Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Geestelijke Oefeningen - Begeleiden / “Handen thuis” of de “revolutionaire kracht van de tederheid”

“Handen thuis” of de “revolutionaire kracht van de tederheid”

Redactie Cardoner on 28/03/2018 - 9:11 am in Geestelijke Oefeningen - Begeleiden

Nabijheid en afstand in relaties van zielzorgers (m/vr).
door Herman Kügler S.J.

Hoe geven wij – in het bijzonder binnen het pastorale werk – op een verantwoorde manier gestalte aan menselijke nabijheid in allerlei vormen van relatie? Elkaar ontmoeten: op afstand of nabij, vol tederheid of angstig? Zowel op het werk als privé gaat het hier om een uitdaging. De apostel Paulus kon het zo zeggen: “Groet elkaar met een heilige kus” (2 Kor 13, 12); Paus Franciscus spreekt van de “revolutionaire kracht van de tederheid” (Evangelii Gaudium, nr. 288).

Na de debatten over misbruik binnen de Duitse kerk in de afgelopen jaren moeten de vragen opnieuw geformuleerd worden omdat veel mensen fundamenteel onzeker geworden zijn. Toegewijde parochianen stellen zich de vraag of ze hun kinderen überhaupt nog kunnen toevertrouwen aan kerkelijke scholen en internaten, of aan priesters binnen het kinder- en jeugdwerk. Priesters en kerkelijke medewerkers leven met dezelfde vragen: Kunnen ze nog onbevangen omgaan met hen die aan hun zorg zijn toevertrouwd? Kunnen ze lichamelijk uitdrukking geven aan nabijheid en aandacht aan kinderen en jongeren? Kunnen ze kinderen nog wel troosten als ze huilen, ze op hun schoot nemen of omarmen als ze verdrietig zijn? Binnen de kerk heerst ondertussen een “zerotolerancebeleid”: aanraken, strelen en tederheid in het algemeen is absoluut taboe: je mag met kinderen en met wie toevertrouwd is aan je zorg niet meer alleen in een kamer verblijven.

Maar gaat met dergelijke rigide voorschriften ook niet veel waardevols verloren? In een training voor hen die beginnen aan een beroep in kerkelijke dienst vertelt een jonge kapelaan dat hij het niet meer aandurft om met kinderen en jeugdigen op tentenkamp te gaan omdat hij het risico niet wil lopen verdacht te worden van ongepast gedrag. Dat soort onzekerheid is er ook bij priesters als het gaat om de vraag hoe vorm te geven aan persoonlijke vriendschappelijke relaties: Wat kan en wat kan niet? Wat is passend en wat is onbehoorlijk?

Wanneer mensen alleen nog maar de optimale graad van afstand in acht nemen en de optimale nabijheid vermijden, dreigt er toch wel een en ander verloren te gaan. Als geslaagd voorbeeld van mensvriendelijke lichamelijke en tedere zielzorg kan paus Franciscus gelden. Toen hij in het begin van zijn pontificaat op 19 maart 2013 zijn inaugurale rede hield, sprak hij de mensen die op het Pietersplein in Rome en wereldwijd via de media naar hem luisterden moed in: “Zorg dragen voor iemand vereist goedheid en vraagt om beleefd te worden met tederheid.” Ook nodigde hij uit: “We moeten niet bang zijn voor tederheid!” Bij een receptie voor 120 leden van de Vereniging voor mannelijke ordeoversten in de herfst van 2013 onderstreepte hij de grote betekenis van de orden voor het leven van de katholieke kerk en het doorgeven van het geloof. De paus zei dat de orden iedere vorm van huichelarij en klerikalisme dienen te vermijden. De geestelijke vorming van de leden van de orden heeft als doel “leden te vormen die een teder hart hebben en geen hart dat zo zuur als azijn geworden is”. “Tederheid”, “tenerezza”: telkens weer herhaalt Franciscus dat woord dat in de preek bij zijn ambtsaanvaarding meerdere keren terugkwam. God die machtig is, is “niet bang voor tederheid”. Iemand die in de zielzorg werkt, moet kunnen huilen, vechten en strelen. In verband met kinderen, senioren en zieken vraagt hij aan de priesters van zijn diocees: “Streel je hen, of schaam je je ervoor, een oud mens te strelen?”

