Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Geestelijke Oefeningen - Begeleiden / “Niet mijn wil, maar uw wil”

“Niet mijn wil, maar uw wil”

Redactie Cardoner on 18/12/2014 - 11:12 pm in Geestelijke Oefeningen - Begeleiden, Ignatiaanse spiritualiteit

door Hans van Leeuwen S.J.

Wat verstaan we onder de wil van God?  En hoe kunnen we de wil van God op het spoor komen? God en mens zijn geen concurrenten van elkaar, maar partners, aldus Hans van Leeuwen SJ  in Drongen in november 2011 op een studieweekend voor begeleiders van de Geestelijke Oefeningen. Het thema was “Gods wil”, en dit artikel is een bewerking van de Bijbeltheologische benadering die daar als lezing werd gehouden. 

“Niet mijn wil, maar uw wil.” Deze woorden sprak Jezus op een cruciaal moment van zijn leven, in de Hof van Olijven. Het zijn woorden die zijn hele leven en manier van leven tekenen. We zullen ons hier bezighouden met de volgende vragen: Wat verstaan we onder de wil van God? En hoe kunnen we de wil van God op het spoor komen? Bij het zoeken naar antwoorden op die vragen kunnen deze woorden van Jezus ons echter ook op het verkeerde been zetten. Als je ze uit hun context licht, zouden ze kunnen suggereren dat het gaat om twee objectieve gegevens – mijn wil en Gods wil – die je tegen elkaar zou kunnen uitspelen. Alsof je het ene moet laten vallen om het andere te doen. Een Bijbeltheologische benadering van het thema laat ons zien dat dit niet nodig, ja zelfs onmogelijk is.

Wat is de wil van God?

De vraagstelling: een eerste antwoord

Allereerst wil ik de vraagstelling nog wat aanscherpen. Soms praten mensen over de wil van God of het plan van God alsof er een immense, complexe en steeds veranderende blauwdruk zou bestaan van wat God “wil” dat er met de wereld gebeurt. Dan is het vinden van de wil van God zoiets als het in contact komen met dat stukje van de blauwdruk dat voor mij bestemd is, erachter komen wat God wil dat ik doe, zodat ik mij erin kan schikken, de wil van God kan doen.

Zo omgaan met Gods wil is oorzaak van veel angst. Mensen besteden veel tijd en moeite om Gods wil te ontdekken en ze worden wanhopig wanneer dat niet lukt. Door deze blauwdruk-idee wordt onze vrijheid beperkt. De mate van onze vrijheid wordt gereduceerd tot de keuze om – of we dat nu leuk vinden of niet – ons te schikken in wat God voor ons gepland heeft, als we eenmaal denken te weten wat dat is.

Een bevredigender verstaan van de wil van God lijkt te zijn: het is Gods wil voor ons dat wij in vrijheid leren antwoorden op Gods liefde en dat wij door de keuzes die wij maken in vrijheid vorm geven aan ons persoonlijk en gemeenschappelijk leven. Dat we zo ons antwoord geven op wat ons te leven gegeven wordt. Bij het verantwoord gebruiken van onze vrijheid zijn Bijbel en traditie, kerk en geweten en ons vermogen om te oordelen een hulp. Het is Gods wil dat wij onze vrijheid op een verantwoorde wijze gebruiken door datgene te kiezen wat in alle eerlijkheid de beste handelwijze lijkt te zijn in de gegeven omstandigheden. In zekere zin scheppen wij de wil van God door aldus onze vrijheid te beleven en te concretiseren.

Er bestaat geen blauwdruk waar wij ons naar moeten schikken, maar het is onze opgave te onderscheiden – binnen een levende relatie met God – wat die relatie hier en nu van mij vraagt. Dat is de weg om onze keuzes in vrijheid te maken en zo de wil van God te vinden en te doen. De wil van God is dus geen statisch objectief gegeven, maar een relatie-woord, een relatie-begrip.

Een Bijbeltheologische benadering

Het vraagstuk van Gods wil moet gesitueerd worden in de wederzijdse relatie tussen God en mens: God zich inlatend met de mens en de mens op zoek naar God. Bijbeltheologie is in zekere zin een pleonasme, want iedere theologie zal zich moeten laten gezeggen door de geschiedenis die God gemaakt heeft en maakt met mensen, dat wil zeggen de Schrift als gebeuren, als neerslag van een gebeuren. Ook als we op zoek gaan naar een antwoord op onze vragen, zullen we ons daardoor moeten laten leiden. Een Bijbeltheologische benadering begint met een theologische visie op Bijbel en openbaring: hoe openbaart God zich en hoe wordt dat duidelijk in het proces van het ontstaan van de Schrift?

