Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Geestelijke Oefeningen - Geschiedenis / BOEK: Geestelijke Onderscheiding bij Ignatius, Mark Rotsaert S.J.

BOEK: Geestelijke Onderscheiding bij Ignatius, Mark Rotsaert S.J.

Redactie Cardoner on 01/11/2012 - 11:22 am in Geestelijke Oefeningen - Geschiedenis, Jezuïeten - Geschiedenis van de Orde

Het concept van het boek.  

Eerst twee opmerkingen over de titel: Geestelijke onderscheiding bij Ignatius van Loyola. Vertaald en toegelicht door Mark Rotsaert S.J.   Vooreerst, Mark Rotsaert noemt zichzelf niet de auteur, maar vertaalt in elk hoofdstuk één of enkele teksten van Ignatius over het thema van de geestelijke onderscheiding en licht die toe. Je leest dus Ignatius, en je krijgt daarbij telkens een interessante inleiding en toelichtingen – die naar mijn smaak soms zelfs wat uitvoeriger mochten zijn. En vervolgens: het boek gaat niet (alleen) over “onderscheiding van geesten”, maar over “geestelijke onderscheiding”. Je leert er Ignatius kennen als iemand die een methode aanreikt om Gods wil te zoeken en te vinden, maar ook als iemand die deze methode (be-)leeft in zijn omgang met God en mensen. Vooral in dat laatste opzicht verrijkt dit boek de lezer, als die al enigszins vertrouwd is met de methode zelf.

Naar de vorm ligt een mooi boek voor, bekroond  met de Prijs van het religieuze boek 2012,  waarbij weliswaar een kleine kanttekening richting uitgever hoort over de leesbaarheid. De teksten van Rotsaert zijn goed leesbaar, in de fragmenten van Ignatius wordt de letter erg klein en fijn, bij zijn brieven (aan Teresa Rejadell, aan de koning van Portugal) en in de eindnoten vond ik de lettertjes te klein.

De inhoud.

Het boek is chronologisch opgebouwd. Hoofdstuk I over het Verhaal van de Pelgrim laat zien hoe Ignatius zelf leerde onderscheiden; in hoofdstuk II volgt de neerslag daarvan in de Geestelijke Oefeningen. Tot hier krijg je wat je verwacht: van de prille ervaring in Loyola tot de regels voor geestelijke onderscheiding in de eerste en tweede week van de Oefeningen. Mark Rotsaert kan hier putten uit de geannoteerde vertalingen die hij eerder van beide documenten publiceerde.

Daarna wordt het boek wellicht voor de meeste lezers nieuwer. De ervaring en de methode zijn geschetst, nu volgen verschillende toepassingen. De brief aan Teresa Rejadell (hoofdstuk III) vertaalt een onderscheidende houding in levenswijsheid in de geestelijke begeleiding. Rotsaert toont die omzetting door stukjes uit de brief naast fragmenten uit de Oefeningen te plaatsen. Echt mooi is de gemeenschappelijke geestelijke onderscheiding in Rome (hoofdstuk IV) die tot de stichting van de Sociëteit leidde. Ik citeer graag een veelzeggend zinnetje uit dit hoofdstuk : “Ook de apostelen zelf – de prinsen en steunpilaren van de heilige Kerk – maar ook andere uiterst volmaakte mannen, met wie wij ons niet durven te vergelijken – zelfs niet van verre – verschilden van mening en hadden soms tegengestelde opvattingen, die ons schriftelijk zijn doorgegeven” (blz. 59).

Het vijfde hoofdstuk, het langste en centraal in het boek, gaat over twee hoofdstukken uit de Constituties: over de aanneming en wegzending van kandidaten. Rotsaert verklaart zelf waarom: “Ten eerste vormt de tekst literair een mooi en afgerond geheel; ten tweede is het een prachtige les in onderscheiding” (blz. 12). Het daaropvolgende hoofdstuk VI over het Geestelijk Dagboek geeft een inkijk in de enige besproken tekst die nooit bedoeld was voor publicatie. Hij bevat Ignatius’ aantekeningen over zijn onderscheiding of de Sociëteit eigen inkomsten mocht hebben. Men ziet er op verrassende wijze Ignatius enigszins herontdekken wat reeds de crisis die hij doormaakte in Manresa hem leerde: je kunt op geen enkele manier druk uitoefenen op God, ook niet om een antwoord te bekomen. Hoofdstuk VII over de richtlijnen “voor een juist aanvoelen in de kerk”, zoals Rotsaert vertaalt, situeert de betreffende richtlijnen uit de Geestelijke Oefeningen ruimer in Ignatius’ omgang met de inquisitie, de processen die hem werden aangedaan, de kerk die hij in Rome aantrof en “die ziek is van hoog tot laag” (blz. 143). Toch gaat in déze kerk de incarnatie verder (p. 153). En kende u de volledige uitspraak van Erasmus: “Wat zwart is, is niet wit, ook al zou de paus van Rome het zo vastleggen, wat hij, ik weet het, nooit zal doen” (blz. 155)?