 Nabijheid en afstand in persoonlijke en beroepsmatige relaties

Maar zo eenvoudig is de vertaling naar de praktijk nu ook weer niet. Omdat wij mensen zijn en geen engelen is het verstandig altijd rekening te houden met de heftigheid van menselijke gevoelens die wij in de gewone situatie van alledag het liefst verdringen. Ook de meest vrome mens wordt een mensenleven lang geconfronteerd met fantasieën, gevoelens en impulsen die hij of zij niet of maar gedeeltelijk in overeenstemming kan brengen met het beeld dat hij of zij van zichzelf heeft. Men dient in deze zaken tot een eigen standpunt te komen en ze een plek te geven in zijn levensplan. Als dat niet lukt, staat hij of zij voor de uitdaging, bewust en gekozen, van hun bevrediging af te zien.

Daarbij moet onderscheid gemaakt worden tussen symmetrische en asymmetrische relaties, dus relaties op “gelijke ooghoogte” en die waar ongelijkheid speelt. Waar het gaat om het opbouwen van persoonlijke relaties is het zaak “emotionele intimiteit” te ontwikkelen, maar in een professionele situatie zal men de daarbij passende vakmatige normen in acht moeten nemen en respecteren. Wanneer je uitgaat van het standpunt van de dieptepsychologie kun je ook spreken van relaties die volgens het “ouder-kind” model vorm moeten krijgen en van betrekkingen volgens het model van een “broer-zus-relatie”.

De eerste relaties in het leven zijn in zekere zin eenzijdig. Ideaaltypisch geven ouders zó vorm aan de relatie met hun kinderen dat ze zich aan hen geven zonder iets terug te verlangen. In het ideale geval houden ze niet van hun kinderen vanwege hun prestaties maar omwille van henzelf. Kinderen zijn voor hun ouders dan ook geen partner en ouders dienen het incesttaboe, het onthoudingsgebod en de grens tussen de generaties strikt in het oog te houden en te onderhouden. Wij mensen doen met onze eigen ouders onze eerste ervaringen op van hoe we vorm moeten geven aan asymmetrische relaties. Die ervaringen zijn later in ons eigen leven min of meer een hulp. Om aan volwassen asymmetrische relaties vorm te kunnen geven, leren we van onze ouders – nog altijd in het ideale geval – samenwerking, confrontatie en helderheid betreffende taken. We leren om de ander of anderen in relaties te begrijpen en waar te nemen en tegelijk een voorbeeld bij de hand te hebben voor ons handelen; een beroepsmatige “setting” te hanteren en ten toon te spreiden. We kunnen nog iets belangrijks van hen leren: de vaardigheid tot onthouding. Daarmee bedoel ik de bewuste, weloverwogen terughoudendheid en het afwijzen van eigen behoeften in asymmetrische relaties.

In de relatie met broers en zussen leren we andere dingen die even belangrijk zijn. Met onze broers en zussen maar evengoed met speelkameraadjes en vroege vriendjes en vriendinnetjes doen we de eerste ervaringen op van liefde en nabijheid, ruzie, vechten en doorzettingsvermogen tussen gelijken. We beleven en ervaren onze primaire behoefte om grenzen te verleggen en nieuwsgierig te zijn en ook dingen uit te zoeken waar de ouders niets van mogen weten. In het ideale geval worden we met deze ervaringen toegerust om aan de relaties tussen gelijken vorm te geven, dus voor vriendschap en partnerschap.

De mannelijke of vrouwelijke zielzorger – of die nu celibatair leeft of niet – zal dus goed dienen te onderscheiden hoe hij of zij vorm geeft aan pastorale relaties die uit de aard van de zaak asymmetrisch zijn, en moeten zijn, en hoe sympathie en gevoelens in betekenisvolle relaties en vriendschappen uitgedrukt dienen te worden.

