Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Geestelijke Oefeningen - Begeleiden / Vrouwen met wijd open ogen.

Vrouwen met wijd open ogen.

Redactie Cardoner on 03/02/2011 - 5:55 pm in Geestelijke Oefeningen - Begeleiden

door Mariola López Villanueva R.S.C.J.

 

Hoe zou het zijn als men zich concentreerde op vrouwen bij het kiezen van Bijbelteksten bij het geven van de Oefeningen? Nu worden mensen vaak tot contemplatie uitgenodigd aan de hand van verhalen over mannen: Zacheüs, Petrus, Johannes, Abraham, Mozes, Jeremia. De auteur probeert de vrouwelijke dimensie tot leven te brengen die wij allen – mannen zowel als vrouwen – in ons dragen. Zij is religieuze van het Heilig Hart, doceert Bijbel op de Canarische Eilanden en geeft retraites. De oorspronkelijke titel van dit artikel, Mujeres de ojos grandes, werd ontleend aan een roman van de Mexicaanse schrijfster Ángeles Mastretta.

Tijdens een retraite die ik leidde, kreeg ik de vraag een artikel te schrijven over vrouwen en de Geestelijke Oefeningen. Tot mijn verrassing viel dat onderwerp samen met datgene waarmee ik bezig was: gebruik maken van evangelieteksten over vrouwen om de Geestelijke Oefeningen te geven. Het is dus dankzij mijn eigen ervaring en niet op grond van het “vele weten” over de Geestelijke Oefeningen – ik ben mij bewust dat mijn kennis heel beperkt is – dat ik zo vermetel ben om dit onderwerp aan te snijden. Ik zal trachten van binnenuit iets te “voelen en te smaken” van de ignatiaanse rijkdom die aanwezig is in de nieuwe middelen die vandaag ter beschikking staan.

Men kan zich afvragen waarom ik besliste teksten te kiezen over vrouwelijke figuren. In het begin volgde ik bij het geven van de Oefeningen aan vrouwen – meestal religieuzen – op de voet de taal en de teksten van Ignatius. Ik gaf min of meer door wat ik zelf had ontvangen. Later probeerde ik de Oefeningen te enten op het evangelie volgens Johannes. Ten slotte probeerde ik ze voor te bereiden door in te gaan op de drang die ik voelde om op een diepere manier in contact te komen met de ervaringen van vrouwen. Moest ik echt nog een jaar besteden aan pogingen mij te identificeren met Zacheüs, of de farizeeër in de parabel, of met de verloren zoon en zijn broer, of met Petrus? Ik voelde mij immers dichter bij de vrouw die leed aan bloedvloeiing, of bij haar die kromgebogen was, of bij Maria van Betanië of Maria Magdalena. Waarom moesten gedurende eeuwen van spiritualiteit veel vrouwen worstelen om hun trots te overwinnen, terwijl wat ze echt nodig hadden was hun bedeesdheid te overwinnen om hun eigen rol te kunnen spelen?

Als wij Bijbelse teksten dienen te kiezen voor contemplatie, lijkt me gender heel belangrijk. Vroeger maakte men vooral gebruik van teksten die naar mannen of mannelijke bestaansvormen verwezen. Verhalen over vrouwen waren minder bekend. Nochtans is een intieme kennis van de tekst nodig als wij een toegangspoort willen vinden waarlangs de Geest kan binnensluipen en ons bereiken. Ik begon de behoefte te voelen om dieper in te gaan op verhalen over Jezus’ ontmoetingen met vrouwen, om te begrijpen hoe de vrouwen werden omgevormd, en stil te staan bij de verwevenheid van hun fysieke aanwezigheid met de levende werkelijkheid van Jezus. Vervolgens diende ik mij af te vragen hoe wij ons konden instellen opdat de verwevenheid met zijn leven voortgezet kon worden in ons. Op die manier kregen de Geestelijke Oefeningen nieuwe dimensies, waarin affecties en relaties belangrijker werden en lichamelijke aspecten daarenboven meer geïntegreerd werden.

