Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Geestelijke Oefeningen - Begeleiden / Instemming en afwijzing. Wegwijs raken bij het geven van geestelijke begeleiding.

Instemming en afwijzing. Wegwijs raken bij het geven van geestelijke begeleiding.

Redactie Cardoner on 01/05/2007 - 3:03 pm in Geestelijke Oefeningen - Begeleiden

door Robert R. Marsh S.J.

 

Op elk moment van het geestelijk leven zijn verschillende impulsen aan het werk. We moeten kiezen aan welke we gevolg geven en aan welke niet. De auteur raadt een zeer eenvoudige methode aan: blijf bij de beweging – vermijd de tegenbeweging.

Enige tijd geleden zat ik te praten met mijn geestelijke begeleider en klaagde over de kleurloosheid van mijn geestelijk landschap, toen ze mij een vraag stelde die bij mij een dubbele reactie teweegbracht: “Als God op dit ogenblik hier was, wat zou U dan zeggen?” Spontaan kwamen er bijna gelijktijdig twee antwoorden bij mij op. Het ene was: “Stroop maar eens uw mouwen op” – een lichtelijk geërgerde vraag aan God om orde te brengen in mijn leven en iets te doen aan de hardnekkige problemen met mijn gezondheid. Het tweede antwoord was: “Hoi, makker!” Nu heb ik God in mijn leven op vele manieren aangesproken, onder andere met “vriend” en “minnaar”, maar dit was voor het eerst dat ik “makker” gebruikte, en ik voelde mij er nogal verlegen mee.

Ik vertel dit verhaal, omdat het tekenend is voor een zowel praktische als theologische kwestie: aan welke van deze twee spontane reacties zou een geestelijke begeleider het meeste aandacht moeten besteden? Welke lijn zou men moeten volgen? Met deze vraag worden begeleiders vaak geconfronteerd wanneer ze de kunst verstaan van aandachtig luisteren. Bij geestelijke begeleiding komen tijdens een gesprek zoveel dingen aan de orde die om zorgvuldig onderzoek vragen. De vaardigheid die we allen moeizaam trachten te verkrijgen is het kaf van het koren te kunnen scheiden. Hoe moeten we tijdens het gesprek hetgeen volgens de ervaring van de begeleide in de goede richting gaat stimuleren en verder ontwikkelen, en hoe geen verdere aandacht besteden aan de rest? In het geval waarover we spraken: gaan we in op “opgestroopte mouwen” of op “makker”? Is er een vuistregel? Wat moet onze strategie zijn?

 Onderscheiding

Als geestelijke begeleiding méér wil zijn dan enkel passief luisteren, kent ze talrijke van dergelijke keuzes waarvoor men komt te staan. Als begeleiders beslissen we voortdurend welke weg we zullen opgaan en welke niet. Wat is daarbij ons beleid? Wellicht beslissen we door te gaan op datgene wat we het meest interessant vinden. Misschien kiezen we voor de weg die naar onze mening gaat in een richting die we de ander graag zouden zien gaan. Het kan zijn dat wij er de voorkeur aan geven met de gesprekspartner grondig in te gaan op bepaalde onderwerpen die naar het schijnt onder ogen gezien moeten worden. Of we volgen eenvoudig de weg die de ander ons aangeeft. Het zijn vragen die zich voortdurend aan ons voordoen. De wijze waarop we erop reageren geeft duidelijk aan hoe naar onze mening geestelijke begeleiding behoort te zijn.

Vijfentwintig jaar geleden betoogden William Barry en William Connolly (The Practice of Spiritual Direction, New York, 1982) met veel overtuiging dat het eigenlijke doel van geestelijke begeleiding bestaat in het bevorderen van iemands Godservaring en zijn verhouding tot God. Wanneer we het eens zijn met deze doelstelling en ze in praktijk willen brengen, hoe moeten we dan de vele beslissingen nemen die zich voordoen bij het geven van geestelijke begeleiding? Welke wegen moeten we dan opgaan? Barry en Connolly zeggen dat bij het geven van begeleiding vooral alle aandacht moet worden gericht op een religieuze ervaring. Met dit als uitgangspunt kan het keuzebeginsel dat we proberen onder woorden te brengen eenvoudigweg als volgt geformuleerd worden: zoek ervaringen op waarin God minstens impliciet aanwezig is en laat die zich zo ontwikkelen dat ze de persoonlijke verhouding tot God bevorderen.