Professionele pastorale relaties

 In vergelijking met een therapeutische relatie of counselingsituatie heeft de professionele pastorale relatie een paar eigen kenmerken. Een therapeutische behandelingsovereenkomst voltrekt zich in een daarvoor geëigend kader volgens daarvoor afgesproken tijdseenheden en beschikt over “zekerheidssystemen” die vanzelfsprekend horen bij een professionele setting. Bij psychoanalyse bijvoorbeeld is “alles” geoorloofd zolang men op het niveau van gespreksvoering blijft en dat niveau niet verlaat. Eenvoudig geformuleerd: iedere psychoanalyticus weet dat er onheil op de loer ligt aan de andere kant van de divan! Aanrakingen beperken zich tot het geritualiseerde geven van een hand bij wijze van begroeting of afscheid. Er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de verschillende rollen in de communicatie. Zo hebben therapeut en patiënt buiten de therapeutische setting gewoonlijk geen contact op een ander niveau zoals bijvoorbeeld in de vrije tijd of tijdens het werk.

In tegenstelling tot de therapeutische setting of bij counseling is het kader waarin pastoraal contact plaatsvindt meestal niet zo helder gedefinieerd. Het “klassieke” geval waarin een parochiaan ook bij de pastoor gaat biechten, zal in de huidige tijd niet meer zo vaak voorkomen. Maar minder zeldzaam is de volgende situatie: iemand is min of meer actief in een parochie, maakt zich daar verdienstelijk met groepswerk of andere initiatieven of werkt mee in de parochieraad of het kerkbestuur. Maar zodra het gaat om een huwelijkssluiting, eerste communie van de kinderen of de begrafenis van een familielid verschuiven de communicatiepatronen. Als een pastoor niet helemaal zonder hart en gevoel is, zal hij vanzelfsprekend deelnemer worden en de professionele afstandelijkheid loslaten.

Daar komt nog bij dat het onderscheid tussen een pastorale relatie en een goede collegialiteit en vriendschap feitelijk niet zo gemakkelijk te maken is en dat het ene zich uit het andere kan ontwikkelen en feitelijk ook ontwikkelt. Zolang de veranderingen in de relatie onderkend worden en bespreekbaar zijn, men ze bewust laat gebeuren en vormgeeft, is dat geen probleem. Maar de ervaring leert helaas dat altijd weer sprake is van onhelderheid en grensoverschrijdingen, ofwel vanwege onkunde en onrijpheid van de kant van een pastoraal werker, ofwel omdat een dergelijke persoon grenzen bewust verlegt en een medemens die zich aan haar/hem heeft toevertrouwd voor eigen doeleinden emotioneel gebruikt dan wel bewust misbruikt.

Wie als zielzorger (m/vr) te maken heeft met andere mensen zal zich uitdrukkelijk en bewust het een en ander moeten realiseren en helaas is het niet zo eenvoudig dat het voldoende is om naar lezingen te gaan, boeken te lezen en een enigermate verzorgd gebedsleven op te bouwen. Zo iemand moet niet alleen haar/zijn eigen waarden maar ook haar/zijn behoeften kennen en inzicht hebben in de specifieke gevarenzones die er zijn. Zo iemand moet weten hoe het gesteld is met haar/zijn seksuele identiteit en of zij/hij bijvoorbeeld aangetrokken wordt door personen van het eigen of van het andere geslacht. Voor het aangaan van professionele pastorale relaties zouden de volgende raadgevingen kunnen helpen:

A – Ik beschouw mezelf en mijn medemensen in de eerste plaats vanuit de invalshoek van levensverrijking en niet vanuit die van mogelijk gevaar

In het eerste boek van de Bijbel, het boek Genesis, lezen we in het Bijbelse scheppingsverhaal (Gn 1 en 2): Wanneer God de wereld schept, ziet Hij dat wat Hij doet goed is en wanneer Hij de mens schept, ziet Hij zelfs dat dat “zeer goed” is. En het is “niet goed dat de mens alleen blijft”. Vanuit deze achtergrond kan ik me als zielzorger de vraag stellen of ik mijn medemens primair zie als iemand van wiens kant gevaar dreigt of als iemand die mijn leven verrijkt en wiens leven ik zelf ook verrijken kan. Dat zal een stempel drukken op mijn omgang met hem of haar. Ik zal eerder moeite doen om geslaagde relaties te ontwikkelen dan er angstig op te letten geen fouten te maken.