Terwijl ik dieper nadacht over de evangelieverhalen over vrouwen, werd ik getroffen door de ontdekking dat de zogenaamde vier “imperatieven” van een volwassen leven – de oproep tot  identiteit, intimiteit, het genereren van krachten en integriteit – aan het werk zijn in de loop van de Geestelijke Oefeningen. Ze bieden een pad aan naar een grotere diepte en rijpheid, en ik probeerde dat pad te volgen bij de vrouwen in de evangelies. De vraag naar innerlijke kennis (GO 63) was van het begin tot het einde een gids, en de evangelieteksten moesten de overhand hebben. Aldus koos ik voor elke dag de naam van een vrouw, overeenkomstig datgene wat men zocht. Ik doe hier een keuze uit die namen om de aanpak te illustreren. Ik verontschuldig me op voorhand dat ik schrijf alsof ik voor vrouwen spreek. In feite wil ik de vrouwelijk dimensie tot leven roepen – ontvankelijkheid, warmte en creativiteit – die wij allen, mannen zowel als vrouwen, in ons meedragen.

Er gaat een verhaal over een professor, een vrouwelijke leek, die ging werken tussen de leden van een autochtone stam in Brazilië. Eens sprak zij tot een groep en zei tegen een van de vrouwen: “Ik wil je iets leren.” De vrouw keek haar aan en zei: “Beter is het te zeggen dat wij samen iets moeten leren.” Zo hebben wij vrouwen veel te leren van de vrouwen die, samen met Petrus, Johannes en Matteüs, “Jezus gevolgd waren … en samen met hem waren meegereisd naar Jeruzalem” (Mc 15,41). Waarin bestond “de wijze van doen” (GO 119) die zij van Jezus leerden?

 Verraste vrouwen

De eerste dag – overeenkomstig het Uitgangspunt en fundament (GO 23) – kunnen we beginnen met twee vrouwen: Marta van Betanië en Maria van Nazaret. Beiden hebben een thuis. Wij beginnen de Geestelijke Oefeningen samen met Marta (Lc 10,38-42). Zoals zij dienen ook wij een thuis te hebben en te beseffen dat er in dat huis geleefd wordt. Betanië, “huis van de armen”, staat symbool voor een plek waar voedsel wordt gegeven, voedsel in de ruimste betekenis van dat woord: affectie, ontspanning, gevoel, zorg, aandacht, aanwezigheid en tederheid. Dit zijn kwaliteiten die wij bezitten en die vrouwelijke kenmerken van warmte en vriendschap oproepen. Wij kunnen ingaan op de uitnodiging het huis te betreden; we kunnen vertellen hoe wij er geraakten, hoe wij gestoord worden door lawaai en drukte, hoe ieder van ons in zijn of haar eigen huis woont en, wat het belangrijkste is, welke Gods droom is voor ieder van ons en welke naam Hij ons zou willen geven. Ik kan voelen hoe er van mijn huis wordt gehouden en de Gast erkennen die daarin discreet verblijft.

Betanië is voor Jezus een intieme en innemende plek. Hij is blij welkom te zijn in het huis van deze vrouwen, want hij verlangt naar gezelschap, gastvrijheid en contact. In de aanwezigheid van zijn vrienden in Betanië ruimt Jezus ongetwijfeld plaats in voor de vrouwelijke kant van het leven. Twee keer roept Jezus Marta, zoals Mozes werd geroepen bij het brandende braambos, omdat de plaats waar zij zich bevindt – haar eigen huis – heilig is en er daar een vuur is dat niet verteert. Jezus roept  haar en vraagt dat zij zich niet zou vereenzelvigen met haar functie of met haar taken, zodat zij dichter kan komen bij haar diepere zelf, vergelijkingen laat voor wat ze zijn en in plaats daarvan volledig Marta durft zijn.

Met Maria uit Nazaret ontdekken wij dat wij mensen zijn die geliefd zijn en liefde kunnen geven (Lc 1,26-38). Wij werden in het leven geroepen met het vermogen om te kiezen wat de liefde in ons vermeerdert en ons vrij maakt van alle andere dingen waarvan we slechts gebruik maken voor zover  (GO 23) ze ons helpen om dat doel te bereiken. Wij kunnen dichter komen bij het mysterie van ons eigen leven: Ibn Arabi zegt dat elke mens geboren in deze wereld een unieke en onvervangbare openbaring is van een van de verborgen namen van God.

