticanum I haar beslag kreeg, dan heeft jullie theologie nu ook de plicht die aanzetten in het denken over de structuur verder te ontwikkelen die in Vaticanum II duidelijk werden. Jullie moeten in de theologie (en in de praktijk) trouw blijven aan het pausdom, aangezien dat op bijzondere wijze tot jullie erfgoed behoort. Maar het pausdom blijft ook voortaan in zijn concrete vormgeving onderhevig aan een historische verandering. Daarom moet jullie bijdrage aan theologie en kerkelijk recht vooral het pausschap dienen zoals het in de toekomst moet zijn om een hulp en niet een beletsel te vormen voor de eenheid van de christenheid. En voor het overige: bestudeer Marx, Freud, Einstein, leg je toe op het ontwikkelen van een theologie die de oren en het hart van de hedendaagse mens weet te bereiken; maar het begin en einde van jullie theologie ‑ die ook nu nog, met enige moed, echt systematisch kan zijn ‑ blijft Jezus Christus, de Gekruisigde en Verrezene, die de zegevierende belofte is van de onbegrijpelijke God zichzelf te geven aan deze wereld. Over Hem en niet over een of andere geestesmode, die heden komt en morgen gaat, moet jullie theologie het hebben.

Men maakt jullie theologie vaak het verwijt van een goedkoop eclecticisme. Daar zit natuurlijk iets in. Maar als God “de altijd grotere God” is, op wie ieder systeem waarmee de mens de werkelijkheid aan zich probeert te onderwerpen, stuk loopt, dan kan jullie “eclecticisme” ook alleszins aanduiden, dat de waarheid Gods een te grote uitdaging is voor de mens en dat hij van harte beaamt dat die uitdaging te groot voor hem is. Uiteindelijk bestaat er namelijk geen systeem waarin men vanuit één punt waarop men zelf staat, de gehele werkelijkheid zou kunnen vangen. Jullie theologie mag zich niet schuldig maken aan denkluiheid en werken met goedkope compromissen. Maar een glashelder doordacht theologisch systeem zou een verkeerd systeem zijn. Ook in de theologie zijn jullie de pelgrims die in een steeds weer nieuwe exodus op zoek zijn naar het eeuwige vaderland van de waarheid.

Kan de Orde veranderen?

Ik heb echter nog vanuit een heel ander gezichtspunt iets te zeggen over mij en over de ‑ te verhopen ‑ geschiedenis van mijn invloed voor morgen. Gezien de feitelijke geschiedenis ziet men ook nu nog de Sociëteit van Jezus als een Orde die scholen heeft, geleerde theologie bedrijft, boeken publiceert en zich bezig houdt met het hogere kerkelijke management en die tegenwoordig ook invloed heeft op de massamedia. Dat is misschien allemaal wel mooi en waar, dat komt misschien ook overeen met het beeld dat deze orde in haar geschiedenis van meer dan vierhonderd jaar heeft opgeroepen.

Ik heb hierboven al gezegd, dat de geschiedenis van de zonen terecht en vanzelfsprekend niet zonder meer de herhaling is van het leven van hun vaders. Ik heb ook al gezegd dat ik niet oordeel over het verleden van deze Orde. Dat alles vooropgesteld, stel ik echter omwille van jullie en van jullie toekomst de vraag: wat heeft die geschiedenis alles bij elkaar eigenlijk te maken met mijzelf en met de levensstijl die de mijne was? Ik denk daarbij vooral aan de periode vanaf (zoals ik het vaak uitdrukte) mijn “oerkerk” in Manresa tot aan de eerste jaren in Rome toen ik mij daar definitief gevestigd had en nog niet volledig in beslag genomen werd door het opstellen van de constituties, door het bestuur van de Orde en door mijn ziekte.

Wij, de eerste gezellen en ik, waren immers geen geleerden en wilden het ook niet zijn, hoewel Franciscus Xaverius het gemakkelijk zover had kunnen brengen en Diego Laynez een bliksems knappe theoloog was, die veel indruk maakte op het concilie van Trente. Natuurlijk: als je in alle radicale vrijheid van geest zonder voorbehoud God wilt dienen in de mensen, als je je daarbij nergens definitief op vastlegt en tot alles bereid bent, dan moet je natuurlijk ook onder bepaalde omstandigheden, als het binnen je bereik ligt en de situatie erom vraagt, hooggeleerde theologie bedrijven, boeken schrijven, in Gods naam misschien ook iemand aanstellen tot biechtvader aan het hof, brieven schrijven aan vorsten en prelaten en meer van dergelijke zaken. Dit alles heeft inderdaad de geschiedenis van de Orde in de loop der eeuwen in hoge mate bepaald. Maar in de echt beslissende jaren waren wij toch eigenlijk anders; de latere geschiedenis van de Orde heeft geen duidelijke afspiegeling van ons gegeven.