B – Ik vermijd beslist de bekoring een “bloedeloze ambtenaar van de kerk” te worden

Priesters en zielzorgers moeten in hun doen en laten een mensvriendelijke God verkondigen, een Jezus representeren die vol aandacht is en vervuld zijn van een levengevende Heilige Geest. Bovendien is het belangrijk om doel en middelen niet met elkaar te verwisselen. Het doel is te getuigen van het geloof. De God in wie christenen geloven, is geen God over wie je kunt beschikken. Dat betekent dat goede zielzorgers geen systeem vertegenwoordigen, maar mensen uitnodigen zelf relaties aan te gaan en hun eigen weg te vinden. Een middel op deze weg kan zijn: Jezus van Nazareth niet alleen na te volgen maar hem ook in je eigen leven te imiteren en zelf zo te leven als Hij geleefd heeft: arm, kuis, gehoorzaam. Het doel daarbij is niet het schoonheidsideaal van een volmaakte mens die tot zelfontplooiing gekomen is. De hoekigheid van mensen die op hun eigen manier zeer verschillend zijn lijkt me meer welkom dan een kerkelijke ambtenaar die probeert op een of ander ideaal te lijken: steeds evenwichtig, saai en middelmatig vanwege het te bewaren evenwicht, half star en mild vanuit een permanente angst agressief over te komen, steeds moeite doend om bewust echt en vol begrip te zijn voor alles en iedereen. Dit visioen komt niet overeen met het grondmodel van het christelijke mensbeeld.

C – Ik werk aan mezelf met als doel menselijk en spiritueel te groeien, ook als dat pijn doet.

In de vorming tot pastorale beroepen dient het doel van “tot menselijke rijpheid komen” een vaste plaats te hebben – zoals het trouwens al is vastgelegd in de kadervorming voor de priesteropleiding. De vertaling daarvan houdt het streven in om zo realistisch mogelijk de onderbewuste motieven helder te krijgen waarom iemand priester dan wel zielzorger wil worden. Wil het doel van de vorming, namelijk het vinden van je eigen identiteit, kunnen slagen dan heeft dat consequenties voor de manier waarop de opleiding en voortgezette vorming gestalte krijgt: waar zetelt het “hart” van de zielzorger (m/vr) en wat wil zij of hij echt ten diepste? Dat betekent dat toekomstige zielzorgers de conflicten en spanningen in hun eigen leven zodanig verwerkt hebben dat ze andere mensen verantwoord kunnen begeleiden.

D – Levenslang zorg ik ervoor mijn talent meer en meer te ontwikkelen zowel wat betreft intimiteit als transcendentie

De psychotherapeut Wunibald Müller is ervan overtuigd: een mens die gezond en authentiek celibatair wil leven, heeft ervaring nodig op het gebied zowel van intimiteit als transcendentie en moet ervoor zorgen dat hij of zij zich voortdurend verder blijft ontwikkelen in beide ervaringsgebieden. Daarbij betekent “intimiteit” voor hen die celibatair leven niet genitale intimiteit maar de vaardigheid en de bereidwilligheid om zich zo te laten zien aan mensen met wie hij meer persoonlijk contact heeft zoals hij of zij werkelijk is. Dat betekent: de eigen vragen en onzekerheden niet verbergen achter een schijnbaar professionele façade en ook niet bij anderen angst veroorzaken, maar vertrouwen schenken en de ander hoogachten evenals zichzelf. Zo iemand is in staat betekenisvolle relaties op te bouwen en diepe vriendschappen aan te gaan. Op die manier wordt duidelijk dat intimiteit belangrijk is voor iedereen die pastoraal bezig is.

