Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Geestelijke Oefeningen - Geschiedenis / Pierre Favre als begeleider van de Geestelijke Oefeningen: Het voorbeeld van Petrus Canisius.

Pierre Favre als begeleider van de Geestelijke Oefeningen: Het voorbeeld van Petrus Canisius.

Redactie Cardoner on 03/05/2007 - 3:19 pm in Geestelijke Oefeningen - Geschiedenis

door Paul Begheyn S.J.

 

Pierre Favre was een van de eerste gezellen van Ignatius en medestichter van de Sociëteit van Jezus. In 2006 werd de vijfhonderdste verjaardag van zijn geboorte gevierd. Wat volgt is de Nederlandse vertaling van een lezing die op 24 augustus 2006 werd gehouden op een internationaal congres te Loyola.

Toen de Bovenrijnse Provincie van de jezuïetenorde in 1648 te Mainz haar noviciaat opende, werden in het portaal twee stenen beelden opgesteld, het ene van de Nederlander Peter Canisius en het andere van de Savoyaard Pierre Favre. Zij moesten de Duitse novicen eraan herinneren wat de Sociëteit in hun land te danken had aan deze twee mannen. De Duitse jezuïeten mochten de twee Peters niet vergeten, de twee rotsen waaruit zij gehouwen waren. Favre was de eerste jezuïet die voet zette op Duitse bodem, en Canisius de allereerste die in Duitsland in de Sociëteit trad. Dat maakt hem nog niet de eerste Duitse jezuïet, zoals historici ten onrechte blijven beweren. Pierre Favre begeleidde de Geestelijke Oefeningen van Canisius, op basis waarvan deze besloot om jezuïet te worden, op 8 mei 1543. Het is opmerkelijk dat begeleider, retraitant en derden getuigenissen over deze retraite op schrift gesteld hebben. Pierre Favre noteerde zijn reflecties en observaties in zijn Memoriale, zijn geestelijke autobiografie, en maakte via brieven vrienden deelgenoot van zijn gedachten. Petrus Canisius liet ongepubliceerde en nu helaas verloren gegane retraite-aantekeningen na, en reflecteerde op deze Geestelijke Oefeningen in zijn Geestelijk Testament, zijn Belijdenissen en zijn brieven. En vrienden uit hun binnenste cirkel verspreidden het nieuws onder buitenstaanders.

 Voorstelling van de hoofdrolspelers

 In 1543 was Pierre Favre 37 jaar oud. Hij had zijn licentiaat in de vrije kunsten behaald aan het Collège Sainte Barbe in Parijs, waar hij Franciscus Xaverius en Ignatius van Loyola ontmoette. Op 30 mei 1534 werd hij priester gewijd, en tweeëneenhalve maand later, op 15 augustus, vierde hij de eucharistie in Montmartre waaronder de zeven eerste jezuïeten hun geloften aflegden. Kort daarna begonnen twaalf jaren van bijna onafgebroken reizen, naar Rome, Noord-Italië, de Nederlanden, Portugal, Spanje en Duitsland. Van november 1540 tot januari 1541 nam hij deel aan het Godsdienstgesprek van Worms, waar hij disputeerde met de lutherse theologen Martin Bucer en Philipp Melanchthon. Favre, die zijn Geestelijke Oefeningen gedaan had onder leiding van Ignatius zelf, begeleidde retraites van vele mannen en vrouwen vanaf 1534 tot in het jaar van zijn overlijden, 1546. Ignatius vond hem de beste begeleider van de Geestelijke Oefeningen: “Van degenen die hij in de Sociëteit kende nam Favre de eerste plaats in wat betreft begeleiding.” Onder Favres retraitanten bevonden zich drie van de stichters van de jezuïetenorde – Claude Jay, Pasquier Broët en Jean Codure -, kardinaal Otto von Truchsess, de bisschoppen Michael Helding en Julius Pflug, en de kartuizer Gerard Kalkbrenner, allemaal personen die een beslissende rol zouden spelen in de katholieke Reformatie van Duitsland. Pierre Favre overleed in Rome, terwijl hij op weg was naar het Concilie in Trente om daar als persoonlijk theoloog van paus Paulus III te dienen. Hij werd in 1872 zalig verklaard.