Wij waren werkelijk straatarm en wilden dat zijn. Op onze wegen door Frankrijk en Italië zochten wij onderkomens in de vuile armenhuizen van destijds. Wij verpleegden zieken in de ziekenhuizen (bijv. in Venetië in twee ziekenhuizen voor lijders aan ongeneselijke syfilis) en dat was iets anders dan wat tegenwoordig verlangd wordt van het personeel van moderne klinieken. Wij preekten op straat, zo nodig in een koeterwaals van Spaans, Italiaans en Frans. We bedelden echt. Het catechismusonderricht aan kleine, haveloze kinderen was werkelijke praktijk en niet alleen maar een vrome herinnering, zoals in het huidige gelofteformulier van jullie professen.

Ik heb weliswaar de eerste stoot gegeven tot de oprichting van de Gregoriana en van het Germanicum, maar ik heb ook het Martahuis opgericht om prostituees op te vangen. We hebben een geweldige voedselbedeling voor de armen georganiseerd tijdens de hongersnood in Rome van 1538 tot 1539, toen in het heilige Rome de stervenden op straat lagen en hongerende kinderen overal rondzwierven. Tot dan toe probeerde men de hoeren in een klooster te interneren, maar ik probeerde ze juist op te voeden tot een menswaardig bestaan in maatschappij en huwelijk. Ik heb aangedrongen op het stichten van een huis voor alleenstaande meisjes en ik heb weeshuizen ondersteund, een huis opgericht voor Joden en Moren die katholiek, wilden worden. Het was mij niet te “werelds” om vrede te stichten tussen Tivoli en Castell Madama en mij dus ook op mijn oude dag nog bezig te houden met maatschappelijke en politieke kwesties. Dat had ik al gedaan bij mijn laatste oponthoud in mijn baskische vaderland in 1535, toen ik in het armenhuis van Azpeitia verbleef en samen met de armen at wat ik bijeengebedeld had: ik ontwierp toen voor mijn vaderstad een weldoordachte regeling voor de armen en voerde die uit.

Ik heb weliswaar scholen opgericht en er wettelijke stichtingen van gemaakt. Daartoe heb ik, zuchtend en wel, ook het armoederecht van mijn Orde een beetje aangepast. Daardoor is deze orde in vele landen en tijden een Orde geworden van scholen en schoolmeesters. Ik heb daar waarachtig niets tegen in te brengen, als daardoor het karakter en de mentaliteit van de Orde als geheel niet worden vertekend. Maar vergeet niet: in mijn tijd werd er op die scholen geen schoolgeld gevraagd en hadden ze dus een zeer grote sociaal‑politieke betekenis, terwijl jullie scholen voor de leerlingen nu duur moeten zijn, zoals ik graag toegeef. Zo zou ik nog veel meer dingen kunnen noemen.

Wat ik wilde vragen, is alleen: heeft tot nu toe de Orde deze kant van mijn leven niet teveel vergeten? Zo ja, dan komt dat misschien door een historische noodzakelijkheid en ik heb nu al meer dan eens gezegd, dat ik de geschiedenis van deze Orde niet zonder meer voor mijn rekening neem. Maar moet het zo blijven?