De Schrift is het eindpunt van een gebeuren, van heel het proces van de Schriftwording. Dat proces kan niet losgemaakt worden van de gelovige gemeenschap waarbinnen dit gebeuren plaatsvond en de Schrift vorm kreeg. In die gemeenschap ontwaakte de ervaring: wij mensen worden niet aan ons lot overgelaten. Steeds duidelijker proefden zij dat alles wat hen overkwam geen hopeloze kringloop van gebeurtenissen kon zijn. Mensen gingen de belofte verstaan die in hun geschiedenis schuilging en zo werd die geschiedenis voor hen een weg naar vervulling, een heilsgeschiedenis. Je zou het groeien van die ervaring kunnen noemen: de ontmoeting die zich stap voor stap, feit voor feit voltrok tussen Israël en zijn God. Mensen gingen ontdekken dat zij de woorden zijn waarmee God zijn verhaal schrijft in deze wereld. Mensen zijn zelf het verhaal van God.

Zij vertelden dat verhaal aan elkaar, wezen het steeds weer aan: “Kijk, daar is Hij weer!” Zo werd de geschiedenis van Israël steeds meer begeleid door verhalen, door mensenwoorden over het geheim van God. Het menselijk bestaan kreeg zijn gelovige duiding. De Schrift is het resultaat van het zoeken naar menselijke woorden voor een ervaring die naar God verwijst. Als een Bijbelverhaal aan het eind van een lang proces van doorgeven eindelijk wordt vastgelegd, gaat het ogenschijnlijk over vroeger, maar het is vooral een verwoording van een gelovig zicht op het heden, op het leven hier en nu.

De wijze waarop God zich openbaart wordt zo duidelijk. God openbaart zich doordat mensen Hem ondergaan. Geen woorden worden mensen toevertrouwd, maar zij maken dingen mee die woorden onder hen oproepen. Zij vertrouwen het elkaar toe: de situatie spreekt van Hem. Gods woord is daad en werkelijkheid. Hij dringt zich op in de gegeven situatie. Hij is de Stem in het gebeuren.

Gevolgen voor onze geloofstaal

Als God zich op deze wijze openbaart, heeft dat gevolgen voor onze geloofstaal, onze manier van spreken over alles wat met geloven te maken heeft. En dus ook ons spreken over de wil van God. Mensen van vandaag hebben steeds minder behoefte aan een wonderlijke kracht van buiten, aan een God die een instantie van buitenaf is, een God die zijn wil dicteert en die ingrijpt in het wereldgebeuren. Ook niet aan een God die de gaatjes vult waar mensen die gaten laten vallen. Zij zien God niet meer als een opperwezen dat alles regelt en bestuurt, waar we ongevraagd aan onderworpen zijn, die onaantastbaar en oppermachtig troont boven het menselijk geploeter. Een God die het lijden niet wil, maar het wel toelaat. Geloven is steeds minder het aannemen dat er zo’n God bestaat.

De wijze waarop God zich openbaart maakt ons duidelijk: er is maar één plaats om te geloven en dat is waar we leven, midden in wat we te leven krijgen. God is alleen midden in ons leven te vinden. Soms even ontdekt, gezien of gehoord. Hij wordt dan beleefd als een mysterie dat ons leven draagt, een levensperspectief: Eén die ons niet aan ons lot overlaat, maar die een Verbond met ons aangaat.

Geloven is niet het aanvaarden van waarheden of het hebben van een aantal opinies. Geloven is bewust leven, met open ogen en hart. Het is durven ingaan op je levensvragen, samen worstelen met die vragen. De antwoorden die wij vermoeden en die ons een tijdje verder helpen met elkaar uitwisselen, ze aanvullen en bij elkaar toetsen en zo nodig corrigeren.

Als we daar woorden voor vinden, dan zijn dat geen definities, maar woorden die het geheim benaderen. Die woorden komen van onderop en van binnenuit. Ze zijn onze eigen inbreng. Gevolg is een gelovig taalgebruik dat dynamisch is, altijd nog aan het worden, in proces. Maar daardoor is het ook voorlopig en onzeker. Het biedt niet het houvast van 2 + 2 = 4. Het is een geloven bij benadering, in alle betekenissen van die uitdrukking.