Peter Kanis – later verlatijnst tot Canisius – werd geboren op 8 mei 1521 in Nijmegen, als enige zoon van Jacob Kanis en apothekersdochter Jelis van Houweningen. Jacob Kanis studeerde rechten aan de universiteiten van Keulen en Orléans, en werd huisleraar van de zonen van hertog René II van Lotharingen voordat hij naar Nijmegen terugkeerde. Daar werd hij gedurende vele jaren tot burgemeester gekozen. In deze hoedanigheid ondernam hij vele reizen, onder meer naar Londen om het huwelijk van Hendrik VIII met Anna van Kleef bij te wonen. Enkele maanden vóór zijn overlijden op kerstmis 1543 ondertekende hij het Verdrag van Venlo, waardoor het hertogdom Gelre deel van het Heilige Roomse Rijk werd. Rond 1530 was Jacob Kanis hertrouwd met Wendel van den Bergh, wier broer Burchard biechtvader van Rooms-Koning Ferdinand en deelnemer aan het Concilie van Trente was. Petrus Canisius studeerde aan de universiteiten van Keulen en Leuven en speelde met de gedachten om priester te worden, maar in tegenstelling tot zijn vriend Lorenz Surius trad hij niet in bij de kartuizers, maar legde hij wel een gelofte van maagdelijkheid af. Reden voor Peters aarzeling was de voorspelling van de tante van zijn stiefmoeder, zuster Reinalda van Eymeren, auteur van de mystieke bestseller Die Evangelische Peerle, dat hij op een dag zou intreden in een nieuwe orde van priesters, die gesticht was ten behoeve van de hervorming van de Kerk.

 Contact tussen Peter en Pierre

In de lente van 1543 arriveerde in Keulen een jonge Portugese priester, Alvaro Alfonso, die kapelaan van de Spaanse Infantas was geweest. Hij sloot zich aan bij de Montanerbeurs, waar Canisius les gaf. Zij moeten bijna direct bevriend zijn geraakt, en tijdens hun gesprekken hoorde Peter over de Sociëteit van Jezus, de stichter Ignatius van Loyola en de Geestelijke Oefeningen. Plotselinge vielen Peter de schellen van de ogen, toen hij hoorde hoe Alvaro de voorspelling van oudtante Reinalda invulde. Alvaro vertelde dat een van de eerste navolgers van Ignatius, Pierre Favre, sinds oktober 1542 in Mainz woonde en in de plaatselijke school onderricht gaf over de psalmen. Tot begin april 1543 had Favre ingewoond bij Konrad, de pastoor van de kerk van Sint-Christoffel, waar de uitvinder van de boekdrukkunst, Johannes Gutenberg, ongeveer vijftig jaar tevoren gedoopt was. Vanaf 1 april huurde Favre een huis elders in de stad, waar hij tot augustus van hetzelfde jaar zou blijven wonen. Canisius verliet Keulen, begon aan de driedaagse bootreis op de Rijn en kwam rond 10 april te Mainz aan. Was het zonder twijfel omdat hij meer verlangde een geestelijk leidsman te ontmoeten dan in de Sociëteit te treden, zoals Michel de Certeau heeft gesuggereerd?