Kan er in de toekomst van deze Orde niet opnieuw iets levend worden, iets waar het mij in mijn eigen leven werkelijk om gegaan is in de navolging van de arme en nederige Jezus? Kan de uitdaging van een nieuwe situatie deze Orde niet goeddeels in een nieuwe richting wijzen, juist om trouw te blijven aan haar oorsprong? Tijdens jullie tweeëndertigste Algemene Vergadering van 1974 hebben jullie “de strijd voor het geloof en de gerechtigheid” als een opgave voor jullie Orde opnieuw geproclameerd en “met berouw jullie eigen tekortschieten in de dienst aan het geloof en in de inzet voor gerechtigheid” beleden. Jullie hebben ingezien, dat de inzet voor de gerechtigheid in de wereld een innerlijk en wezenlijk element is in jullie zending en niet iets wat je naar eigen believen aan jullie verkondiging van het evangelie kunt toevoegen. Jullie hebben gesproken over een “volledige en integrale bevrijding van de mens, die tot een deelnemen aan het leven van God zelf leidt”. Ik hoop dat jullie dat menen. Jullie historische en maatschappelijke situatie is natuurlijk geheel anders dan de mijne in de zestiende eeuw. Toen konden gerichte en van tevoren uitgedachte veranderingen van de maatschappij nog niet, zoals nu het geval is, opgave en plicht zijn van christelijke naastenliefde. Maar als jullie de besluiten van de tweeëndertigste Algemene Vergadering, jullie hoogste gezagsorgaan, serieus nemen, dan moet ik toegeven dat jullie je begeven op een nieuwe weg naar de toekomst van jullie éne en altijd gelijke zending, en dat ook hij, die jullie je vader noemen, in de geest met jullie kan meegaan.

Hoe die strijd voor meer gerechtigheid in de wereld er in de toekomst precies uit zal zien, hoef ik niet te profeteren. In ieder geval moeten jullie natuurlijk geen ééndagspolitici worden en zeker ook geen partijbonzen geen secretarissen van grote maatschappelijke organisaties, ook geen loutere theoretici van de zogenaamde christelijke sociale wetenschappen. Jullie moeten werkelijk niet streven naar maatschappelijke macht en ook niet beweren dat hoe meer macht je hebt, des te beter je je naaste kunt dienen. Dat is misschien een geheime grondstelling van de echte politici, die daarmee deels leugenachtig, maar ook deels heel openhartig hun vak rechtvaardigen. Jullie grondslag kan het niet zijn, niet in de profane maatschappij en niet in de Kerk, ook niet als die macht werkelijk binnen jullie bereik zou zijn.

Als jullie de navolging van de arme en nederige Jezus beoefenen, als jullie, zoals ik al zei, vrijwillig als Jezus’ lot en niet als bittere dwang aanvaarden dat jullie op een eigentijdse manier terechtkomen aan de rand van de maatschappij, hetgeen jullie in de toekomst misschien veel meer dan tot nu toe zal worden opgelegd, dan zullen jullie misschien op de plek zijn waar jullie strijd voor de gerechtigheid werkelijk geleverd kan worden. Jullie kunnen je helemaal niet meer goed voorstellen, wat voor een randfiguren in de kerkelijke samenleving wij werden, of beter gezegd, hadden moeten worden, toen ik en mijn eerste gezellen wilden afzien van een kloosterkleed en soortgelijke statussymbolen van de kerkelijke samenleving, ook al zijn we in feite, althans tot in jullie tijd, geen echte randfiguren geworden.

Kan de orde veranderen?

Zoals een Melchior Cano in mijn tijd op zich heel terecht opmerkte, hield onze keuze op zich een bestaan in aan de rand van de kerkelijke samenleving en moest men dat in kerkelijke kringen wel ervaren als onverenigbaar met een leven in een kerkelijk goedge­keurde orde, zoiets als wat tegenwoordig nog de officiële Kerk ervaart ten opzichte van de priesterarbeiders. Jullie kunnen dan nu nog altijd geleerde theologie bedrijven, cultu­reel‑politieke strategieën ontwikkelen, een beetje aan kerkelijke politiek doen, jullie stem laten horen in de massamedia enz. Dat kunnen jullie allemaal ook doen. Maar jullie moeten je leven en de betekenis van de Orde niet afmeten aan de successen op die gebie­den.

Als jullie alleen maar met droefheid en berusting zouden kunnen constateren, dat deze Orde de culturele en kerkelijke betekenis die zij voor haar opheffing in 1773 bezat, niet heeft terugveroverd en niet meer heeft, als ‑ ik herhaal ‑ dat simpele feit, dat je niet hoeft te verhullen, jullie met droefheid en stille berusting vervult, dan hebben jullie volstrekt niet begrepen wat jullie moeten zijn: mensen die de arme en nederige Jezus navolgen, die zijn evangelie verkondigen, die partij blijven kiezen voor de armen en de laagst geplaats­ten op de maatschappelijke ladder in de strijd voor meer gerechtigheid voor hen. Kunnen jullie dat nu en in de toekomst niet meer doen? Hangt dat af van alle macht en luister die de Sociëteit van Jezus ooit heeft gehad? Of is die macht in wezen alleen maar een ver­schrikkelijk gevaar dat je God verliest doordat je in je leven probeert het doodslot van Jezus te ontlopen?