Het geloofs- en openbaringsproces – en die twee zijn één – zetten wij voort. We hebben als het ware de plicht om onze eigen Schrift te schrijven. Want de openbaring is niet afgesloten en gaat nog steeds verder. God zet zijn geschiedenis met mensen voort. En zo is het ook met het zoeken van mensen naar woorden voor een ervaring die naar God verwijst. In een bezonnen ontmoeting met al wat is ervaren mensen, verwonderd en beschouwend, hun verbondenheid – het Verbond – met de grond van hun bestaan. Ze vinden God in alles. En dan gaat het niet om een krampachtig zoeken, maar eerder om een je laten vinden. Meer nog: het gaat erom op te houden met zoeken, om stil te worden, te luisteren naar de Stem in het gebeuren. Het gaat erom attent, beschouwelijk en ontvangend te leven.

Gevolgen voor ons beeld van God en van zijn wil

Als God zich zo openbaart en als dat aan ons een benaderende geloofstaal geeft, heeft dat ook gevolgen voor ons beeld van God en dus ook voor ons spreken over de wil van God. Eigenlijk bestaat er geen Godsbegrip en is het beter om niet te spreken over de eigenschappen van God, zoals “almachtig” of “volmaakt”. Wij hebben een beeld van God. Hij is voor ons als een herder, een rots, een vaste burcht. Zijn Naam is een verhaal. Het probeert te omschrijven wat wij met Hem en van Hem meemaken. Het is een woord dat in ontmoeting gevonden en ontvangen wordt. Ook “God” is een relatie-woord, een Verbonds-woord. Het is geen catechismus-woord, maar een Bijbels woord. Het is niet de God van de filosofen, maar die van Abraham, Isaak en Jakob. Hij is geen geweten zekerheid, maar een vermoeden, opgedaan midden in het leven. Hij is een God van mensen wiens Naam is: Ik-ben-er; Ik-zal-er-zijn; voor jullie.

“Wie eerlijk probeert te lezen en te schrijven in het boek dat leven heet, zal misschien mogen ontdekken dat God niet in de titel staat, niet in de hoofdletters, maar vermoed wordt in het wit van de bladzijden. Het wit van het blad blijft ongezien, en de lezer realiseert zich niet dat het er is; maar het heeft een onmisbare functie.” (J. Bluyssen)

Wie eerlijk probeert te luisteren en gevoelig tracht te blijven voor de grondintenties van het Bijbels getuigenis, zal misschien mogen ontdekken dat het woord “God” niet verwijst naar iets ongenaakbaars dat onbereikbaar ver weg is, maar naar een werkelijkheid die veel ontroerender, veel dieper en boeiender is; veel meer iets in onszelf, tussen ons in en om ons heen. Want in je eigen leven, in alles wat je meemaakt en ziet gebeuren valt iets te beluisteren dat je eigenlijk maar moeilijk kunt relativeren, dat een beroep op ons doet en ons om zo te zeggen roept naar een manier van mens-zijn die waarachtig is.

Die God is niet “iets”. Want “iets” is niet betrokken bij en op de menselijke geschiedenis. Ik geloof niet in “iets” dat ergens aan de oorsprong staat van alles of in het bestaan van een Persoon die alles stuurt of gebiedt of wil. Geloven in God is vertrouwen in de beweging waarin je staat en die je doortrekt, geloven dat het een beweging ten leven is. Het is vertrouwen dat jij je wel van deze beweging kunt afkeren, maar dat de God die deze dynamiek bezielt zich niet van jou afkeert en de mogelijkheid van ommekeer openhoudt. Het is op zoek gaan naar de congruentie tussen die goddelijke beweging en de beweging van jouw eigen leven.

Die beweging ontwaren en op het spoor komen is het zoeken en vinden van de wil van God. Ik kan “de wil van God” alleen in deze context verstaan. De eerste omschrijving – aan het begin gegeven – kan ik nu veelzeggend herhalen:

Gods wil doen is het onderscheiden, binnen een levende relatie met God, wat die relatie hier en nu, in de gegeven omstandigheden van mij vraagt, om dan mijn keuzes in vrijheid te maken en zo al levend en kiezend gaandeweg die wil te gaan vinden en doen.