Wij vrouwen dragen in ons eigen lichaam een ruimte die volstaat om het leven in ons te laten wonen. Dat is onze sleutel voor de meditatie over het Uitgangspunt en fundament. Sommigen van ons zijn geen echtgenote of moeder, maar ons lichaam kent de processen, de ritmes en de cycli van het leven. Onze lichamen staan open voor ontmoeting, dragen het tijdelijke stempel van het bloed en hebben het vermogen, innerlijk zowel als uiterlijk, nieuw leven te dragen, te laten geboren worden en te voeden. Wij kunnen terugkeren naar de Bron die ons de kracht geeft leven te boetseren, te dragen en te voeden.

“Ons lichaam, door de gratuite mogelijkheid bewoond te worden, bezit de wijsheid een verblijfplaats te zijn voor het leven, een wijsheid die ons van binnenuit, letterlijk vanuit onze ingewanden, verbindt met en betrekt op elke bewoonbare plaats: huis, kerk, land, wereld, universum.” (Georgina Zubiría)

Lofprijzing, dienst en eerbied groeien en worden hechter. Het hele lichaam wordt een kribbe en een plek die zich opent om genade te ontvangen.

 Vrouwen bezocht

Wij gaan door met het Uitgangspunt en fundament, omdat wij slechts vanuit de diepe ervaring liefde ontvangen te hebben ons huis op de rots kunnen bouwen en klaarmaken voor anderen. De bedoeling van deze dag is in voeling te komen met het domein van onze relaties en ons verlangen naar intimiteit.

Dankzij de vrouwen die voorkomen in de stamboom van Jezus, Tamar, Rachab, Ruth en Batseba (Mt 1,1-16), kunnen ook wij onze wortels  vinden. Dit is de geschikte tijd om de relaties die ons leven hebben gevormd te honoreren: onze ouders, broers, zussen en andere familieleden. Wij kunnen bij hen stilstaan en hun plaats in ons huis erkennen. De relaties die ons hebben gevormd zijn het netwerk dat God in staat stelt in ons te verblijven en ons aan onszelf te schenken. Jezus erkent zijn wortels en aanvaardt alles wat van zijn familiegeschiedenis komt. Hij integreert alles wat des mensen is met zijn wonden en mislukkingen, zijn vreugdes en zijn sterkte. Hij aanvaardt welwillend zijn stamboom. Jezus had ook pijnlijke en blije herinneringen aan zijn gezin; wij kunnen onze herinneringen laten aansluiten bij die van Hem.

Vervolgens nemen we deel aan de ontmoeting van Maria en Elisabet (Lc 1,39-45): wij blijven erbij stilstaan hoe die ontmoeting plaatsvond en zijn dankbaar voor het weefsel van relaties dat ons leven draagt. Dit is een uitgelezen tijd om biddend stil te staan bij die relaties, om inzicht te vragen in relaties die moeten gecultiveerd worden en relaties die verstoord zijn en om genezing vragen.

Wij spreken onze dankbaarheid uit voor de contacten die ons leven voeden; wij keren ons hart naar diegenen die ons op een uitzonderlijke manier geholpen hebben het water van de liefde in ons te proeven. Er is hier een oogst die we kunnen binnenhalen en opdragen, een rijke pluk aan kleine gebaren van liefde en affectie, van geduld en aandacht die ons werden geschonken.

Die twee vrouwen bevinden zich in een verschillende levensfase: Elisabet is al in de derde leeftijd, terwijl Maria amper de eerste heeft verlaten en aan het begin staat van de tweede. De ene is onvruchtbaar en oud, de andere jong en ongehuwd. Beiden dragen een leven dat hen overstijgt; beiden zijn zich bewust van het mysterie dat in hen aan het groeien is. Omdat zij in verwachting zijn, bevinden beiden zich buiten het conventionele, boven bepaalde sociale normen. Elisabet is te oud om zwanger te worden en Maria werd zwanger ofschoon ze nog niet gehuwd is. Als ze elkaar omhelzen, beleven beiden niet alleen gevoelens van vreugde, maar ook van verwarrende twijfels: “Wat gaat er gebeuren?” en “Hoe zullen we ons redden?”