Hoewel deze vuistregel gemakkelijk te formuleren is, kan het moeilijk zijn om hem te bevatten en in praktijk te brengen. Je moet namelijk in staat zijn te zeggen welke ervaringsaspecten meer “God-vervuld” zijn dan andere (hierop zullen we later uitvoerig moeten ingaan). Maar met het centraal stellen van de godservaring worden alle andere boven vermelde methoden om een koers te bepalen ongeschikt. Alle aandacht richten op de godservaring betekent dat we onze weg niet kiezen in functie van welk resultaat of einddoel dan ook, noch waarheen we als begeleider menen dat het gesprek moet leiden, of waar de begeleide op wil uitkomen. De koersbepaling moet ruimte maken voor iets wat subtieler is: onze weg vinden door erachter te komen hoe de weg is die God gaat. We moeten varen op het kompas dat traditioneel de “onderscheiding der geesten” genoemd wordt: zorgvuldig bekijken in hoeverre de ervaring gericht is op God.

Dit geeft aan de vaardigheid om geestelijke begeleiding te geven een andere wending, en maakt deze zowel veel gemakkelijker als veel moeilijker. Om de metafoor van de te volgen koers vast te houden: de taak van de geestelijke begeleider wordt er makkelijker door, omdat hij om een koers te kunnen uitzetten geen gedetailleerde en diepe kennis behoeft te bezitten op het gebied van de spiritualiteit. Hij heeft geen bundel zeekaarten nodig en hoeft ook niet met de begeleide op vertrouwelijke voet te staan: hij heeft eerder een soort kompas nodig, een gids voor hier en nu, ook al is het terrein verderop onbekend. Welke metafoor we ook gebruiken, zij heeft haar beperkingen. De metafoor van het kompas helpt ons niet verder, als daarmee een vaste pool wordt aangeduid waarop men zijn koers instelt. Wellicht heeft hetgeen we beschrijven meer weg van het hebben van een “fijne neus” voor de dingen van God: een aanvoelen dat op dit bepaalde moment déze weg moet worden genomen eerder dan die andere. Wellicht moeten we de metafoor van de koersbepaling helemaal laten vallen en de geestelijke begeleiding beschouwen als iets dat lijkt op het volgen van een spoor: kijken, snuffelen, tasten, aanvoelen, om het spoor en de tekens van Gods voorbijgaan waar te nemen. Maar één ding is duidelijk. Als in de geestelijke begeleiding de ontmoeting met God centraal staat, dan raakt het beheersen van ingewikkelde theorieën over geestelijke of psychologische vooruitgang op de achtergrond, en wordt alles eenvoudiger.

Maar als onderscheiding centraal staat, wordt in andere opzichten het geven van geestelijke begeleiding veel moeilijker. Onderscheiding is een vaardigheid die niet geveinsd of na te rekenen valt; er wordt voor geëist dat de geestelijke begeleider zich bij voortduring kwetsbaar opstelt en zich persoonlijk laat omvormen. Samen met een ander mens onderscheiden betekent dat men zijn hart openstelt voor de geestelijke invloeden die deze mens ervaart: het is geen emotieloos of afstandelijk gebeuren.

Maar hoe precies kan deze onderscheiding een hulp zijn bij de beslissingen die we telkens moeten nemen en die we al eerder hebben onderzocht? “Onderscheiding” (discreción) zoals Ignatius het noemt, heeft geen betrekking op belangrijke beslissingen – dan gebruikt hij het woord “keuze” (elección) – maar op het voortdurend beslissen wat in onze ervaring gestimuleerd moeten worden en wat niet. Zijn Richtlijnen voor de onderscheiding (GO 313-336) zijn dus geen abstracte en volledige classificatie, maar dienen veel meer, zoals hij het zegt, “om ons te helpen de verschillende bewegingen die in de ziel veroorzaakt worden enigszins te voelen en te onderkennen, de goede om erop in te gaan, de slechte om ertegen in te gaan” (GO 313).

 Bewegingen en geesten

Dat is precies de vaardigheid die naar mijn mening bij geestelijke begeleiding centraal staat.

Het woord “bewegingen” omvat volgens George Ganss “handelingen van het verstand (bv. gedachten, redeneertrant, fantasieën, enz.) of van de wil (zoals liefde, haat, verlangen, angst, enz.), of affectieve gevoelens, aandriften, neigingen, behoeften (zoals vrede, warmte, kilte, vertroosting, troosteloosheid, enz.)”. Het is de hele overvloed aan ervaringen zoals we die ondergaan, verstaan en ernaar handelen. Voor Ignatius is wat we ervaren nooit iets statisch en zelden in geestelijk opzicht neutraal; onze ervaring heeft zowel een geestelijke oorsprong als een geestelijke afloop. Onze ervaring is in beweging en deze “bewegingen” hebben een betekenis.