Zonder een regelmatig gebedsleven met een vast patroon zal er geen sprake kunnen zijn van ervaringen van transcendentie. Gebed, meditatie, contemplatie – zowel individueel als in gemeenschap – zullen voor een zielzorger boven alle andere bezigheden een hoge prioriteit moeten hebben. De tijd daaraan besteed mag niet krap zijn en niet aan iets anders worden besteed. Je gebedsleven wordt belangrijker naarmate je het boven andere zich aandienende bezigheden stelt.

E – Ik ontwikkel mijn vermogen tot onthechting

Ongeveer honderd jaar geleden stelde Siegmund Freud dat het leven bestaat uit “liefhebben en werken” en dat een mens psychisch gezond is als zijn vermogen tot liefde, arbeid en genieten zich heeft kunnen ontplooien. Daar hoort bij de vaardigheid om zich te onthechten van dingen. Die vaardigheid is de keerzijde van de munt waarvan op de andere kant het woord vrijheid te lezen is. Iedere student weet al na een enkel semester: als ik niet ’s morgens op tijd uit de veren kan komen en ’s avonds uit de kroeg, dan zal ik heel vlug onder ogen moeten zien dat ik mijn examens niet zal halen. Zonder de vaardigheid zich te onthechten van allerlei zaken heeft vrijheid geen kans en lukt ook een celibatair leven niet. Een mens die gekozen heeft voor een levensvatbaar en veerkrachtig levensconcept en levensvorm zal in verband daarmee ook moeten zorgen voor situaties waarin die levensvorm haalbaar wordt en situaties moeten vermijden die dat blokkeren. Het is heel duidelijk dat dit zwaar en moeilijk kan zijn; dat mag je niet verbloemen of ontkennen.

F – Ik heb moed en fantasie om relaties op te bouwen en vorm te geven

De voorzorgsmaatregelen die ten gevolge van de gevallen van seksueel misbruik intussen geaccepteerd en doorgevoerd zijn, zijn juist en belangrijk. Maar we moeten de eis blijven stellen de kerk weer te laten zien als “ruimte” waarbinnen tederheid en zintuiglijkheid een juiste plaats krijgen. Daar is de God aanwezig waarvan Thomas van Aquino en Bonaventura zeggen dat Hij via onze zintuigen in ons leven binnenkomt. In een goede relatie onderzoek ik of iets past of niet. Ik ben me er bijvoorbeeld van bewust of ik met een schertsende opmerking of een grap de andere beschadig of dat die mee kan lachen. Ik voel aan of een omarming passend is of niet. Wanneer ik met iemand een goed contact heb dan voel ik aan of ik de ander te na kom of te afstandelijk ben. Ik let erop en werk eraan dat ik mijn verleden ken en mijn toekomst ontwikkel, dat ik handel in het tegenwoordige, me laat dragen door de gelijkwaardigheid met de ander, maar ook het anders-zijn van de ander accepteer, dat ik de kans benut om van elkaar te leren en niet passief blijf als er zich mogelijkheden aandienen me te ontwikkelen.

G – Ik oefen de kunst van het communiceren en stel me kwetsbaar op

Het “toverwoord” bij iedere vorm van menselijk contact is communicatie of het nu gaat om een asymmetrische of een symmetrische relatie. In een relatie, evengoed tussen gelijken als tussen ongelijken, zal een zielzorger (m/vr) ook de moeilijke en pijnlijke punten helder aanspreken. Zij/hij weet immers dat een goede relatie werkt als een veiligheidsnet dat valpartijen opvangt. En als het nodig is, zal zij/hij ook een constructief gevecht niet uit de weg gaan.