Op dit ogenblik zoeken zij in hun situatie steun bij elkaar. Zij wisselen erkenning en bemoediging uit. Er wordt een band gesmeed, wederzijdse aanvaarding. Zij zien ervan af oordelen te vellen over wat volgens de maatschappij mag en niet mag. Zij weten wat het voor elk van hen betekent dat er iets nieuws groeit in hun lichaam. Maria is niet alleen gekomen om Elisabet te helpen, zij heeft er ook nood aan deze ervaren vrouw te horen zeggen: “Vooruit maar. Dit komt van God!” Zij heeft de bemoediging en de zegen van Elisabet nodig. Van haar kant heeft Elisabet het nodig God te danken voor de droom die beiden koesteren en waarmaken.

Deze vrouwen bieden ons een onschatbaar symbool, een verwijzing naar de nood die wij hebben de dialoog te voeren over de generaties en over alle aspecten van het leven heen, tussen verschillende culturen en spirituele tradities. Zo’n dialoog voert naar gemeenschap. Deze vrouwen kunnen ons inspireren dankbaar te zijn voor de vrouwelijke capaciteiten die wij allen, mannen en vrouwen, bezitten om vorm te geven aan het Mysterie, en in ons dat innerlijk leven aan te wakkeren waarvan wij de intrinsieke beminnelijkheid kunnen waarnemen. Ik meen dat dit bezoek ons kan herinneren aan wat de anima en de animus in ieder van ons kunnen bewerken. De anima kan tot leven geroepen worden en een speciale rol vervullen. Isabel Guerrero schreef daarover:

“Er is behoefte aan een meer vrouwelijk type van leiderschap. De wereld zal een betere plek worden als leiders zich meer op hun gemak voelen met het vrouwelijke in hen, dat altijd aandacht heeft voor de hele gemeenschap, dat merkt als iemand gesloten is, zich afvraagt of alle stemmen werden gehoord.”

Elisabet en Maria verwisselen van rol, om beurt is de een vroedvrouw voor de ander, terwijl ieder toch haar eigen vitale aanwezigheid behoudt. Zij zullen elkaar helpen hoopvol te blijven en door het proces van geboorte heen te gaan. Door het nieuwe leven dat zich in alle geheim vormt in hun schoot, inspireert de een de ander alsof ze in harmonie zingen, en brengen ze iets goddelijks aan het licht dat nog verborgen was. Beiden zullen ervaren wat verwachten is, en ook de geboortepijnen. Want een kind ter wereld brengen is een meervoudig gebeuren; het houdt samentrekking en ontspanning in, pijn en genot, bezitten en loslaten, droefenis en geluk, angst en vertrouwen. Het was voor mij een openbaring te zien hoe vroedvrouwen naar die verschillende fasen verwijzen en zo momenten en aspecten aanwijzen in ons leven en in onze relaties. Wij kunnen onszelf herkennen in die momenten.

De verschillende afbeeldingen van de visitatie over de eeuwen heen tonen ons twee vrouwen verbonden en verenigd in een omhelzing en een kus, in een en dezelfde vreugde. Elisabet en Maria roepen het beste in elkaar wakker. Hun doorleefde ervaring is er een van dankbaarheid en bevrijding. Zij ontmoeten elkaar op het niveau van de ziel, in het diepste in elk van hen. Zij helpen ons onszelf te bevragen: “Wat voor relatie wens ik? Komt deze wens uit mijn ego of uit mijn ziel?” Er zijn inderdaad relaties die ons meer dan andere “dichter brengen bij het doel waarvoor wij geschapen zijn”(GO 23).

 Genezen vrouwen

Welke verhalen over vrouwen zijn meer geschikt voor de eerste Week, in die zin dat ze ons helpen ons te bezinnen over de gevolgen van het kwaad in ons leven en in de geschiedenis, opdat “ik een innerlijke kennis mag voelen van mijn zonden en ze verafschuwen” (GO 63)? Welke verhalen helpen ons de genade te ontvangen geraakt te worden door het lijden in de wereld? Dit is de tijd waarin wij onze blindheid erkennen en onze onhandigheid om de liefde die wij zijn, door ons heen te laten stromen. Het is de tijd waarin we spijt voelen om de schade die wij aanrichten – institutioneel, sociaal, psychologisch en emotioneel – en van aangezicht tot aangezicht komen te staan tegenover Gods verlangen ons te bevrijden, ons te genezen, ons te verzoenen. Dit is de tijd om Gods grote erbarmen als nooit tevoren te ervaren.