Kort voor zijn dood dicteerde Petrus Canisius zijn testament, waarin hij heldere herinneringen aan zijn ontmoeting met Favre opnam:

 “Hoewel deze zeer voortreffelijke Favre mij nog nooit eerder gezien had, nam hij mij bij mijn aankomst vriendelijk op en hij gaf mij in zijn woning bij de pastoor van de Sint-Christoffelkerk onderdak en onderricht. Hij gaf mij de verstandige raad om, als ik geestelijk onderricht zocht en advies wilde hebben voor mijn geweten, enige tijd bij hem te blijven. Ik kon dan tijdens het doen van de Geestelijke Oefeningen onderzoeken wat de goede, welgevallige en volmaakte wil van de hoogste God voor mij zou zijn. Toen ik dit onderzoek doormaakte en mij zorgvuldig geheel onderzocht, leerde ik in geest en in waarheid tot God te bidden, en tegelijkertijd zag ik dat de organisatie van deze Sociëteit van Jezus, die ik al voldoende uitgelegd gekregen had, zeer doelmatig en geschikt zou zijn om goed en gelukkig te leven en God te dienen. Terwijl ik als het ware in het tolhuis zat, vernam ik onmiskenbaar de stem van God. Ik wilde en mocht Hem die mij riep niet weerstaan. Dus stond ik met Matteüs op, en schreef deze onreine wereld af. Ik verbrak de banden waarin ik tot dan toe niet weinig verstrikt was geraakt alsof ik meerdere, zeer verschillende heren kon dienen.”

 Deze woorden werden meer dan vijftig jaar na dato neergeschreven. Laten we nu inzoomen op de weken in april en mei van 1543.

 De Oefeningen gezien door de ogen van de begeleider

 Kort na de aankomst van Petrus Canisius in Mainz, schreef Pierre Favre aan Gerard Kalkbrenner, prior van de kartuizers in Keulen:

 “Op dit moment geniet ik van het gezelschap van meester Peter. Het ontbreekt me aan woorden om te zeggen wat voor genoegen dat is. Gezegend zij God die zo’n boom in zijn wijngaard plantte, en mogen zij die hem verzorgden en voedden voor eeuwig gezegend zijn. Ik weet goed dat u een van hen bent en dat u geholpen hebt om deze jongeman te maken tot wat hij is, een jongere die zeer verschilt van andere jongeren van zijn generatie. Mijn liefde voor Keulen, een stad die zo’n pure ziel wist te koesteren en bewaren, is geweldig gegroeid.”

 We weten niet of Canisius zijn Oefeningen al was begonnen, toen Favre deze woorden neerschreef, maar als dat niet het geval is, zou hij er spoedig aan begonnen zijn.

Op 28 april maakte Pierre Favre een notitie in zijn geestelijke autobiografie, waarin hij reflecteerde op zijn pogingen om Canisius te helpen, die op het punt stond zijn keuze te maken, bij het doen van zijn eigen onderscheiding. Zoals altijd gaf Favre voorrang aan de affectieve elementen in deze ervaring.

 “Tijdens een bezoek aan meester Peter uit Gelderland, die toen de Oefeningen doormaakte, begreep ik helderder dan ooit vanuit enkele zeer overtuigende aanduidingen, hoe bijzonder belangrijk het is voor de onderscheiding van de geesten of we onze aandacht richten op gedachten en innerlijke ingevingen of op de geest zelf. Want de geest verraadt gewoonlijk zijn aanwezigheid via verlangens, gevoelens, kracht of zwakte van de ziel, rust of onrust, vreugde of droefheid en soortgelijke geestelijke gevoelens. Het is beslist eerder door deze gevoelens dan door de gedachten zelf, dat men gemakkelijker een oordeel kan uitspreken over de ziel en haar bezoekers.

Maar er zijn mensen die, ondanks de vele verschillende gebeden en contemplaties die zij in verschillende geestelijke oefeningen verrichten, niet de veranderende geesten kunnen opsporen, maar die altijd door één en dezelfde geest bewogen schijnen te worden – zij het in meerdere of mindere mate. Maar de meest effectieve manier om het verschil tussen de geesten aan het licht te brengen is de keuze van een levensstaat voor te stellen en dan, in die bepaalde staat, de verschillende etappes op de weg naar volmaaktheid. En, in het algemeen, hoe hoger het doel dat je voorgesteld hebt voor iemands activiteit, hoop, geloof, en liefde (opdat hij zich er affectief en effectief op zal toeleggen), des te waarschijnlijker is het dat je hem voorzien hebt van de middelen om het verschil tussen de goede en boze geest aan het licht te brengen.