Dat is geen blauwdruk, geen statisch en objectief (voor)gegeven, maar een relatie-woord, een Verbonds-element. Gods wil is niet allereerst iets van God voor mij, maar iets wat zich afspeelt tussen God en mij.

Hoe doe je de wil van God?

God en mens: geen concurrenten

Het voorgaande heeft hopelijk duidelijk gemaakt dat het woord van Jezus “Niet mijn wil, maar uw wil” niet kan betekenen dat wij twee “willen” tegen elkaar uitspelen, en dat het geen kwestie is van óf de wil van God óf die van de mens. God en mens zijn geen concurrenten. Dat is een vals dilemma. Concurrentie zou betekenen dat Gods activiteit ten koste gaat van die van de mens en dat de menselijke vrijheid en oorspronkelijkheid ten koste zouden gaan van Gods oorzakelijkheid. Kortom: God zou minder actief zijn waar de mens het meer is en omgekeerd.

Wat doet de mens? Wat doet God? Hoe verhouden die twee zich tot elkaar? Dat is een vraag die belangrijk is voor iedere vorm van spiritualiteit. Ze speelde ook al een rol in het eerste deel van dit artikel. Wat is goddelijke openbaring en wat is menselijke ervaring? Staan ze naast elkaar? Komen ze na elkaar? Liggen ze in elkaar?

De analyse van het proces van de Schriftwording – hoe openbaart God zich? – heeft ons geleerd dat God zich openbaart ín de menselijke ervaring. De mens die zich voor God opent, openbaart God in zijn doen. Het doen van God gebeurt in het doen van zijn schepselen. God is niet ergens onbemiddeld gegeven en grijpbaar. Hij is de mens liefdevol nabij en deelt zich mee doordat Hij mensen voor Hem openmaakt en hen tot “antwoord” beweegt. In de gelovige beweging van mensen naar God toe, in menselijk doen is Gods doen gegeven. God komt op mensen toe en deelt zich aan hen mee doordat mensen naar God toe geopend worden en zich naar God richten. Gods doen is in menselijk doen werkzaam.

Model hiervoor staat het verhaal over Mozes bij de brandende doornstruik (Ex 3,1-14). Ook hem overkomt het midden in zijn gewone leven, iets verwonderlijks, verrassends, wat zijn leven hier en nu tot heilige grond maakt, ontmoetingsplek van God. Mozes gaat kijken en God ziet hem. God ziet ook hoe mensen eraan toe zijn en dan doet God wat Hij ziet. “Ik zal bevrijden – ga jij mijn volk wegleiden.”

Dit is een eerste toepassing op het doen van Gods wil. Wanneer een mens doende is God te zoeken en zijn leven daarnaar te ordenen, daarmee in overeenstemming te brengen, dan is God in die mens bezig. Hij legt hem niet zijn wil op, maar de mens gaat verstaan welke uitnodiging er schuilgaat in wat hem te leven gegeven wordt. Als hij dit in de context van de “ontmoeting” doet, is in zijn beslissing de wil van God werkzaam. De mens kiest in vrijheid, terwijl hij in gesprek is met God.

God en mens: partners

God en mens zijn geen concurrenten, ze zijn eerder elkaars partner. Is het te veel gezegd dat God en mens samen-werken? En dat van de ene kant in die samenwerking God alsmaar meer mens wordt, een God van mensen, en dat van de andere kant mensen daardoor ook meer worden zoals zij bedoeld zijn, beeld van God?

Geloven is niet alleen open en ontvankelijk zijn, iets gaan zien en horen, maar die manier van leven houdt ook in dat wij ons geloven dóén, dat wij waarmaken wat wij zien. De waarheid moet gedaan worden. Mensen mogen gaan zien en beleven dat God werkelijk bevrijdt en leven geeft, maar de feitelijke bevrijding is een samenspel tussen God en mens. De Uittocht is ondenkbaar zonder de middelaar Mozes.

Er is een middelaar nodig. Er zijn mensen nodig die de bevrijding mede voltrekken, die God God laten zijn, die doen wat God voor mensen wil zijn. Gods nabijheid, die reddend en leven gevend is en waarin Hij God-met-ons wil zijn, moet door mensen concreet worden gemaakt. God wordt niet een God van mensen zonder die mensen. Gods menswording wordt mogelijk als we zijn nabijheid voor mens en wereld concreet maken door voor weduwe en wees, voor zieken en gevangenen, voor onderdrukten en marginalen een nabije, een naaste te zijn.