We zijn vertrouwd met de idee dat onze gedachten, gevoelens en zo verder van nature voortkomen uit bewuste en onbewuste bronnen. Maar het premoderne deel van Ignatius’ geest zag onze ervaring ook onder invloed staan van “geesten” en “engelen”. Als we ons onbehaaglijk voelen bij een zo duidelijk achterhaald wereldbeeld, mogen we toch niet te haastig voorbijgaan aan de daarin verborgen wijsheid. De geesten waarover Ignatius spreekt hebben een dubbel karakter en worden daardoor zeer interessant. Ze zijn onlosmakelijk verstrengeld met onze innerlijke ervaring, maar toch zijn ze ook in zeker opzicht méér dan enkel mentale of psychologische werkelijkheden of plaatsvervangers van Gods eigen Geest. Ignatius’ geesten zijn natuurlijke, maar geestelijke elementen van de geschapen wereld. Daarin komt een kosmisch of ecologisch aspect naar voren van zijn wereldbeeld. Het Uitgangspunt en fundament zegt weliswaar uitdrukkelijk dat “alle overige dingen op het aardoppervlak geschapen zijn met het oog op de mens”, maar ze hebben ook een daaraan voorafgaande eigen betekenis in zich.

Zowel de wereld om ons heen als onze ervaring vereisen onderscheiding, het verstaan van hun betekenis. De wereld is geen neutrale plaats en evenmin wordt ze gekenmerkt door een glad verlopende en ongestoorde voortgang naar een of ander doel. Tot op zekere hoogte is ze een slagveld – daarbuiten in de uitwendige wereld, en ook in onszelf. De geesten die onze ervaring beïnvloeden hebben daarbij een bepaald doel voor ogen. Goede geesten bewegen ons naar God toe en slechte geesten gaan tegen deze beweging in. Het is de taak van de onderscheiding om te ontdekken waar onze concrete ervaring vandaan komt en in welke richting ze gaat. Dit geeft richting aan de begeleiding. Onderscheiding is niet enkel een abstracte systematische indeling; met onderscheiding is de dynamische en praktische vraag gemoeid welke aspecten van de ervaring gestimuleerd moeten worden, en aan welke geen aandacht moet worden besteed of waartegen men zich moet verzetten. Het gaat om de vraag hoe men in de kosmos moet leven en handelen. Daarom is hetgeen Ignatius in de titel boven de Richtlijnen in GO 313 toevoegt, van zo groot belang: onderscheiding vertelt ons wat wij moeten  doen met het onderkennen en begrijpen van onze ervaring. Als we geestelijke begeleiders zijn, dan zal onderscheiding ons zeggen welke koers we moeten varen. Welke van de vele lijnen in de ervaring van de begeleide zullen we stimuleren? In mijn geval: moet mijn begeleider ingaan op “Stroop uw mouwen op!” of op “Hoi, makker!”?

Ignatius’ hoofdregel is even eenvoudig als uitdagend: ga mee met de vertroosting en ga de troosteloosheid uit de weg. Maar veel hangt ervan af hoe wij deze twee technische termen verstaan. Vertroosting en troosteloosheid zijn de actuele symptomen van een onderliggende ervaringsbeweging. Deze komt ergens vandaan en gaat ergens heen; en juist nu, midden onder het dynamisch gebeuren hebben we zowel de symptomen als het pad dat we moeten opgaan als we beginnen met onderscheiding.

Op het eerste gezicht klinkt het “meegaan met de vertroosting” als het volgen van de aangename of positieve kanten van de ervaring. Inderdaad neigt Ignatius bij de eerste behandeling van de kwestie in deze richting. Vertroosting is “elke vermeerdering van hoop, geloof en liefde en elke innerlijke blijdschap die een oproep en aantrekking inhoudt tot het hemelse en het eigen heil van de ziel en haar aldus rust en vrede geeft in haar Schepper en Heer” (GO 316). Zijn beschrijving van troosteloosheid maakt dit zelfs nog duidelijker: troosteloosheid is “duisternis en verwarring in de ziel, een beweging naar wat laag en aards is, onrust vanwege verschillende beroeringen en bekoringen (…), de ziel die zonder hoop is, zonder liefde, geheel lui, lauw, droevig en als het ware gescheiden van haar Schepper en Heer” (GO 317). Ignatius plaatst echter het symptoom dat zich voordoet steeds binnen het kader van zijn oorsprong en afloop, waar het vandaan komt en waarheen het op weg is. De kwade geest veroorzaakt angstgevoelens, droefenis, een ertegen opzien en een misleidende reeks van gedachten die verlammend werken en onzeker maken. De goede geest doet het tegendeel. Uiteindelijk is de beoordelingsnorm voor vertroosting en troosteloosheid de vraag waartoe ze leiden. Welke ervaringen leiden tot geloof, hoop en liefde? Welke naar God? Niettemin  blijven de aanwezige symptomen van belang. Ook al wordt in de Regels voor de Tweede Week de mogelijkheid besproken van iets wat een vertroosting lijkt, maar afkomstig is van de kwade geest, toch kan juist door het gevoel van troosteloosheid waartoe ze leidt, de ware aard van deze ervaring herkend worden.