Als er buiten het geheim van God, het enige waaraan jullie je onvoorwaardelijk willen toevertrouwen, voor jullie niets kan en mag bestaan in wereld en geschiedenis, binnen en buiten, in de hemel en op aarde, wat zonder voorbehoud en onvoorwaardelijk nagestreefd en bemind mag worden, behoort dan ook niet jullie eigen orde, waar je van houdt, en haar toekomst tot de dingen die jullie bedaard aanvaarden als ze jullie worden toegezon­den, en die jullie even bedaard laten gaan, als ze jullie ontnomen worden? Heb ik in mijn tijd zelf niet gezegd, dat ik niet meer dan tien minuten nodig zou hebben om weer de vrede van God te ervaren, als de Orde ten onder zou gaan?

Blik op de toekomst

Ik zou tot slot nog iets willen zeggen over hen die geen Jezuïet zijn. Ik heb in mijn leven in mijn orde zeer trouwe vrienden en gezellen gehad, maar ook in mijn hele leven veel vrienden die geen jezuïeten waren: groten en kleinen, rijken en armen, geleerden en eenvoudigen; goede vrienden had ik ook onder de leden van andere orden, mannen en vrouwen. Ik heb me nooit verbeeld dat ze allemaal jezuïet moesten worden. Bij heel wat mensen aan wie ik privé Geestelijke Oefeningen gaf, was het resultaat dat ze echt gewekt werden en een radicale ommekeer maakten. Maar daarom werden ze nog geen jezuïet, ook niet als de uiterlijke omstandigheden dat heel goed mogelijk maakten en het misschien gemakkelijker had kunnen gebeuren dan bij een vicekoning als Franciscus Borgias. Dat is op zich natuurlijk iets heel vanzelfsprekends, maar het is toch goed het eens uitdrukkelijk te zeggen.

Iedere levensstijl en vooral een die de mens vanuit zijn diepste innerlijk wil vormen, vertoont onwillekeurig een zekere aanspraak op universaliteit, op algemene geldigheid; als je dan andere christelijke levensstijlen vergelijkt met die van jezelf, vind je maar al te gauw dat die andere iets voorlopigs hebben, niet ontkomen aan de sfeer van het compro­mis of niet volledig beantwoorden aan de radicale levensbeginselen; allemaal dingen die je hoogstens stilzwijgend kunt tolereren als menselijke ontoereikendheid.

Aan die begrijpelijke en toch dwaze overschatting van de eigen levensstijl hebben jullie in je geschiedenis niet zelden gedaan en alleen daardoor is het al te begrijpen dat de jezuïeten vaak verweten wordt dat ze trots zijn. Maar waar zo’n overschatting van de eigen levens­stijl, zo’n aanspraak op universaliteit, door de concrete historische situatie ook voor naïeve mensen niet langer mogelijk is, daar ontstaat het tegengestelde gevaar: mensen worden onzeker in hun eigen levensstijl, ze zijn er niet meer echt van overtuigd, dat de eigen levenswijze voor henzelf wel volstrekt geldig is, ook al is die niet geschikt voor iedereen, ze proberen een ‘synthese’ te maken van alles en nog wat en brengen op die manier niets beters tot stand dan een karakterloze mengelmoes, die zogenaamd van mor­gen is, omdat hij alles van gisteren door elkaar mengt. Wie echter is doorgebroken tot de oneindige vrijheid van God, heeft het, om in wat van hemzelf is niet onzeker te worden, niet nodig alles wat er verder nog bestaat en mogelijk is, als het zijne op te eisen. Als iemand in het bescheiden maar zekere bezit is van wat van hemzelf is, hoeft hij er niet angstig op uit te zijn om iedere mode die zich aandient mee te maken. De eigen toekomst moet uit het eigene komen.

Ik ben wat van mijn onderwerp afgedwaald en heb jullie, jezuïeten, weer zitten vermanen. Maar wat ik eigenlijk wilde zeggen, is dit: de wereld hoeft vandaag nog minder dan vroeger alleen maar uit mensen te bestaan die jezuïet zijn of die gemeten zouden mogen worden aan hoe dichtbij of hoe ver af ze van jullie staan. En toch: in beginsel hebben jullie een zending naar diegenen die geen jezuïeten willen zijn en ook geen mini‑uitgaven daarvan. Ik zeg: in beginsel. Want hoever jullie er in feite bij hen mee komen, kun je niet van tevoren uitrekenen, dat kun je alleen maar hopen, niet berekenen, dat is de vrije beschikking van de ontzaglijke God van de geschiedenis.