Als wij God meer mens laten worden door open te gaan en zijn nabijheid waar te maken, worden wij zelf meer mens, worden wij meer wie wij zijn, zoals wij bedoeld zijn. Ons diepste wezen is open zijn voor God en op Hem gemunt zijn, geschapen als zijn beeld en op Hem gelijkend. Als wij dat beeld in ons laten oplichten, als wij het in ons doen en laten waarmaken, wordt God meer mens. De mens is niet God, maar meer dan al het andere in deze wereld lijkt hij op Hem. Het is ons wezen God uit te beelden. Om “voor elkaar als God te zijn”, zoals we in een van onze liederen zingen. Zo is de samenwerking tussen God en mens, hun partnerschap, tegelijk een opgave en een gave. De wil van God doen is partner van God worden. In een levensproces dat God steeds meer God laat zijn en dat ons meer mens doet worden, doordat ik doe wat God voor mensen wil zijn.

Dat is ook een levenswijze “Hem achterna”. Want ook Jezus van Nazaret had geen andere zending dan aan mensen te doen wat God voor mensen wil zijn. Gods bevrijding aankondigen en waarmaken, dat was de zaak waar Hij voor stond (Lc 4,14 vv.). Dat was voor Hem de weg om de wil van de Vader te doen. En in die context moeten we ook zijn woorden “Niet mijn wil, maar uw wil” verstaan .

Je leven, heel je doen en laten door de ontmoeting met God laten bepalen: hoe gaat dat? Kunnen we dat nog wat concreter maken?

Leven is kiezen

Het is onvermijdelijk dat wij in ons leven steeds weer keuzes maken. Wat wil ik? Wat wil ik met mijn leven? Welke levenskeuze maak ik? Voor wat en voor wie kies ik? Hoe besteed ik mijn geld, mijn tijd, mijn energie? Sommige keuzes zijn belangrijk. Je neemt dan als het ware een wissel. Het zijn keuzes die vaak eenmalig zijn. Andere keuzes zijn hier en nu ook wel belangrijk, maar ze hebben toch iets voorlopigs. Ze zijn te herzien. Onderscheiden is je bewust worden van je keuzes. Gaan zien waar het op aankomt, wat belangrijk genoeg is om ervoor te kiezen. In de elkaar opvolgende keuzes tekent zich een grondkeuze af, een grondoptie. Door welke grondoptie laat ik mijn keuzes bepalen?

In het kader van ons zoeken naar een antwoord op de vraag hoe je de wil van God doet, betekent dat: Laat ik mijn doen en laten bepalen door de ontmoeting met God in mijn leven? Is dat mijn grondoptie? Nog steeds laat God zich ontmoeten, nog steeds is Hij de Stem in het gebeuren. Die geschiedenis gaat door. Neem ik mijn plaats in die geschiedenis in? Als ik dat doe, doe ik de wil van God. Anders gezegd: Welke weg wil God met mij gaan? Welke weg heb ik te gaan? Wat betekent dat voor mijn keuze hier en nu? Wat wil ik?

Dat is – ik herhaal het nog een keer – niet een je conformeren aan Gods wil als een voor-gegeven, maar het is in mijn concrete situatie antwoord geven. Ik word daarbij geleid door een grondoptie die alles te maken heeft met het zoeken en ontmoeten van God midden in mijn leven. Dat is niet een beperken van de menselijke vrijheid en autonomie, maar een zich realiseren wat de mens wezenlijk is: hoorder van de Stem in het gebeuren, antwoord gevend en zo zijn verantwoordelijkheid waarmakend.

Maar is een mens wel vrij om keuzes te maken? We worden door veel dingen bepaald. Biologische, psychologische, sociale factoren hebben hun invloed op ons. Wat we weten, denken, zien en horen en de menselijke verhoudingen waarin wij leven maken mij tot de mens die ik ben. Maar de mens kan daartegenover wel zijn houding bepalen. Hij kan een keuze maken en er op zijn eigen manier mee omgaan. De mens is een mengsel van vrij zijn en bepaald zijn.