In het slothoofdstuk VIII ontvouwt Rotsaert vanuit verschillende documenten twee sleutelbegrippen die een licht werpen op geestelijke onderscheiding: de discreta caritas en de slotformule van vele brieven over “Gods wil onderkennen en volbrengen”. Het “Woord ter afronding” past het ignatiaanse principe van de repetitie toe op de lectuur van het boek en schetst nog eens de rode draad ervan: een soort boekbespreking door de samensteller zelf. Maar vertroostend is ook het daaropvolgende “Woord ter bemoediging”. Na de lectuur zou je de indruk kunnen hebben dat geestelijke onderscheiding wel een buitengewoon middel is om met God om te gaan. Rotsaert situeert ze echter in de “gewone” geloofsgroei: “Geestelijke onderscheiding is geen toets die wij naar believen kunnen indrukken. (…) Het is iets wat in ons stilaan groeit, samen met de groei van ons geloof in de levende Heer” (blz. 175).

 Enkele beschouwingen naar aanleiding van de lectuur.

Ik geef tot slot een paar overwegingen weer naar aanleiding van de lectuur van dit boek. Door de aangereikte teksten heen maak je immers ook kennis met allerlei inhouden waarover de geestelijke onderscheiding gaat, en dat maakt het boek ook boeiend. Ik kies er drie, het zouden er meer kunnen zijn.

Vooreerst verraste mij de formulering van een liturgische keuze bij de beraadslaging van de eerste gezellen in Rome, om “instrumenten noch gezangen in onze eucharistievieringen of andere gebedsdiensten” te gebruiken. De gezellen zijn zich nochtans bewust: “Het zijn lofwaardige middelen die bij sommige priesters en religieuzen de eredienst kleur geven. Ze zijn er om de mensen te raken en te bezielen, al naargelang het soort vieringen en hymnen.” Toch vervolgt de tekst: “De ervaring leert dat ze bij ons een niet geringe hinder zijn, net omwille van het specifieke van onze roeping: wij moeten dikwijls naast talrijke andere noodzakelijke diensten een groot deel van de dag en zelfs van de nacht doorbrengen met het troosten van zieken naar ziel en lichaam” (blz. 71). Ik schrok, en schrik nog steeds, even van de stelligheid in de formulering van deze keuze, waarbij ik ook enkele twijfels heb… Toch lijkt dit mij geen keuze tegen een mooie en verzorgde liturgie, al was het maar omdat zulke liturgie in haar permanente initiërende kracht, vandaag wellicht meer dan in de zestiende eeuw, zelf medicijn voor de ziel is.

Een tweede beschouwing, bij Ignatius’ wedervaren met ambitie in Rome, dat hem ertoe bracht te “verbieden dat jezuïeten bisschop of kardinaal worden” (blz. 143). Uit de toegevoegde noot blijkt dat dit verbod niet absoluut is. Ik las deze tekst uitgerekend op de dag waarop kardinaal Martini S.J. overleed, en dan roept dit verbod wel vragen op: Martini is als bisschop en kardinaal een heel groot geschenk geweest aan de kerk – al wil ik dit geenszins afwegen tegen de vruchtbaarheid die zijn leven als jezuïet zou hebben gekend indien hij geen bisschop was geworden. Bovendien is de theologie van het bisschopsambt door het Tweede Vaticaans Concilie danig geëvolueerd, zodat je positief zou kunnen duiden dat een voor het leven verkozen algemene overste van dergelijke orde de volheid ontvangt van het ambt van Christusrepresentatie (en niet van macht…). Zeker lijkt mij de kern van de zaak, reeds bij Ignatius: dat niemand een dergelijk ambt mag ambiëren.

Ik besluit met een algemenere beschouwing, een uitdaging voor de auteur Mark Rotsaert: ja, een hoofdstuk dat ik graag had toegevoegd gezien aan dit mooie boek. Er is vandaag grote nood aan een verstandige omgang met de Heilige Geest (en de goede engel – de verhouding tussen beiden is een thema op zich). In het leven van vele gelovigen is de Geest vrij afwezig, in sommige charismatische vormen van geloofsbeleving lijkt Hij wel erg gemakkelijk bereikbaar en grijpbaar. Hetzelfde kan worden gezegd van de kwade engel, de vijand, de boze. Vele gelovigen ontkennen zijn bestaan, situeren alle kwaad om en rond het zelf van de persoon en erkennen geen uitnodiging ertoe door een geschapen alteriteit. Anderen zoeken de duivel overal, en dan vooral buiten het “normale”, met het gevaar in een dualistische concurrentie tussen God en de duivel te verzeilen. Zou Mark Rotsaert – met zijn ervaring in het geestelijk begeleiden en zijn kennis van de spirituele traditie – eens iets meer kunnen schrijven over de vraag hoe wij ons de goede en de kwade engel die we onderscheiden, kunnen voorstellen? Over hun relatie tot God, de Heilige Geest en de zichtbare schepselen, met wie ze zo vaak worden verward? Ik zou alvast erg benieuwd zijn naar een dergelijk hoofdstuk.

    Stijn Van den Bossche

Geestelijke onderscheiding bij Ignatius van Loyola. Vertaald en toegelicht door Mark Rotsaert S.J.
(Bronnen van spiritualiteit), Averbode, Altiora, 2012, 179 blz.,  bekroond  met de Prijs van het religieuze boek 2012.

 

 

Print Friendly, PDF & Email