De begeleider heeft tot taak de “bewegingen” in de ervaring van de begeleide persoon te onderscheiden – met inbegrip zowel van de aanwezige symptomen als van dat waarheen ze tenderen – en hem te helpen “in te stemmen met” de goede bewegingen en de slechte af te wijzen. Dat is méér dan alleen maar meegaan met het goede of blijven verwijlen bij wat positief is. Het gaat erom stil te staan bij datgene waarin de duidelijkste tekenen te vinden zijn dat God zich openbaart en wat wacht op een inniger ontmoeting. Wanneer dit zo in het algemeen wordt gesteld, kan dit een ontmoedigende of onmogelijke taak lijken – stel je voor: vertellen wat God aan het doen is! – maar uit de praktijk blijkt dat het wel mogelijk is en resultaat heeft.

Ignatius beschrijft hoe de tekens waarmee we werken op verschillende wijze geïnterpreteerd moeten worden in de verschillende “weken” dat iemand op weg is met God. In een zuiveringsfase (of dat nu in de Eerste Week is of in het leven van alledag) kunnen vertroosting en troosteloosheid duidelijk afgebakend worden (GO 315-327). Wanneer de begeleide persoon helder gaat zien hoe God in de wereld werkzaam is, moeten vertroosting en troosteloosheid geplaatst worden in het kader van hun uitwerking op langere termijn (GO 328-336).Vervolgens zullen op momenten van een ervaring van “eenwording” troost en vertroosting soms zeer moeilijk te onderkennen zijn; de onderscheiding steunt dan op een vaak duister gevoel van aanwezigheid. Wanneer bijvoorbeeld iemand het lijdensverhaal aan het overwegen is, ervaart hij misschien een grote en onaangename dorheid, en toch laat hij deze ervaring niet los, omdat hij Jezus niet in de steek wil laten.

Maar hoe subtiel ook, uit hetgeen Ignatius aan het opschrift boven zijn regels toevoegt blijkt duidelijk welke primaire strategie we moeten volgen: namelijk de ervaringslijnen die naar God lijken te voeren verder uitwerken en onderzoeken, en aan die welke deze beweging naar God toe belemmeren, geen aandacht besteden of ze afwijzen. Omdat de begrippen troost en troosteloosheid ingewikkeld zijn, en ook vanwege het gevoel van onbehagen dat opkomt bij het spreken over geesten en engelen, acht ik het passend en juist in plaats daarvan te spreken over beweging en tegenbeweging. Wanneer we “beweging” gebruiken als korte samenvatting voor deze lijnen naar God toe en “tegenbeweging” voor het tegenovergestelde daarvan, kunnen we de gedragslijn voor geestelijke begeleiding als volgt kort samenvatten: “Blijf verwijlen bij de beweging, en ga de tegenbeweging uit de weg.”

Therapeutische verleidingen

Terwijl ik dit punt zo sterk heb benadrukt, hebben andere begeleiders bezwaren geformuleerd. Ze zijn van tweeërlei aard. De eerste soort van bezwaar is een weerspiegeling van het therapeutisch vooroordeel van onze cultuur. We leven in een klimaat van populaire psychologie, die wil dat we de schaduwzijde van onze ervaring onderzoeken en ons eigen maken als een middel om psychologisch te groeien. Het is waar dat de groei van ons gevoelsleven vaak betekent dat we harde en moeilijke aspecten uit onze levensgeschiedenis en ervaring onder ogen durven zien, en dat vakkundige tussenkomst “die een probleem tot op de bodem toe aanpakt” een krachtig heelmiddel kan zijn. Maar de praktijk van de geestelijke begeleiding mag dan wel veel kennis ontlenen aan de psychologie, toch is ze geen therapie. Het eigen doel van de geestelijke begeleiding is iemands persoonlijke relatie met God te ontwikkelen. Therapie kan wel een bruikbare of zelfs vitale bijkomende hulp zijn bij de begeleiding, doordat ze iemands vermogen tot het onderhouden van een relatie vergroot of optreedt tegen bepaalde remmingen onderweg. Maar wanneer bij begeleiding therapie centraal staat, is dit een teken van misverstand. Wellicht zal het begeleiders zwaar vallen om een probleemoplossende werkwijze af te leren en zich te onthouden van ingrepen die volgen op een tegenbeweging, met als motief’ “de grondoorzaak aan te pakken” van een “kwestie”. Het gaat er bij geestelijke begeleiding niet op de eerste plaats om kwesties na te vorsen of op te lossen, maar veel meer om dieper in te gaan op de godservaring, zoals die overkomt door de ervaring van het leven.