Er zijn ook andere mensen (vooral degenen die vroom zijn, een lange gebeds praktijk kennen en vrij van zonde zijn) in wie de boze geest niet wordt herkend omdat zij geen gedachten kennen buiten de grenzen van waarheid en goedheid, en geen duidelijk ongeordende affecties hebben. Niettemin, al zijn zij nog zo heilig, als je zulke mensen ertoe brengt om zichzelf te onderzoeken in verband met een fase van volmaaktheid in hun leven en deze te praktiseren in hun eigen staat (als deze niet veranderd kan worden) of in een volmaaktere levensstraat, dan zul je gemakkelijk beide geesten opsporen: de geest die sterkt en de geest die verzwakt en de geest die verduistert en bezoedelt – ik bedoel de goede geest en de geest die er het tegenovergestelde van is.”

 De Franse jezuïet Michel de Certeau suggereerde dat Favre in Canisius een stilzwijgende weigering ontdekte om het geestelijk avontuur aan te gaan, ondanks de vroeg ontwikkelde heiligheid van laatstgenoemde: “Misschien stond de stevige Hollander op een niveau waardoor hij een absoluut risico vermeed.” Hoe het ook zij, Canisius gaf zich volledig over aan de Heer, en het resultaat van zijn keuze was dat hij intrad in de Sociëteit op 8 mei, zijn tweeëntwintigste verjaardag.

 De Oefeningen gezien door de ogen van de retraitant

 Hoe vaak Petrus Canisius tijdens zijn retraite zijn reflecties noteerde, is niet bekend. Slechts enkele fragmenten zijn bewaard gebleven, betreffende de Boodschap van de engel, de Hemelvaart, en de Beschouwing om tot liefde te komen. Het eerste fragment over de Boodschap van de engel is een tamelijk doorsnee theologisch loflied op Maria. Het tweede fragment over de Hemelvaart is een zeer onthullende en ontroerende beschrijving van wat Canisius ervoer tijdens zijn gebed. Het komt dicht bij de ervaring van innig gebed, die hij opdeed in de Sint-Pieter in Rome enkele uren voordat hij zijn laatste geloften aflegde in 1549, en bij de ervaring te Ancona in juni 1568, waar hij een visioen had over zijn relatie met God, die hij neerschreef in woorden die nauw aansluiten bij de mystieke teksten van Johann Tauler.

 “In de mis bij de franciscanen vermeerderde de zang van het koorgebed mijn devotie op een intense manier. Ik voelde me volledig getroost en huilde, en mijn hele lichaam schudde en mijn geest brandde tijdens de meditatie over Christus die ten hemel opsteeg, vooral omdat Hij er door de engelen met zo’n gelukkige uitbundigheid werd ontvangen. Dit beïnvloedde niet alleen mijn blik, maar ook mijn gehoor en geur. Oh, met elk een gejuich feliciteerden zij Hem, met welke tekenen van vreugde waren zij blij met Hem! Ik maakte me er zorgen over dat de impulsen en sterke emoties van het lichaam zuiver natuurlijk zijn.”

 Het derde fragment van Canisius’ retraite-aantekeningen heeft betrekking op de Beschouwing om tot liefde te komen. Allereerst noteerde hij de onderdelen van deze oefening: “Het gewoonlijke voorbereidingsgebed. Eerste inleiding: Sta in Gods tegenwoordigheid. Doel: Bemin God. Eerste punt: Weldaden van de schepping. Tweede punt: Weldaad van de verlossing. Bijzondere weldaden. Weldaden van verheerlijking.” Deze punten worden gevolgd door een beschrijving van de kenmerken in de samenspraak: “[Aan de] Vader, wiens kracht schijnt in dit alles. Aan de Zoon, wiens wijsheid schittert in alles. Aan de heilige Geest, aan wie de goedheid wordt toegeschreven, die straalt in alles.” Het is de grote finale van een lang proces, in simpele woorden gevangen. Zij vinden hun parallel in Favres notitie in zijn geestelijke autobiografie:

 “Oh, moge de tijd spoedig komen waarin ik geen schepsel beschouw en liefheb zonder God en, liever, God beschouw en liefheb in alle dingen of tenminste hem vrees! Dat zou me opheffen tot de kennis van God in zichzelf en, tenslotte, alle dingen in hem, zodat Hij voor mij voor eeuwig alles in allen zou zijn. Om deze trappen te beklimmen, moet ik ernaar streven Christus te vinden, die is de weg, de waarheid en het leven, allereerst in het centrum van mijn hart en daaronder, dat wil zeggen, binnen in mij, vervolgens boven mij, door middel van mijn geest, en buiten mij, door middel van mijn zintuigen. Ik moet om kracht vragen bij de Vader om dit te doen, want Hij wordt op een bepaalde manier ‘boven’ genoemd; bij de Zoon om wijsheid, die omwille van zijn menselijkheid op een bepaalde manier ‘buiten’ wordt genoemd; en bij de heilige Geest om goedheid, die op een bepaalde manier ‘beneden’ genoemd kan worden, dat wil zeggen, binnen in ons. Anders kan ons binnenste niet opengelegd worden, zodat God innerlijk gezien kan worden door een gezuiverd hart. Ook kan ons bovenste deel niet verheven worden tot de onzichtbare geheimen van God, die boven alle dingen zijn. En anders kunnen onze ledematen zich niet versterven om hem te ervaren, die buiten alle dingen is en die door alle dingen beweegt.”

 Vijf dagen later sprak Petrus Canisius zijn religieuze geloften uit, “met enthousiasme”, zoals hij schreef in zijn Geestelijk Testament. En in zijn Belijdenissen vertrouwde hij aan Jezus toe: “Op die dag liet mijn tweede vader, uw dienaar Pierre Favre, in wie velen uw naam verheerlijken, mij herboren worden voor U in Mainz, dankzij zijn bijzondere zorg en heilige ijver, om mij als een nieuw lid en als eersteling van het Germaanse ras te hechten aan die Sociëteit, die U hebt getooid met uw meest heilige naam.”

 Terugblik op de retraite door deelnemers en toeschouwers

 Op 8 mei 1543, de dag van zijn geloften als novice, schreef Petrus Canisius aan een onbekende vriend in Keulen:

 “Gunstig, in elke betekenis van het woord, was de wind die mij naar Mainz bracht. Tot mijn groot voordeel vond ik de man die ik zocht – als hij een man is en niet een engel van God. Ik heb nooit een meer geleerd en diepgaand theoloog ontmoet, of een man van zo’n hoogstaande en unieke heiligheid. Zijn enige verlangen is om met Christus mee te werken in de redding van zielen. In openbare of privé gesprekken en aan tafel ademt elk woord van hem van God en van devotie voor God, en zonder de aanwezigen daarmee te ergeren of te vervelen. Hij is hier zo hoog geacht dat een aantal religieuzen, bisschoppen en theologen hem als geestelijk leidsman hebben gekozen. […] Wat mij betreft, ik kan niet zeggen hoe volledig die Geestelijke Oefeningen mijn ziel en mijn opvattingen hebben veranderd, en mijn geest hebben verlicht door nieuwe stralen van genade uit de hemel, en mijn wil opnieuw hebben gesterkt. Zelfs mijn lichaam heeft er baat bij gevonden, de ontvangen goddelijke genaden zijn erin overgevloeid, zodat ik mijzelf gesterkt voel en als het ware omgevormd tot een ander mens.”