In het verhaal van de Samaritaanse vrouw voert Jezus ons respectvol en fijngevoelig tot de erkenning van onze gebrokenheid, onze wonden en onze verdeeldheid. Wij kunnen nu alles zien wat de kanalen van onze openheid voor anderen verstopt, en ook het grote verlangen van de Heer de weg te ontsluiten en ons naar de bron van zijn barmhartigheid te voeren.

Twee andere vrouwen kunnen ons helpen: de vrouw met de bloedvloeiing (Mc 5,25-34) en de vrouw die kromgebogen was (Lc 13, 10-17). In hun gezelschap, en samen met zovelen die wij hebben gekend – sommigen anoniem, maar anderen met namen en gezichten die wij ons herinneren – laten wij ons raken en vrijmaken door Jezus. Het was vanwege hun handicaps dat ze binnengevoerd werden in de kern van Gods liefde. Die toegangswegen maakten het mogelijk dat ze zich welkom voelden en bemind.

Voor beide hierboven vermelde vrouwen was het leven gestagneerd. De vrouw met de bloedvloeiing was haar leven aan het verliezen: zij verspilde het en had geen levenskracht meer; zij voelde zich afgesneden van de anderen. De vrouw die kromgebogen was kon niet vooruitzien, geen wederkerige relatie aangaan; achttien jaar lang moest ze een gewicht torsen dat te zwaar was voor haar (schuld, schaamte, wrok?). Was er een innerlijke afkeer voor iets in hun leven dat geen van beiden kon aanvaarden? Het kromgebogen vrouwelijke lichaam was op  zich al een symbool en Jezus kon er de betekenis van lezen. Om haar te helpen negeerde hij het taboe van de sabbat en de vrouw stemde ermee in het risicovolle pad te volgen dat Jezus voor haar opende.

Beide vrouwen laten door uitwendige tekenen zien dat ze als vrouwen gemarginaliseerd zijn, vooral dan de vrouw met de bloedvloeiing. Haar bloed, dat de gave van een mogelijke vruchtbaarheid had moeten zijn, is een kwaal geworden en een reden om door velen verworpen te worden. Zij is afgesneden van gewone menselijke relaties en weet zichzelf door sociale druk veroordeeld tot isolement. Beide vrouwen weten wat er in het mensenhart schuilgaat, ze kennen zijn complexen en bedriegerijen, zijn duistere hoeken en de destructieve kracht van de uitsluiting. Toch zullen beiden de genezende kracht van Gods aanraking ervaren door contact met Jezus. Het hart kan hersteld worden, beenderen gerecht en relaties vernieuwd. Met Jezus raken zij aan en laten zij zich raken en voelen ze hoe genezing en vrede tot hen komen. “Wie heeft mijn kleren aangeraakt?” (Mc 5,30), vraagt Jezus. Misschien kunnen ook wij slechts leven dankzij die aanraking.

De vrouw met de bloedvloeiing is de enige persoon in de evangelies die door Jezus “dochter” wordt genoemd. Omdat zij verstoken was van elke relatie, schiep Jezus met haar de sterkste band die Hij ooit smeedde: Hij noemt haar “dochter”, zoals de Vader Hem noemde bij het doopsel. Jezus doopt deze vrouw. Voor Jezus is dit een geboortemoment: hij kan moeder zijn voor anderen.

Welke genezende krachten bezitten onze handen niet als zij de vorm aannemen van Jezus’ handen! Ook onze handen kunnen dan met goedheid aanraken, zalven, kussen en zegenen.  Dat is ongetwijfeld een heel kostbaar bezit voor mannen zowel als voor vrouwen – ofschoon wij vrouwen het wellicht gemakkelijker hebben om warmte te creëren en contacten te leggen. Maar mannen mogen niet achterop lopen wat onze gezamenlijke behoefte betreft een theologie te ontwerpen van tederheid: “met woorden, met handen die kunnen strelen, met kussen en gedeelde maaltijden …” (Heinrich Böll).