Het krachtige denkbeeld van een motivering waarvan men zich niet bewust is, heeft ertoe geleid dat wij achterdochtige mensen zijn geworden. We zijn ons maar al te zeer bewust van de verborgen bronnen van ons ervaren en handelen. Verstandelijk zijn we doorkneed in het ontleden van achterdocht. Maar de geestelijke onderscheiding waar we het hier over hebben vereist een totaal andere denkrichting: voor onderscheiding is een bijzondere en beschouwende houding vereist. Men moet genoeg vertrouwen hebben in de ervaring om ze tot uiting te laten komen en haar ware gedaante te laten zien, maar ook moet je haar genoeg in  twijfel kunnen trekken om haar als iets voorlopigs te beschouwen. Je moet niet achterdochtig, maar ook niet lichtgelovig zijn.

De voorliefde van de populaire psychologie voor de tegenbeweging wordt vaak nog verscherpt door de fascinatie die tegenbeweging van nature uitoefent. Wanneer mensen om geestelijke begeleiding komen vragen, zijn ze er vaak mee verlegen hoezeer de lijnen van hun ervaring in de richting van God gaan – gewoonlijk is dat voor hen iets nieuws, waarmee ze niet vertrouwd zijn en dat ze vaak zien als “te mooi om waar te zijn”. In plaats daarvan vermelden ze daarom uitvoerig aspecten van de tegenbeweging, die hoewel vaak onaangenaam, aantrekkelijk zijn omdat men ermee vertrouwd is. De fascinatie van de begeleider zelf voor de tegenbeweging brengt hem er vaak toe dat hij met de begeleide persoon samenspant bij het vermijden van het onderzoeken van een mogelijke beweging.

Niettemin houd ik vast aan de stelregel “blijf verwijlen bij de beweging en vermijd de tegenbeweging”. Vaak genoeg heb ik geconstateerd hoe krachtig een inzicht doorbrak, wanneer een begeleider eindelijk ophield met het ploeteren op een tegenbeweging, een voortdurend rondtollen zonder dat het tot iets leidde, en vanwege het mislukken overging op het minder duidelijke spoor van een beweging – om dan tot de bevinding te komen dat het een plaats is waar God onverwacht iets werkelijk creatiefs aan het doen is. Zulke momenten kunnen zowel in de begeleide als in de begeleider een verandering teweegbrengen. Dit onverwachte of creatieve werken van God kan evenzeer een uitdaging als een vreugde betekenen. Soms zal een begeleider verder bezig blijven met een tegenbeweging in de mening dat de begeleide ermee geconfronteerd moet worden, maar dan ontdekken dat het werk dat God doet, zodra de beweging de kans krijgt zich te vertonen en sterker te worden, veel uitdagender is dan hij ooit had kunnen denken.

Wat te denken van herhalingen?

De tweede soort bezwaar tegen “de tegenbeweging uit de weg gaan” is interessanter. In vraagvorm geformuleerd luidt dit bezwaar: wat te denken van herhalingen? Ignatius’ aanwijzingen over herhalingen schijnen in te gaan tegen onze stelregel over de keuze binnen een begeleidingsgesprek: “Ik moet de punten waarbij ik meer vertroosting, troosteloosheid of geestelijke smaak heb gevoeld, noteren en daarbij langer stil blijven staan” (GO 62).

De Geestelijke Oefeningen zijn een organisch veranderingsprogramma en daarbinnen is de herhaling een van de sleuteltechnieken. Samen met de geestelijke begeleiding zelf brengt de herhaling de exercititant tot steeds diepere gebedservaringen. Zoals we weten, bestaat de herhaling in het biddend terugkeren naar die plaatsen waar er iets aan het gebeuren is, waar iets nog niet is afgerond. Ignatius schijnt aan te raden dat we voor verder gebed zouden terugkeren, niet alleen naar de plaatsen van vertroosting, maar ook naar die van troosteloosheid. Waarom zou Ignatius willen dat iemand terugkeert naar een aspect van zijn ervaring dat hem per definitie wegvoert van God? Als we alleen maar zeggen dat men zich door een ervaring van duisternis heen kan worstelen en dat deze uiteindelijk tot het licht kan voeren, is dat alleen zinvol als de woorden vertroosting en troosteloosheid losjesweg gebruikt worden als aanduiding van aangename of onaangename gemoedstoestanden. Strikt gesproken, wat voor zin zou het hebben terug te gaan naar een plaats van werkelijke troosteloosheid,  indien er ergens een plaats van ware vertroosting te vinden is? Boud gezegd, waarom je afwenden van God naar een plaats waar God niet is? Meer fijntjes gezegd, waarom tijd besteden aan mijn afwending van God en de vele redenen en invloeden daarvan, als God eenvoudigweg elders te vinden is?

