Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Geestelijke Oefeningen - Begeleiden / Heeft God voor ieder van ons een heel eigen plan?

Heeft God voor ieder van ons een heel eigen plan?

Redactie Cardoner on 29/11/2016 - 10:44 am in Geestelijke Oefeningen - Begeleiden

door Michel Rondet S.J.

De ignatiaanse onderscheiding kan helpen bij het maken van levenskeuzes. Men spreekt dan ook wel van het “plan” dat God met iemand heeft, zoals bij het ontdekken van jouw eigen  roeping. De Franse jezuïet Michel Rondet gaat in op enkele misvattingen die wellicht bekend voorkomen.

Beeld je dit even in: je weet dat je leven aansluit op een plan van God, sinds alle eeuwigheid vastgelegd en waarbij ieder moment, gelukkig of ongelukkig, zijn plaats en zin vindt. Maar tegelijkertijd is er dan toch ook iets in ons dat hiertegen protesteert. God zou ons zo een door ons uit te voeren programma voorschrijven, buiten onze wil om opgesteld, zelfs zonder ons veilige middelen ter beschikking te stellen om het te leren kennen? Want zo de woorden een betekenis hebben en wij over de wil van God willen praten, hoe zwaar zou dan die goddelijke wil op onze vrijheid doorwegen? En wat een angst als het erop aankomt een keuze te maken. Iedere vergissing, ieder uitstel zou dramatisch zijn! Gods plan terzijde schuiven en ons daardoor, zelfs onvrijwillig, buiten Gods plan plaatsen, betekent alles verliezen, alles verknoeien. En dit kan des te gemakkelijker gebeuren, daar wij goed weten dat Gods wegen niet onze wegen zijn en wij iedere dag beseffen hoe moeilijk en soms hoe risicovol het is om te onderkennen wat wij de wil van God noemen. Dat God ons op een kruispunt van vele wegen zou hebben gezet, waarbij slechts één richting de goede zou zijn, zonder ons de middelen te geven om die met zekerheid te leren kennen, dit roept het beeld op van een perverse God en verwoordt helemaal niet de houding van de God van het Verbond, gekomen om te redden wat verloren was.

En toch weten we dat het deze God is die ons roept bij onze naam en dat onze ontmoeting met Hem langs een weg loopt die heel speciaal de onze is. Van Abraham tot Petrus kennen we in de heilsgeschiedenis een overvloed aan voorbeelden van mannen die opgeroepen werden voor een nieuw leven, voor een duidelijke zending. Dikwijls werd die zending symbolisch in een nieuwe naam vertaald: vanaf nu zult gij Abraham heten, of Israël, of Petrus. De zending van Mozes, die van Jeremia of van Paulus lijken heel goed te beantwoorden aan een heel specifieke wil van God. Die heeft hun leven een heel eigen wending gegeven die hen naar een uitgesproken eenzaamheid heeft geleid. Zijn dit levens met een uitzonderlijke of exemplarische bestemming? Worden wij allen geroepen om eenzelfde levensweg te gaan?

Een slecht gestelde vraag

Welke priester of opvoeder die gevraagd wordt jongeren te helpen een levenskeuze te maken, heeft niet ooit eens een meisje of een jongen ontmoet die hem vol hoop en angst kwam vragen: “Ik moet een keuze maken, ik wil Gods wil volgen en ik wil mij daarin niet vergissen. Dat zou ik heel erg vinden. Maar ik weet niet wat God van mij verwacht, daarom kom ik u vragen mij middelen te geven om deze met alle zekerheid te leren kennen.”

Een antwoord geven op een zo gestelde vraag is onmogelijk. Te beweren dit wel te kunnen getuigt op zijn minst van een verwaande houding. Wie kan zich het aanduiden van Gods wil als een vanzelfsprekend weten aanmatigen? De onderscheiding betreffende Gods plannen – op het belang hiervan komen we nog terug – levert ons niet zo maar afgewerkte producten af. De onderscheiding maakt ons klaar om in onze verlangens en wensen degene te herkennen die zich op de Heilige Geest kunnen beroepen. Dit is iets heel anders.

Het enige antwoord dat wij zouden kunnen geven op de vraag die wij suggereerden, is aan deze jongen of dit meisje zeggen: “De wil van God is niet op de eerste plaats dat jij dit of dat zou kiezen. Het betekent dat jij er een goed gebruik van zou maken, dat jijzelf, na een loyale reflectie en bevrijd van egoïsme en angst, de vruchtbaarste, de gelukkigste levensweg zou kiezen. Als je rekening houdt met wat je bent, met je verleden, met je verhaal, met je ontmoetingen, met je mogelijke perceptie van de noden van de kerk en van de wereld, welk persoonlijk antwoord kan je dan geven aan de oproepen die je in het evangelie hebt opgemerkt? Wat God van jou verwacht is niet dat jij zou kiezen voor die of die weg die Hij sinds alle eeuwigheid voor jou heeft vastgelegd, maar dat jij vandaag in zijn tegenwoordigheid jouw antwoord op zijn oproep uitspreekt!”