Het is goed voor ons aan deze dimensie te werken: “Betasten met de tastzin … omarmen en kussen” (GO 125). Jezus aanraken en door hem aangeraakt worden zoals in die verhalen over vrouwen, is een ervaring die heel genezend kan zijn. Het maakt het mogelijk dat onze handen aanraken zonder te kwetsen, en zonder te grijpen. Het kan haast niet of we herinneren ons hier de vrouw die alle conventies doorbreekt en onverwacht Jezus zalft. “Heb je die vrouw gezien?” vraagt Jezus aan Simon (Lc 7,44), alsof Hij wil zeggen: “Heb je gezien hoe zij haar liefde voor mij uitstortte, haar ontzaglijke liefde?”

 Gezonden vrouwen

Ignatius had deze grote intuïtie: wij worden vergeven om gezonden te worden. En dus kunnen wij vol dankbaarheid de tweede Week ingaan. Vergeving neemt de vorm aan van zending. Wij werden vrij gemaakt om anderen vrij te maken. Onze gevoelens zijn die van een vrouw die opgericht werd. Jezus heeft haar benaderd, zijn hand uitgestoken naar haar kwetsbaarheid en haar opgericht. Haar enige verlangen is nu Hem te dienen, niet als een verplichting en ook niet om er iets bij te winnen, maar uit louter dankbaarheid. Er is niets anders dat wij kunnen doen. Onze blik moet nu gericht zijn niet op onszelf, maar op Hem.

Wij kijken naar Jezus door de ogen van de Syrofenicische vrouw(Mc 7,24-30). Als we ons willen identificeren met Jezus denken wij gewoonlijk in termen van geven: Hij geeft zijn tijd, zijn affectie, zijn genezende aanwezigheid, Hij geeft raad, spreekt bemoedigende woorden of klaagt onrechtvaardigheden en misbruiken aan. Dat was een heel belangrijk aspect van zijn leven. Maar wij gaan Hem ook bekijken als ontvangend, in de wederzijdse uitwisseling met sommige vrouwen van kennis en gaven. Deze heidense vrouw met haar uitzonderlijke waardigheid en nederigheid zal in het engagement van Jezus nieuwe, vruchtbare dimensies openen. Jezus hielp hier niet alleen een vrouw in nood en haar dochter, maar hij kende ook de vreugde van het ontvangen van een gave die zij Hem in hun armoede schonken. Die vreemdelinge en heiden (wie had het kunnen denken?) leerde Jezus zich meer en meer te openen voor Gods nieuwheid en voor het mysterie van de anderen. Zij zette voor Hem de inclusiviteit op een kier, die geleidelijk meer en meer zou opengaan.

De roep tot vruchtbaarheid is niet zomaar een persoonlijke zaak. Ik werd samen met anderen, mannen en vrouwen, geroepen de Heer te volgen en te dienen. Hoe kan ik die roep grondig verwelkom, met mijn hele lichaam, mijn psychologie, mijn temperament en affecties? Jezus wil het brandpunt van mijn leven zijn en de drijvende kracht naar het Koninkrijk. Hij wenst mij te zalven met dezelfde Geest die Hij ontving (Lc 4,16-21). Ik moet Hem toelaten die Geest over mij uit te storten: over mijn voeten, zodat ik uitga naar hen die buiten staan of veraf zijn; over mijn handen,zodat ik zegenend hen kan aanraken die nooit aangeraakt werden; over mijn ogen, zodat ik kan zien dat er in het hart van de werkelijkheid goedheid is en barmhartigheid; over mijn mond, zodat ik woorden mag spreken die genezen en oprichten; over mijn oren,zodat ik de schreeuw in anderen kan horen; over mijn hart, gewond en geopend, zodat de stroom van zijn liefde erdoorheen kan vloeien.

“Neem, Heer, en aanvaard heel mijn vrijheid, mijn geheugen, mijn verstand en heel mijn wil, mijn affecties, mijn seksualiteit, mijn zwakheden … Alles is van U, beschik erover …” (vgl. GO 234).