Ignatius roert deze punten zelf aan bij het bespreken van de oorzaken van troosteloosheid (GO 322). Ignatius voelt van nature aan dat de mens gemaakt is voor vertroosting – gemaakt is om God te vinden in alle dingen – maar dat troosteloosheid weliswaar nooit door God wordt veroorzaakt, maar wel dienstig kan zijn voor een goddelijke bedoeling. Troosteloosheid kan ons nederigheid en doorzettingsvermogen bijbrengen. Troosteloosheid kan ons leren hoezeer we afhankelijk zijn van genade. En ofschoon Ignatius er alleen op zinspeelt, kan een ervaring van troosteloosheid, voor zover deze het tegendeel is van vertroosting, ons laten zien waar we voor vertroosting naar moeten uitkijken, of duidelijk het contrast doen uitkomen met het werk dat God in de troosteloosheid aan het doen is. Op het eenvoudigste niveau kan men Ignatius’ richtlijnen voor herhaling beschouwen als het benadrukken van die gebieden van onze ervaring waar iets gebeurt dat geestelijke betekenis heeft, eerder dan als een tot ons gerichte uitnodiging om “de kwade geest te volgen”.

Maar er zijn ook andere dingen aan de hand. Wat Ignatius over herhaling zegt, belicht ook een ander belangrijk element in het proces van de onderscheiding der geesten. Wanneer ik, als iemand die de Geestelijke Oefeningen doet, een ogenblik blijf stilstaan om na te gaan wat ik ondervonden heb, en zoek naar iets om weer op terug te komen, dan begint, juist met het ontdekken van de betekenis van wat ik dan tastenderwijze aanduid als vertroosting of troosteloosheid, zich een verandering te voltrekken. Wat ik misschien eerst louter als iets onaangenaams had ervaren, noem ik nu in een diepere zin ongewenst. Met de erkenning dat een bepaalde gemoedstoestand niet alleen onaangenaam is, maar ook ingaat tegen mijn groeiend verlangen naar God, begint er ook een verandering op te treden in de wijze waarop ik die toestand ervaar. De troosteloosheid waarop ik terugkom, is al aan het veranderen in vertroosting doordat ik ze herkend en benoemd heb – door de onderscheiding ervan.

We moeten nog verder gaan. Er moet nog een ander onderscheid gemaakt worden met betrekking tot de rol die vertroosting en troosteloosheid bij de herhaling spelen; het onderscheid namelijk in de schaal waarop, in de betekenis waarin een wetenschapsbeoefenaar dit woord zou gebruiken om de verschillende niveaus van benadering te beschrijven. Ignatius spreekt voor het eerst over vertroosting en troosteloosheid (GO 316-317) wanneer hij het soort bewegingen beschrijft die de goede en kwade geesten teweegbrengen. Hij belicht vooral de kleinschalige ervaringen die het mensenhart beroeren: de lijnen van beweging en tegenbeweging waartussen we willen kiezen. In dit verband lijkt troosteloosheid praktisch synoniem met “veroorzaakt door de kwade geest”, en vertroosting met “veroorzaakt door de goede geest”. Maar soms hanteert Ignatius een grovere schaal, wanneer hij over vertroosting en troosteloosheid spreekt als over min of meer blijvende stemmingen, of zelfs in het kader van de richting van iemands leven in het algemeen.

Ignatius’ duidelijkste grove schaal is zijn opmerking dat vertroosting misleidend kan zijn, veroorzaakt kan worden door de “kwade engel, die de vorm aanneemt van de engel van het licht” (GO 331-332). De kleinschalige en de grootschalige betekenis van vertroosting kunnen met elkaar in botsing komen. Het kernpunt is dat in de taal van Ignatius vertroosting en troosteloosheid niet alleen gebruikt worden voor de afzonderlijke bewegingen ieder op zich, maar ook voor wat zich op meer algemene en uitgebreide wijze in de ziel afspeelt: vertroosting op momenten dat men in een goede, op God gerichte stemming verkeert, en troosteloosheid op tegenovergestelde momenten.

Het is echter mijn ervaring dat de toestanden van vertroosting of troosteloosheid in wijdere zin niet steeds op dezelfde wijze gekleurd zijn. Tijdens iedere periode van vertroosting zijn er op microniveau stromingen van beweging en tegenbeweging; en iedere periode van troosteloosheid kent in geringere mate beide soorten van beweging. Het kan zijn dat de stemming in haar geheel naar een bepaalde richting neigt, maar beweging en tegenbeweging spelen steeds een rol en moeten onderscheiden worden. Op dit niveau geldt de stelregel “blijf bij de beweging en ga de tegenbeweging uit de weg”, en deze regel is evenzeer van toepassing wanneer de algemene stemming neigt naar troosteloosheid als wanneer de vertroosting overheersend is.