Criteria voor het vormgeven aan persoonlijke relaties

Nu is het maar te hopen dat de priester en de zielzorger (m/vr) niet alleen professionele relaties onderhoudt maar dat haar/hem ook persoonlijke vriendschappen gegund zijn. Hoe geeft men dan uitdrukking aan genegenheid of hoe laat men deze juist achterwege? De relaties waaraan een mens deel heeft, kan men beschrijven in een beeld van vier concentrische cirkels. In de binnenste kring is voor een getrouwd iemand de plaats van zijn gezin; men heeft met elkaar een gezamenlijke levensgeschiedenis. De tweede kring is de vriendenkring. In de derde kring, al meer naar buiten, bevinden zich kennissen en collega’s van het werk. En de vierde en buitenste kring is de publieke sfeer.

Bij iemand die celibatair leeft, blijft de binnenste kring leeg. Hij of zij deelt met niemand een intieme partnerschap. Vaak hoor je dat bij de priester in de binnenste kring God thuis zou zijn. Het komt bij mij ideologisch over als men zegt dat God die leemte zou vullen. Hij vult die leemte helemaal niet maar houdt deze juist in stand. God is de dragende grond van alle menselijke betrekkingen en Hij is geen gatenvuller wanneer het aan menselijke nabijheid ontbreekt. Er is ook niets dat voor een priester de afwezigheid van een geliefde medemens kan vervangen en dat moet je ook helemaal niet proberen; je moet het eenvoudigweg uithouden. In eerste instantie klinkt dat heel hard maar het is tegelijkertijd een grote troost. Want doordat de leegte werkelijk niet gevuld wordt, maakt ze de priester duidelijk dat hij de vervulling waar hij wellicht van droomt in deze wereld nooit vinden zal.

Dat betekent helemaal niet dat een zelfgekozen celibatair leven alleen maar moeizaamheid, last en een zwaar noodlot inhoudt. Een mannelijke religieus drukte de positieve waarde van deze levensvorm eens zo uit: “Ik heb geen eigen huis – maar ik heb tot op heden overal waarheen ik gestuurd werd een huis gevonden. Ik heb geen levensgezellin aan mijn zijde, geen gezin en kinderen – maar er zijn mannen en vrouwen die mij geschonken werden als kostbare vrienden en vriendinnen, en ik krijg toegang tot harten van mensen waar anderen die toegang niet vinden. Tenslotte kan ik niet zelf beslissen wat ik doen en laten kan – maar tot op heden heb ik steeds werk gedaan dat voor anderen en ook voor mijzelf zinvol en waardevol was.” Voor het vormgeven aan vriendschapsrelaties kunnen de volgende vragen helpen.

1 – Is de relatie open naar anderen of is ze exclusief?

Daarmee bedoel ik het volgende: een exclusieve liefdesrelatie bestaat hierin dat men met een andere mens een duurzame levensgemeenschap vormt. In romantische termen uitgedrukt: “Alleen jij, en jij alleen – voor altijd en eeuwig”. Maar ook met goede vrienden en vriendinnen bouwt men geen gemeenschappelijke levensgeschiedenis op maar laat men elkaar deelnemen, geeft men elkaar een deel in de eigen levensgeschiedenis. Men is steeds beter in staat om tot betekenisvolle relaties te komen en geeft daar vorm aan in overeenstemming met de eigen levenskeuze.

2 – Helpt de relatie te groeien in de gekozen levensvorm of leidt ze er juist vanaf?

Met dit criterium bedoel ik niet dat het erom gaat om bij wijze van spreken een kosten-batenanalyse te maken wat betreft de eigen relaties en vriendschappen, zo’n beetje volgens het motto: hoeveel energie moet ik investeren en wat krijg ik er dan voor? Bedoeld is eerder dat men zich de vraag stelt en onderzoekt of nieuwe contacten iemand helpen zijn eigen leven vorm te geven en te verdiepen dan wel of ze dit proces tegenwerken. Laat en maakt een relatie je vrij of benauwt ze? God is een God die vrijheid laat. Zoals de christelijke boodschap niet bedoelt iemand nieuwe lasten op te leggen maar van de oude te bevrijden, kan het heel verhelderend zijn na te gaan of een vriendschap leidt tot meer vrijheid of die vrijheid juist beperkt.

3 – Bevordert een relatie het zoeken naar God of houdt ze dat juist tegen?