 De kartuizer Gerard Kalkbrenner in Keulen, die gehoord moet hebben over de Oefeningen van Canisius, schreef aan de prior van de kartuize in Trier op 31 mei 1543:

 “Meester Pierre Favre is een man van grote heiligheid. Hij geeft bepaalde opzienbarende Oefeningen aan mensen van goede wil die bij hem komen voor geestelijke leiding. Na een aantal dagen, waarin zij deze Oefeningen doen, komen zij tot een ware kennis van zichzelf en hun zonden, en ontvangen zij de genade van spijt en volledige bekering van hart; terwijl zij zich van de geschapen dingen wenden tot God, maken zij voortgang in deugd en bereiken zij innige vriendschap en vereniging met God. Oh, ik wilde dat ik een excuus had om naar Mainz te gaan! Het zou voor iedereen beslist de moeite waard zijn om zelfs naar Indië toe gaan om zo’n schat te zoeken. God geve mij dat ik voor mijn dood deze man, zijn bijzondere vriend, mag zien, zodat deze mij ertoe kan brengen mijn geest te hervormen in vereniging met de wil van God, wat het doel van onze roeping is.”

 Het beeld van de schat, ontleend aan een van de parabels van Jezus, werd ook gebruikt door Petrus Canisius, toen hij aan het eind van zijn leven aan zijn medebroeder en stadgenoot Jan Buys over zijn herinneringen aan Pierre Favre schreef: “In Mainz heb ik gezocht naar een verborgen schat en die er gevonden.”

De stiefmoeder van Petrus Canisius, Wendel Kanis-van den Bergh, was allerminst ingenomen met de weg die hij was ingeslagen en klaagde er bitter over. Zij beschuldigde Favre als een “vreemde zwerver” die Peter had verleid om afstand te doen van zijn bezit met als enige doel om het zelf in handen te krijgen. Vanuit Keulen schreef Favre haar begin februari 1544:

 “U klaagt erover dat meester Petrus Canisius, tot nu toe een zeer liefhebbende zoon voor u, nu zijn houding volledig heeft veranderd, en u beschouwt mij als de enig verantwoordelijke hiervoor. Het absolute tegendeel is het geval, want ik weet dat deze uitmuntende jongeman met mij verbonden is door de innigste banden van genegenheid en streven, zodat wij als het ware bijna één van wil zijn. En ik kan slechts van harte verlangen en wensen dat alle goeds zijn deel mag worden. […]

Maar waarom dan, zult u zeggen, hebt u meester Peter weggenomen, wanneer u toch moet weten hoezeer hij ons heeft geholpen, geadviseerd en getroost? Mijn antwoord, lieve mevrouw, is om op mijn beurt u een vraag te stellen. Wat zou u als christen doen indien u aan de ene kant Jezus Christus zou zien, die ernaar verlangt om te genieten van Peters geestelijke en intellectuele vooruitgang, en aan de andere kant zijn verwanten en vrienden, die tegen elke prijs zijn gezelschap verlangen te midden van de onzekere en voorbijgaande geneugten van de wereld? Als u deze test gegrond vindt, dan zou ik absoluut niet anders wensen dan hem te helpen bij zijn voornemen. […]

Wat betreft de geruchten die over mij de ronde doen: die zijn volgens mij te onbeduidend en verachtelijk om er geloof aan te hechten, in elk geval door mensen zoals u, die God vrezen en geen kwaad spreken van hun naaste. Men zegt dat ik een onbekende vreemdeling ben. Die aanklacht beken ik. Ja, ik ben een buitenlander, een vreemdeling op aarde, en dat zijn al mijn gezellen, niet alleen in dit land maar over heel de wereld. En een vreemdeling zal ik blijven tot mijn dood, waar God mijn schreden ook zal leiden, want al wat ik verlang is om dienaar te worden in het huis van God en een medeburger van de heiligen.”