Maar in beginsel hebben jullie een zending die op zich iedere mens kan aangaan. En in zoverre mag ik hier juist toch iets zeggen wat betrekking heeft op alle christenen en alle mensen. Weliswaar doet wat van algemene betekenis is, zich altijd voor in een telkens historisch bepaalde gestalte, en daarom bereikt het in feite niet allen. Maar onder dit voorbehoud is nog steeds van algemene betekenis wat ik vroeger leefde en zei en wat ik door mijzelf en mijn gezellen de mensen probeerde te leren waarderen.

Ze kunnen mij natuurlijk tot de mensen rekenen die aan het begin staan van de Europese ‘nieuwe tijd’. Ze zouden, ondanks al het middeleeuwse dat ik leefde en doorgaf, kunnen zeggen dat het nieuwe en eigene van mij typisch is voor die nieuwe tijd, die nu zijn einde tegemoet gaat, ook al kan niemand nog precies zeggen wat er daarna zal komen. Ze zouden kunnen zeggen dat mijn ‘spiritualiteit’ zowel in haar mystiek, individualisme als in haar rationeel‑psychologische techniek typisch ‘modern’ is en dus aan haar einde. Ze zouden kunnen zeggen dat die individualistische subjectiviteit en rationaliteit alles bij elkaar niet minder ‘modern’ worden, doordat dat alles verbonden blijft met het enorme apparaat van de roomse Kerk en in haar dienst wordt gesteld. Dat apparaat zou overigens, omdat het nog ouder is, nog minder toekomstkansen hebben. Maar zo eenvoudig is het niet. Tenminste niet in de geschiedenis van het christendom en van de Kerk, en daarom ook niet bij historische verschijnselen die zich in de geschiedenis van die Kerk hebben voorgedaan en waarvan het begin niet zonder meer ook al de prognose van het einde betekent. Maar laten we hier de geschiedenistheologie rusten. Ik zeg alleen: in de Kerk gaat iets juist niet zomaar en zo snel ten onder alleen omdat er voor zijn opkomst duidelijk een heel bepaald tijdstip in de geschiedenis van de Kerk valt aan te wijzen.

Misschien begint mijn door jullie als ‘modern’ gekwalificeerd religieus individualisme juist dan pas en dan opnieuw van absolute betekenis te worden, als de enkeling dreigt op te gaan en ook onder te gaan in de door en door georganiseerde massa van een ‘postmo­derne’ tijd. Ik heb er ‑ God beware me ‑ niets tegen, als jullie tegenwoordig in het religieuze, zoals al eerder in het menselijke, proberen het gemeenschappelijke te ontdek­ken, de levende groep, de broederlijke basisgemeenschap en proberen je daarin thuis te voelen. Maar wees voorzichtig en nuchter. De enkeling gaat nooit volledig op in de gemeenschap.

De eenzaamheid voor God, het geborgen zijn alleen in zijn zwijgende onmiddellijke aanwezigheid hoort bij de mens. En als dit aan het begin van de nieuwe tijd in de Kerk duidelijker is geworden, dan hoort het tot de geschiedenis, die niet zomaar weer ten onder gaat, maar die blijft en moet blijven, en wel ook door jullie.

En dan: zullen er ooit mensen bestaan die principieel en in iedere fase van hun bestaan geen oor meer hebben voor het woord: God? Zullen er ooit mensen bestaan die, na allerlei vragen die je in eindeloze hoeveelheid kunt stellen, niet meer verder vragen naar het Onuitsprekelijke? Zullen er ooit mensen bestaan die altijd en werkelijk met succes weigeren het geheim in hun leven toe te laten, het geheim zonder meer dat als het enige en het allesomvattende, als de oergrond en het uiteindelijke doel onbenoemd in hun bestaan heerst en dat maakt dat wij in liefde “Gij” zeggend ons in zijn afgrond kunnen laten vallen en daardoor vrij kunnen worden? Wat zou het zijn als dat mogelijk was, als dat de werkelijkheid werd?