Als de richtlijnen voor de herhaling aangeven terug te gaan naar een plaats waar we troosteloosheid ondervonden hebben, dan heeft dat betrekking op een grover, algemener niveau, waarbij wordt aangegeven dat we contact moeten blijven houden met de kolkende stroom van goede en slechte bewegingen, en dat we door gebed en onderscheiding iets laten gebeuren. Het is juist op dergelijke plaatsen dat we leren te onderscheiden. De herhaling brengt ons naar de plaats waar we de verschillende bewegingen die wij ervaren, kunnen onderscheiden: “de goede om erop in te gaan, de slechte om ertegen in te gaan”.

 Het geval van Ken

Misschien is het nuttig aan de hand van een gedachte-experiment de praktische verschillen te belichten tussen de twee wijzen van benaderen. Denkt u zich in dat u de Geestelijke Oefeningen aan het geven bent aan iemand.

Ken zag zijn inzicht sterk verhelderd, terwijl hij met Jezus bad over zijn werk. Sinds de laatste keer dat u hem zag, heeft hij gebeden over de laatste verzen van Lucas 9, waarin scherp onderstreept wordt hoeveel het zal vragen als iemand Jezus wil volgen. Ken raakt erdoor van streek. Zijn gebed heeft hem geschokt. Hij denkt niet sterk genoeg te zijn om Jezus te volgen. Hij heeft bedacht op welke wijzen hij beproefd zou kunnen worden en deze proef niet zou doorstaan. Voor de herhaling heeft hij de woorden hernomen: “Vossen hebben hun hol en de vogels van de hemel hun nest; maar de Mensenzoon kan nergens het hoofd neerleggen.” Ook de Jezus uit zijn gebed lijkt te zijn veranderd – lijkt donkerder, bijna bitter.

Duidelijk verkeert Ken in troosteloosheid, en het eerste wat u als zijn begeleider te doen hebt is de zevende Aantekening te volgen, vriendelijk en bemoedigend te zijn en opening te bieden voor het terugkeren van de vertroosting. Maar om dit effectief te kunnen doen, moet u twee vragen beantwoorden. Welke zijn de kanten van Kens ervaring waarbij u langer wilt blijven stilstaan en die u wilt uitdiepen in het net begonnen gesprek? En welke stof voor gebed zult u hem aanbieden voor de komende dag?

Iedereen aan wie ik deze casus ter bestudering voorleg, voelt aan dat de uitdaging waarvoor Ken staat van groot belang is en niet weggepraat mag worden. Niemand wil het met zijn antwoord goedpraten (“het is heel gewoon dat je je door een dergelijke lezing uitgedaagd voelt”) of aankomen met als steun bedoelde algemeenheden  (“maak je maar geen zorgen”) en “ga toch maar door naar de oefeningen van de volgende dag”. Er is iets aan de hand waarbij moet worden stilgestaan. Maar over de wijze waarop men hierbij moet blijven verschilt men op wezenlijke punten van mening.

Bent u geneigd om Ignatius’ raad grofweg te volgen, dan zou u meelevend en actief luisteren naar Kens verslag over zijn gebed, hem tot het geven van nadere verheldering bewegen, hem helpen te komen tot het kernpunt van de uitdaging zoals hij die ervaart, hem ertoe brengen te erkennen en duidelijk uit te spreken wat er gevoelsmatig aan de hand is, en zo meer. Daarna zou u Ken aanraden terug te gaan naar Lucas 9 (met of zonder soortgelijk ondersteunend materiaal) en door te gaan met te bidden om de genade die hij zoekt.

Ik betitel dit als een grove aanpak, omdat hij weliswaar het beginsel van de herhaling respecteert, maar aan de fijne nuance van de onderscheiding voorbijgaat. Zou u als begeleider aandacht besteden aan deze fijnere nuance, dan zou u erop toezien de beweging en de tegenbeweging vast te stellen, de ene om ze te aanvaarden, de andere om ze af te wijzen. De tegenbeweging is duidelijk omschreven: Ken is in verwarring, hij twijfelt aan zichzelf, is bang voor moeilijkheden en mislukkingen, en Jezus zelf klinkt hem bitter in de oren en minder zijn liefde waardig. Maar waar is de beweging? Waartegen gaat de tegenbeweging in? Misschien zal de gedachte aan de voorafgaande dagen u een aanwijzing geven, of het kan zijn dat u de ingeving krijgt te vragen hoe de tegenbeweging begon.

 – Hoe werd je stemming zo donker gisteren? Wanneer veranderde ze?

 – Het begon toen ik de woorden zei: “Ik wil U volgen waarheen U ook gaat.” Ik dacht dat ik zo idealistisch bezig was, maar toen ik die woorden tot Jezus zei, klonken ze opeens zo hol … en ik zag dat Jezus dat ook hoorde … en ik kon zijn blik niet verdragen.

 – Dat was dus  het moment dat de stemming omsloeg? Herinner je je wat er vlak daarvoor gebeurde?