Van alle vragen is deze de subtielste want de relatie met God is niet zo gemakkelijk “grijpbaar” als menselijke contacten. Daartoe geef ik het woord aan Ignatius in de taal en de beeldenschat van zijn tijd:

“Het is God en zijn engelen eigen om in hun bewegingen waarachtige blijdschap en geestelijke vreugde te geven, waarbij zij alle droefheid en verwarring die de vijand veroorzaakt wegnemen. De vijand is het eigen om te vechten tegen die blijdschap en geestelijke vertroosting door schijnredenen, spitsvondigheden en aanhoudende misleidingen” (GO 329).

En dan gaat hij verder:

“Het is eigen aan de kwade engel, die de vorm aanneemt van de engel van het licht, met de toegewijde ziel een eind mee te gaan om daarna zijn zin te krijgen. Hij roept goede en heilige gedachten op die bij zo’n rechtvaardige ziel passen, en daarna probeert hij, beetje bij beetje, zijn eigen zin door te drijven en leidt hij de ziel naar zijn heimelijke listen en ontaarde bedoelingen” (GO 332).

Dikwijls ziet iets er in het begin heel goed uit maar wanneer eraan toegeven zonder na te denken, komen we van tijd tot tijd toch daar uit waar we helemaal niet heen wilden. In een vriendschap zal het goed zijn altijd weer te onderzoeken of iets ondanks het goede begin “de ziel de vrede ontneemt en tot iets brengt wat minder goed is”. Voor het concrete gebruik beveelt Ignatius aan de opeenvolging van innerlijke impulsen en gedachten te observeren:

Zijn het begin, het midden en het einde helemaal goed en geheel op het goede gericht, dan wijst dat op een teken van de werking van de goede engel. Maar het is een duidelijk teken dat iets afkomstig is van de kwade geest, vijand van onze vooruitgang en van ons eeuwig heil, wanneer het verloop van de gedachten die hij ingeeft, eindigt in iets slechts of verstrooiends of iets wat minder goed is dan wat de ziel voordien van plan was te doen; of als het de ziel verzwakt, verontrust of verwart door haar de vrede, rust en kalmte te ontnemen die zij voordien had. (GO 333)

4 – Is de relatie transparant voor derden of moet ze verborgen gehouden worden?

De grote Spaanse mystica Teresa van Avila stelt als criterium: “Doe nooit iets, wat je niet voor de ogen van iedereen kunt doen.” Als een vriendschap geheim moet worden gehouden, als iemand die celibatair is zijn vriendin of haar vriend niet kan introduceren binnen het netwerk van de sociale relaties, dan is dat tot op zekere hoogte een duidelijk teken dat iets niet in orde is met de vriendschap.

5 – Houdt de relatie rekening met de geldige sociale praktijk?

Het mag heel romantisch lijken, zich niets aan te trekken van de sociale en conventionele praktijken. Maar wie enigermate beschikt over een goed oordeel en gezond verstand zal in de vormgeving van zijn vriendschappen en vooral in de openbaarheid ervan de sociale praktijk van het desbetreffende culturele milieu in de gaten houden. Zo kan een hartelijke omarming in de ene situatie en context prima passen maar in een andere situatie voor valse veronderstellingen en een foute interpretatie zorgen.

Een levenslang proces: van Jezus leren hoe lief te hebben

 Als we onze relaties concreet vorm geven, kunnen we ons richten naar de persoon van Jezus. Angst voor aanraking was Jezus onbekend. Hij was in staat tot diepe gevoelens en gaf daar gedifferentieerd uiting aan, aangepast aan de situatie. Bij Jezus was er ook geen tegenspraak tussen zijn liefde voor mensen en die voor God. Vanuit onze beperkte menselijke waarneming zullen we misschien aannemen: hoe meer we van God houden, des te minder plaats is er in ons hart voor de liefde tot een mens of tot de mensen, of omgekeerd: naarmate we een mens van ganser harte zouden liefhebben, zou er steeds minder plaats zijn voor God.