 Vervolg van het verhaal

 Na zijn Oefeningen keerde Petrus Canisius naar Keulen terug als jezuïet-novice, ofschoon er geen harde feiten over de concrete invulling van zijn noviciaatsleven bekend zijn. Het schijnt dat Peter pas in 1549 te Rome zijn noviciaat deed, in combinatie met zijn tertiaat. De eerste taak die in Keulen op Peter wachtte was de voltooiing van zijn kritische editie van de Preken van de dominicaan Johann Tauler, een middeleeuwse mysticus, die in Keulen gepreekt had. Canisius droeg de uitgave op aan Jørgen Skodborg, de aartsbisschop van Lund in Zweden, die in ballingschap te Keulen aldaar in 1522 ingetreden was bij de franciscanen en die een bezoek gebracht had aan Peters geboorteplaats Nijmegen in 1538. Het was een mooie manier om de ingetogen sfeer van de retraite voort te zetten. In zijn voorwoord tot de editie – het allereerste boek ooit door een jezuïet uitgegeven – schreef Petrus Canisius op 3 juni 1543:

 “Onder de goede boeken, die ons rijkelijk het woord van God meedelen om onze ziel in dit tranendal te voeden, heb ik de preken van de verlichte Johann Tauler altijd zeer nuttig gevonden. Het is een kostbaar boek, dat ons met heldere woorden en op betrouwbare wijze de beste en kortste weg onthult en wijst naar onze oorsprong, die God is. […] De betekenis van zijn leer komt hierop neer, dat wij door de genade van God onze grond innerlijk moeten waarnemen, aan alle zonden en gebreken afsterven, alle lust en liefde voor aardse schepselen in ons doden, onze eigen wil in Gods liefste wil laten overgaan, verlaten en verloochenen, Christus door alle deugden navolgen, en één geest met God worden. […] Dan zal hij hier een schat vinden, die God aan de kleinen openbaart, maar voor de grote wereldwijzen verbergt.”

 Zo klinkt de volhardende taal van een gloednieuwe novice in combinatie met de taal van een authentieke mysticus.

Na afloop van de Geestelijke Oefeningen bleven Pierre Favre en Petrus Canisius elkaar brieven schrijven tot enkele weken voor de dood van Favre in Rome, 1 augustus 1546. Op basis van de negentien brieven die bekend zijn kan men concluderen, dat deze twee mannen heel belangrijk voor elkaar geweest zijn, vrienden in de Heer. Dit wordt duidelijk uit de brief die Canisius aan Ignatius schreef, nadat hij van de dood van Favre gehoord had:

“De dood van mijn vader, meester Favre, is op zichzelf geen reden tot verdriet. Toch moet ik bekennen dat het mij veel pijn doet, zelfs zo diep dat het verdriet van mijn ziel mij er haast toe brengt mijn gevoelens van smart uit te schreeuwen. Ik smeek u om mij met behulp van uw gebed te helpen in mijn zwakheid, evenzeer als hij, naar ik hoop, zijn vrienden in Duitsland nooit zal vergeten, die hij altijd zeer verlangde te zien.”

 Toen algemeen overste Éverard Mercurian dertig jaar na Favres overlijden om suggesties vroeg ter verbetering van de biografie van Ignatius door Pedro de Ribadeneyra, was Petrus Canisius in de gelegenheid om gedetailleerde informatie te geven over Favres werk in Duitsland, zijn voordrachten in Mainz, zijn preken in Keulen, zijn liefde voor de kapel van Sint-Ursula, en zijn verbazingwekkende inzet in zijn gebed voor het Duitse volk.

Dank zij de ervaring van de Geestelijke Oefeningen onder leiding van Pierre Favre werd Petrus Canisius, samen met Jerónimo Nadal, de drijvende kracht in de retraitebeweging in de zestiende eeuw, vooral onder leken.

In zijn geschiedenis van de jonge jezuïetenorde vatte Juan de Polanco, secretaris van Ignatius van Loyola, de ontmoeting tussen Pierre en Peter te Mainz in de lente van 1543 kernachtig samen als volgt: “De belangrijkste overwinning van Favre in Duitsland was zonder twijfel dat hij Canisius won voor de Sociëteit.”

uit het Engels vertaald door de auteur

Print Friendly, PDF & Email