Echt vrij zijn we dus nooit. Juist daarom is innerlijke vrijheid zo belangrijk. Te midden van al die bepalingen zonder zelfverdediging, zonder krampachtig vasthouden, zonder angst en zonder verkeerde afhankelijkheid je keuzes blijven maken. Het hart van ons geloven is ja zeggen, antwoorden, je engageren, niet meegesleept, maar gekozen en beaamd, doordat je kiest. Zo is de mens gemaakt. Vrij in zijn relatie met God, vrij in afhankelijkheid, vrij om de relatie te beamen of af te wijzen. Kiezen is in iedere situatie onderscheiden wat de ontmoeting met God vraagt en je doen en laten daardoor laten bepalen. De grondkeuze is de keuze voor God.

Twee teksten staan daarvoor model. Allereerst Deuteronomium 30,11-20, een tekst die vaak gelezen wordt op het feest van Ignatius. Aan Mozes worden – vandaag – het leven en het geluk voorgehouden, maar ook de dood en het ongeluk. Het is een keuze van leven of dood. Hier wordt toegespitst waar het in het leven met God om gaat. Een beslissende keuze die niet ver weg ligt en niet moeilijk is, niet in de hemel te vinden is en ook niet aan de overkant, maar dichtbij, omdat het een woord in je hart is en in je mond. Je kunt het volbrengen, zodat het nog meer van jou wordt. Het gaat om de keuze tussen “luisteren” en “je afwenden”. Het ene leidt naar leven, geluk en zegen, het andere naar dood, ongeluk en vloek. “Kies dan het leven!” Kies voor de God van je vaderen, die zich waargemaakt heeft voor hen die Hem kozen.

Die fundamentele grondhouding vinden we terug in Numeri 9,15-23. Boven de tabernakel met de verbondstekst hangt een wolk. “Telkens als de wolk zich van de tent verhief, trokken de Israëlieten verder, en op de plaats waar de wolk stilhield sloegen ze hun kamp op.” Heel de levensbeweging van Israël, hun op weg gaan en hun rusten, hun doen en laten, werd bepaald door wat de wolk hun aangaf. De ontmoeting met God, zijn blijvende aanwezigheid, de verbondenheid met Hem was de bepalende factor voor wat hen te doen stond, voor wat zij gingen kiezen.

Beide teksten bevestigen dat de grondoptie ons geen blauwdruk in handen geeft. Maar ze is wel richtinggevend in de gegeven situatie hier en nu. Het is als het ware een agenda die mee beweegt met je leven en geen statische verworvenheid. De grondoptie is een kompas en geen gedetailleerde routekaart.

Aandachtig leven: Gods wil zoeken en doen

Het doen van Gods wil is daardoor niet zozeer een zaak van orthodoxie, maar van trouw, dat wil zeggen van orthopraxie, die bestaat in het blijven bij je Bevrijder. Het gaat om het blijven bij en in het Verbond, blijven in de ontmoeting, in de relatie, in de liefde. Gods wil doen is liefde doen in jouw concrete omstandigheden, en dat is niet een plan uitvoeren. Bijbeltheologisch gezien gaat het om een manier van leven, een spiritualiteit. Gods wil doen vooronderstelt een manier van aandachtig leven, waakzaam, open, ontvankelijk, aanspreekbaar en luisterend. Zo leven dat de ontmoeting met God kan gebeuren. Dat vraagt om een bezonnen ontmoeting met al wat is. Je moet ervoor leven in het hier en nu. Contemplatief in de actie. Om zo God te vinden in alles.

In Romeinen 12,2 zegt Paulus dat wij onze gezindheid moeten vernieuwen “om zo te ontdekken wat God van ons wil”. Niet wat God wil, maar wat God van ons wil: het gebeurt tussen God en mij. In de relatie met God gaan onderscheiden waartoe God mij uitnodigt en wat congruent is met de grondkeuze voor Hem. Het thema van Gods wil zou daarom misschien nog beter dan met “Niet mijn wil, maar uw wil” kunnen worden omschreven met “Hier ben ik… uw wil te doen verlang ik” (Ps 40,8-9).

Ignatius duidt al bij het begin van de Geestelijke Oefeningen aan dat het gaat om “te zoeken en te vinden wat Gods wil is bij de inrichting van zijn leven tot heil van zijn ziel” (GO 1). Het is mijn overtuiging dat wat Ignatius bedoelt met Gods wil en met de wijze waarop wij die wil moeten zoeken en doen, en met al wat hij zegt over de onderscheiding als weg naar Gods wil, te verstaan is tegen de achtergrond van de Bijbeltheologische benadering van wat Gods wil is en hoe wij die moeten doen.

Print Friendly, PDF & Email