Maar zoals Jezus tegen de dingen aankijkt, gebeurt precies het tegendeel. “U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart met heel uw ziel en met heel uw verstand (…) u zult uw naasten beminnen als uzelf” (Mt 22,37.39), zegt Hij tegen zijn leerlingen. Godsliefde en naastenliefde doordringen elkaar en interpreteren elkaar wederzijds, zonder samen te vallen. Zij zijn “onvermengd en ongescheiden”. Zo leefde Jezus bij heel wat gelegenheden. Hij laat zich aanraken en raakt aan en ervaart dat er “een kracht van Hem was uitgegaan” (Mc 5,30). Hij corrigeert hen die de kinderen weg willen jagen (Mc 10,13–16). Hij neemt bij de hand (Mc 5,41). Hij raakt een ander aan met een papje van speeksel (Joh 9,6). Hij laat zich zalven (Joh 12,1–11). Hij wast de voeten (Joh 13,1–20). Op de Olijfberg zoekt hij de nabijheid van zijn vrienden (Mc 14,32–42). Hij laat zijn wonden aanraken (Joh 20,27). Hij ademt over zijn leerlingen (Joh 20,22). Bij de vredesgroet zal Hij de anderen omarmd hebben (Lc 24,36). Zijn liefde laat vrij en brengt tot vrijheid – “Jullie willen toch niet óók weggaan?” (Joh 6,67), vraagt hij aan zijn leerlingen.

Een indrukwekkend en ontroerend Bijbels verhaal hierbij is de ontmoeting van de opgestane Christus met Maria Magdalena (Joh 20,11–18). Klaarblijkelijk wil Maria Hem die opgestaan is voor zich alleen houden. “Houd mij niet vast”, zegt Jezus haar, en niet, zoals het in vele oude vertalingen luidt: “Raak me niet aan.” Het gaat er immers niet om dat ze Hem niet zou mogen aanraken. Wat ze moet leren, is veeleer: Liefde laat vrij! Op het ogenblik dat ze in de verleiding komt zich vast te klampen, moet ze leren dat werkelijke liefde een kind van de vrijheid is. Ze gaat dus naar de leerlingen en verkondigt: ”Ik heb de Heer gezien”.  Liefde is vruchtbaar – hier op die manier dat ze een troostende, helende en hoopgevende uitwerking heeft op andere mensen.

Jezus is – niet slechts, maar ook – een tedere man die een hart voor zijn medemensen had. Zijn omgang met groepen in de marge en hen die uit de samenleving gestoten waren, maar ook zijn omgang met de vrouwen in de Bijbel laten zien dat God de mensen teder-liefdevol genegen is. Dit is de grondgedachte van de al in de jonge kerk ontstane, maar later vooral in de katholieke traditie gepraktiseerde, vroomheid tot het Hart van Jezus.

Voor allen die in de zielzorg werken – niet alleen voor de celibataire zielzorgers –, blijft het een opgave en een uitdaging menselijke nabijheid toe te laten en vorm te geven, zowel in asymmetrische als in symmetrische relaties. Vijfmaal wordt in het Nieuwe Testament de “heilige kus” vermeld. “Groet elkaar met een heilige kus”, zo besluit Paulus de tweede Brief aan de Korintiërs (2 Kor 13,12). Hij schrijft daar nu eenmaal niet “Groet elkaar met een heilige handdruk”.  En de eerste Petrusbrief eindigt zo: “Groet elkaar met de kus der liefde” (1 Pe 5,13). Het is te hopen en te wensen dat zo iets ooit weer in de kerk mogelijk zal zijn en niet uiteindelijk verboden blijft of onder algehele verdenking staat.

uit: Geist und Leben, 2/2015
vertaling: Peter van Gool S.J.

De auteur (*1952) is jezuïet in Mannheim, Duitsland, waar hij directeur is van Offene Tür waar mensen terechtkunnen voor ondersteuning en advies bij geestelijke nood en pastorale kwesties. Pater Kügler is pastoraalpsycholoog.

 

 

 

Print Friendly, PDF & Email