 Toegewijde vrouwen

Vervolgens komt de meditatie over de Oproep van de aardse koning: “Vragen niet doof te zijn voor zijn oproep, maar bereid en vol ijver om zijn allerheiligste wil te volbrengen” (GO 91). Jezus toont ons wat de gave van vrijgevigheid is via een vrouw, de arme weduwe (Mc 12,40-44), zij die in de offerkist “alles wierp waarvan zij leven moest”. Naar iemand kijken zoals Jezus kijkt is een soort opvoeding, het laat ons achter met wijd open ogen. Wat de vrouw doet wordt niet door iedereen gezien, maar Jezus ziet het en prijst haar. Deze naamloze vrouw beoefent echt mededogen door haar ontbering en armoede. Zij leert ons de dingen niet te bezitten, ons niet vast te klampen aan ons werk, of aan mensen, of aan wat we vroeger ooit gedaan hebben of geweest zijn. Zij leert ons bereid te zijn daarheen te gaan waar het leven ons verwacht, de moed te hebben onze twee penningen weg te geven, hoewel we beseffen hoe weinig ze waard zijn. De reden is dat zo’n gebaar zin geeft aan ons leven en het leven van anderen vruchtbaar maakt. Wij leren van deze vrouw echte armoede te beleven, onszelf aan te bieden met uitgestrekte armen en een vrij hart.

Daarna keren we nog eens terug naar Betanië en gelijktijdig naar beide zusters, Maria en Marta(Joh 12,1-7). Die vrouwen dragen hier een eucharistie op. Er is niet langer wedijver in deze scène, maar samenwerking en complementariteit. Als wij naar hen beiden kijken, dan zien we iets dat groter is dan ieder van hen als individu. Ik geloof dat Jezus in zijn eigen leven iets wilde weerspiegelen van wat Hij zag dat deze vrouwen deden, iets dat ze voor Hem deden.

De dood van Lazarus was als een verborgen zegen voor alle vier. Nadat zij samen het uiterste hadden meegemaakt en nadat zij hun pijn hadden erkend en hun verdriet omarmd, werden de banden tussen hen verstevigd en werd hun intimiteit groter. Ofschoon de leerlingen heel veel tijd bij Jezus hadden doorgebracht, heeft niemand van hen voor Jezus gedaan wat deze twee vrouwen deden. Niemand anders bood Hem gebaren van zoveel liefde aan. Zij staan helemaal open voor zijn waarheid. Zij aanvaarden wat gaat gebeuren en zij dienen Hem: Marta die de tafeldienst doet en Maria die de handen van Jezus streelt en zijn voeten zalft – een gebaar dat Jezus toelaat, maar dat Judas veroordeelt en Petrus moeilijk kan aanvaarden.

“In alles liefhebben en dienen” (GO 233) is een zin die Ignatius telkens weer herhaalt met de nadruk op “alles”. Het is indrukwekkend te zien hoe reëel dit principe wordt in de figuur van Marta, in wie liefde en dienst samenvloeien. Immers, om zijn volkomen liefde toe te lichten zegt de Heer: “Ik ben onder jullie als degene die dient”, en Marta wordt voorgesteld met de woorden: “Marta bediende” (Joh 12,2). Zij leert ons dat dienen niet iets is dat wij aan het leven toevoegen, of dat afhangt van een of andere verdienste: dienst is de normale ontwikkeling van onze echte natuur. De boom, als hij stevig in de grond geworteld is, houdt van het zaad, dat met de tijd tot rijpheid komt, en verwelkomt verrast de vrucht, die uit de bolster komt, maar die hij moet loslaten en laten vallen. Dienst is wat ons leven op een natuurlijke wijze voortbrengt als wij het ten diepste beleven. Dienen is onszelf uitstorten, omdat de beweging van de liefde ons toerust dat te doen, als wij ermee instemmen. Hoe meer wij opofferen des te meer zal ons hart overvloeien en ontvangen. De vreugde is groter, maar ook het verdriet.