 – O, jawel! Ik was naar Jezus’ gezicht aan het kijken … er was daar iets wat mij raakte. Schokte, misschien? Hij leek zo kwetsbaar. Het dorp in Samaria had Hem niet willen ontvangen … en Hij leek verloren, gekrenkt.

 – Dat trof je?

 – Ik voelde geweldig veel medelijden met Hem … alsof ik Hem in zijn innerlijk kende … alsof ik Hem wilde troosten.

 – Leek Hij verbitterd?

 – Nee, Hij leek gekrenkt, kwetsbaar, eenzaam – hunkerend naar troost … Ik wilde Hem troosten.

Door u te concentreren op de nuance, hebt u een beweging ontdekt die Ken trekt tot een nauwere band van vriendschap en leerling-zijn, een beweging die reeds de genade van medelijden uit de Derde Week aankondigt. In vergelijking hiermee lijkt de tegenbeweging dof en voorspelbaar.

Bij verder nadenken vindt Ken, verspreid over de gehele dag waarover hij had nagedacht,  echo’s van die beweging die hij over het hoofd had gezien: bij de eucharistieviering was hij diep getroffen geweest, toen hij de hostie in zijn handen hield en de broosheid ervan voelde; toen hij wakker werd na een dutje, was hij zich bewust geweest van een eenzame maar vastbesloten Jezus, “met zijn gelaat naar Jeruzalem gekeerd”. Wanneer u Ken aanmoedigt bij deze bewegingen te blijven en u ze zich in het begeleidingsgesprek laat ontwikkelen en verder verdiepen, kunt u zien hoezeer zijn verlangen om bij Jezus te zijn groeit en gaat u merken hoe hij tot gevoelige vertroosting komt. U helpt hem om met Jezus in gesprek te gaan over dat verlangen en over de twijfels en angsten die hij eerder heeft ervaren. En dit keer deinst hij niet terug voor Jezus’ blik. Aan het eind van het gesprek hebt u het gevoel Ken te kunnen laten gaan om dat gesprek voort te zetten en terug te keren naar Lucas 9, op zoek naar de beweging die hem meer had uitgedaagd dan de tegenbeweging die hem in verwarring had gebracht.

 Blijf bij de beweging

Het maakt een levensgroot verschil uit hoe we omgaan met de herhaling. Het is totaal iets anders te blijven verwijlen bij de beweging of bij de tegenbeweging. Ik wil niet ontkennen dat God regelmatig en creatief aan het werk is wanneer we de Oefeningen geven op een “grofkorrelige” wijze, of geestelijke begeleiding geven die voorbijgaat aan de fijnkorreligheid van beweging en tegenbeweging. Zoals we allen hebben ervaren, wordt God niet heel en al gedwarsboomd doordat we onvoldoende luisteren of door onze zonderlinge en ongeschikte aanwijzingen voor het gebed. Maar nadrukkelijk wil ik zeggen dat het de eerste verantwoordelijkheid van de begeleider is te werken met de “fijne korrel” van de ervaring, door de retraitant te helpen bij de beweging te verwijlen en de tegenbeweging uit de weg te gaan. Het toepassen van Ignatius’ wijsheid aangaande de herhaling heeft kort en goed geleid tot de betrekkelijke verwaarlozing van zijn belangrijkere aanwijzingen om de goede geest te volgen en de slechte af te wijzen. Wij zijn er om anderen te helpen mee te werken met de ingrijpende verandering die God in hen aan het totstandbrengen is. Een dergelijke benadering is in een bepaald opzicht zeer doelgericht en kan de retraitanten in staat stellen om op zeer onverwachte wijzen vooruitgang te boeken. Maar ze blijft – echt ignatiaans – “onverschillig”, niet gericht op een bepaald resultaat. Het gaat erom krachtig te zeggen: “Blijf hier staan”, en dan af te wachten wat er gebeurt.

En hoe verder met mijn situatie waarmee we begonnen? Ik zat daar met mijn begeleider, en op haar vraag hingen er twee antwoorden in de lucht: “Stroop uw mouwen op” en “Hoi, makker”. We konden langs twee wegen verder op onderzoek gaan: welke van de twee zouden mijn begeleider en ik moeten inslaan? Ik denk dat u nu reeds op een van de twee als winnaar gewed hebt. Maar wat ik werkelijk wil zeggen is dat men onmogelijk een antwoord kan geven op zulke abstract gestelde vragen. We kunnen alleen een weg vinden als we, tegenover iemand zittend, de bewegingen in zijn of haar ervaring kunnen onderscheiden, “de goede om ermee in te stemmen en de kwade om ze af te wijzen”.

uit: The Way 45/1 (januari 2006)

vertaling: Felix van Voorst tot Voorst S.J.

Print Friendly, PDF & Email