Mij zou dat niet van mijn stuk brengen. Dan zouden de mensen ‑ als individuen of als mensheid ‑ zijn terug geëvolueerd tot intelligente dieren en dan zou de geschiedenis van de mensheid van vrijheid, verantwoordelijkheid, schuld en vergeving ten einde zijn. Alleen zou de wijze veranderd zijn waarop het einde komt, dat wij christenen in alle geval verwachten. De mensen die werkelijk die naam verdienen, zouden dan toch het eeuwige leven gevonden hebben.

Je kunt ook in de toekomst over God spreken, als je werkelijk begrijpt wat met dat woord bedoeld wordt, en er zal altijd een mystiek bestaan en een inwijden in het geheim van de onzegbare nabijheid van onze God, die  andere wezens buiten zichzelf heeft geschapen om zichzelf daaraan in liefde als eeuwig leven te schenken. Het zal altijd mogelijk zijn aan mensen over te dragen, dat ze de eindige afgodsbeelden die langs hun wegen staan, omverwerpen of er onverschillig aan voorbijgaan; dat ze niets absoluut maken wat ze aan afzonderlijke en bepaalde machten en autoriteiten, ideologieën, doelstellingen en toekom­sten tegenkomen; dat ze ‘indifferent’, ‘onverschillig’ worden en dat ze daardoor in die slechts ogenschijnlijk lege vrijheid ervaren, wat God is.

Er zullen altijd mensen bestaan (hoeveel het er numeriek en in verhouding tot de gehele mensheid zijn, doet er tenslotte niet toe, als de Kerk als sacrament van het heil van de hele wereld maar in haar aanwezig blijft) die het, met het oog gericht op de gekruisigde en opgestane Jezus, wagen met voorbijgaan van alle afgoden van deze wereld onvoorwaar­delijk in te gaan op de Onbegrijpelijkheid van God als liefde en erbarmen. Er zullen altijd mensen bestaan die in dit geloof in God en in Jezus Christus zich verenigen tot de Kerk, haar vorm geven, haar dragen en haar …. uithouden, want zij is nu eenmaal een ook historisch tastbare, institutionele grootheid en ze bestaat voor mij het meest concreet (en dus ook het hardst en het bitterst) in de Rooms‑katholieke Kerk.

Als er altijd van die mensen zullen bestaan, dan zal ik (hoe aanmatigend het ook mag klinken) ook altijd een zending hebben naar alle mensen. Want ik wilde toch alleen maar de mensen helpen datgene wat ik zojuist zei, te verstaan en te begrijpen. Ik wilde eigenlijk op slot van zaken geen afzonderlijk programma en geen speciaal soort christelijkheid of spiritualiteit, ook al weet ik natuurlijk heel goed, dat iedere mens datgene wat voor allen geldt, onvermijdelijk slechts op zijn manier kan doorgeven en daarom toch niet allen bereikt of zich in zekere zin zelf in zijn eigen aard uitwist als hij durft gewagen van de eeuwige God en zijn Christus. Daarmee is tenslotte ook de vraag of er in de toekomst ook een geschiedenis van de doorwerking van mijn leven en mijn leer zal zijn, niet belangrijk meer. Stilzwijgend ten onder gaan zou de grootste daad kunnen zijn. God blijft hoe dan ook de altijd grotere. Hij zij gebenedijd.

Ik heb veel en over vele dingen gesproken. En toch heb ik veel vergeten en ongezegd gelaten wat jij of een ander van mij zou willen horen. Ik wil niet eens meer de thema’s noemen waar even goed iets over gezegd had kunnen worden als over de dingen waarover ik gesproken heb. Het einde zou hoe dan ook het zwijgen zijn, waarin de eeuwige lofzang van God geschiedt.

Deze tekst – een Nederlandse vertaling van Piet Heldens SJ  – is in vijf afleveringen van het tijdschrift Cardoner gepubliceerd tussen oktober 1981 en februari 1983. In 1986 verscheen het als een apart boekje bij Kerk en Wereld in Mechelen en bij De Heraut in Nijmegen: ISBN 90-5069-006-8. Er is nog altijd vraag naar de brief en daarom wordt de vertaling 35 jaar na de eerste publicatie op papier nog eens op de website van Cardoner geplaatst. Het Stanislasteam in Delft beschikte over een elektronische versie waar Cardoner dankbaar gebruik van maakt.

Print Friendly, PDF & Email