Marta en Maria drukken hun vriendschap uit op een heel praktische manier en ze doen voor Jezus wat Hij later bij het afscheid voor zijn leerlingen zal doen: zij dienen Hem aan tafel en zij wassen zijn voeten. Jezus liet hen toe zo te handelen, zodat Hij hetzelfde voor anderen kon doen. Hij verlangde de handelingen van deze vrouwen om te vormen tot gedachtenis aan zijn eigen leven. Het is belangrijk te zien dat in dit verhaal de twee vrouwen niet spreken; zij uiten hun liefde “meer in daden dan in woorden” (GO 230).

 Gedragen en gezegende vrouwen

Voor de derde en de vierde Week kunnen we gebruik maken van de vrouwen die op een afstand stonden toe te kijken (Mc 15,40-41), van de moeder, Maria (Joh 19,25-27), van de vrouwen die welriekende kruiden kochten (Mc 16,1-8) en van Maria Magdalena (Jo 20,1-18), de eerste persoon die de werkzaamheid van de verrezen Heer onderscheidde. Ik hoef hier niets aan toe te voegen dat kan worden overgelaten aan de verbeelding van de lezers.

Op het einde van een retraite die ik mocht geven in Bogotá, Colombia, zei een oudere zuster mij: “Waar hielden al deze vrouwen zich verborgen? Ik heb nog nooit een retraite meegemaakt die zo vol leven was!” Ik begreep wat ze bedoelde. Het was niet de retraite zelf, maar het waren de verhalen over vrouwen die haar meer dan bij andere gelegenheden geholpen hadden in voeling te komen met wie zij was, met haar echte bestaan, met de plaats waar de Heer dichter bij haar kwam en persoonkijker voor haar werd.

Ik meen dat Geestelijke Oefeningen die veel naar verhalen over vrouwen verwijzen, ook voor mannen zeer verrijkend kunnen zijn. Ze kunnen nuances suggereren, verfrissend werken en de gevoeligheid en de rijkdom van de anima tot leven brengen. Ze maken het ons allen mogelijk oog in oog te komen staan met mededogen, dienst en intimiteit … langs een weg die vollediger en meer geïntegreerd is. Iets van de sensus Christi kan verloren gaan als wij nalaten dit te doen.

Wat mij het meest intrigeert wanneer ik naar dit verslag terugkijk, is de gedachte dat Jezus zelf in zijn leven veel kan hebben gewonnen van dergelijke overwegingen omtrent vrouwen. Ook Hij heeft zijn ervaring van God wellicht verdiept in de mate dat Hij “innerlijke kennis opdeed van zoveel goeds dat Hij ontving” (GO 233). Hij heeft wellicht geleerd zich toe te wijden, voeten te wassen, tafeldienst te verrichten en dat niet van een of andere rabbi, priester of wetgeleerde, maar van Marta en Maria, die hem dit toonden door het voor Hem te doen. Misschien herinnerde hij zich de Syrofenicische vrouw, toen hij zei: “Dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt” (Lc 22,19); of de arme weduwe die hem leerde al het levensnoodzakelijke weg te geven, toen zijn tijd gekomen was om alles weg te schenken in het gebroken mysterie van “bloed en water” en stilte (Joh 19,34).

Jezus herkende zichzelf in die gebaren en leerde van die vrouwen Gods manier van doen. Dat is ook de reden waarom ik denk dat Ignatius, vijf eeuwen nadat hij ons zo’n kostbare erfenis naliet, nu zijn opmerking achterwege zou laten (een vrucht van de tijd en de conventies waarin hij leefde) omtrent de manier waarop de vijand te werk gaat: hij gelijkt op een vrouw die ruzie maakt met haar man (GO 325). Vandaag de dag zou hij allicht verkiezen te schrijven: “Mannen, in het bijzonder sommigen onder u, wees niet bang! De vriend komt als een vrouw.” Grote nieuwe mogelijkheden worden in deze tijd aangebracht door vrouwen en wel voor iedereen – creatieve mogelijkheden die een overvloed aan nog niet ontdekt leven te bieden hebben.

uit: Manresa. Revista de espiritualidad ignaciana, vol. 81 (2009)

vertaling: Hugo Roeffaers S.J.

Print Friendly, PDF & Email