Het gaat hem dus niet om het ontdekken en uitvoeren van een vooraf bepaald programma, maar om een bepaalde trouw te laten opgroeien. De ervaring toont aan dat dit een behoorlijk radicale verandering van gezichtspunt is en dikwijls wel enige tijd vraagt.

Een grondige bekering

Ergens in ons is er iets dat het er moeilijk mee heeft om het beeld van een perverse God kwijt te raken. Dikwijls is dit een erfenis van het deïsme dat onze westerse cultuur heeft getekend: een almachtige God die alles ziet, alles weet en voor wie de mensengeschiedenis zich afspeelt als een toneelspel zonder verrassingen en die verwacht dat ieder de rol speelt die Hij van alle eeuwigheid heeft bepaald. Niemand zal dit zo brutaal formuleren, maar je hoeft niet hard te krabben om op de achtergrond van bepaalde opvattingen dat beeld van de wil van God naar boven te zien komen.

God heeft zeer zeker een plan met de mensheid. De brieven van Paulus, de proloog van het evangelie van Johannes hebben getracht dit plan te schetsen: “Want in hem (Jezus) heeft Hij ons uitgekozen vóór de grondlegging van de wereld, om in liefde vlekkeloos en heilig voor hem te staan. Volgens zijn wilsbesluit heeft Hij ons voorbestemd om door Jezus Christus zijn kinderen te worden” (Ef 1,4-5). En: “Aan diegenen die Hem toch aannamen, heeft Hij het vermogen gegeven kinderen van God te worden” (Joh 1,12).

Dit plan van God is niet een of andere goddelijke vrije wilsbeschikking, het is een heilsplan dat het ultieme wezen van God uitdrukt: de liefde die zich wegschenkt en zich laat kennen. Het is de uitdrukking van de wederzijdse intimiteit van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest die openstaat voor de anderen om hen in hun liefde op te nemen. Dit verbondsplan omvat de hele geschiedenis en de hele mensheid. Maar vermits dit plan zijn oorsprong vindt in een wil die naar een verbond streeft, die naar eenheid verlangt, kan het zich alleen maar tot vrije mensen richten.

Het is juist dat er een Godsverlangen bestaat dat op ieder van ons persoonlijk gericht is. Zo God zich door zijn Woord laat kennen, dan is dit duidelijk opdat ieder van ons ernaar zou luisteren. Als Hij ons roept om zoon te worden in de enige Zoon, dan verwacht Hij van ons dat wij ons laten kennen in een woord dat bij het zijne aansluit.

Dit woord verwacht Hij van ieder van ons. Zijn liefde te leren kennen kan dit woord in ons tot leven roepen: aan ons om het uit te spreken, al is het ons nooit voorgezegd. Of met andere woorden: Men zou kunnen zeggen dat God, wanneer Hij ons schept naar zijn beeld en gelijkenis, ieder van ons ook oproept om aan dit beeld een eigen, persoonlijke uitdrukking te geven. Zoals Jezus aan het beeld van zijn Vader een heel eigen menselijk gezicht heeft gegeven, aan zijn woord een uniek accent, zo wordt ieder van ons opgeroepen om in zijn leven de heiligheid van de Vader te laten zien.

De God met wie we te maken hebben, is dus geen supersterke computer die in staat zou zijn de individuele levensweg van miljarden mensen te programmeren en op te volgen, en die wij dan met angst en vrees over onze toekomst zouden moeten ondervragen. De liefde heeft het risico op zich genomen ons tot leven te roepen, op hem gelijkend en toch verschillend, en om ons het verbond van eenheid aan te bieden. Naar dit gelaat van God moeten wij ons keren en bekeren, zo wij onze plaats tegenover Gods wil in waarheid willen leren kennen. Dan zullen wij die wil herkennen, niet als een dictaat of een noodlot, maar als een oproep om samen iets op te bouwen.

Een scheppingsdaad

Het antwoord dat we God zullen geven is nergens neergeschreven, niet in “het boek des levens”, zelfs niet in het hart van God, behalve als hoop en verwachting. God verwacht iets wat Hijzelf nog niet ziet en waaraan wij vorm en gestalte zullen geven. Dit maakt de grootheid en het risico van ons leven uit, dat wij geroepen worden Gods vreugde op te wekken door de kwaliteit en grootmoedigheid van ons antwoord.

De keuze die wij dan maken ontstaat natuurlijk niet vanuit het niets. Wij vormen ze met de materialen van onze menselijke gegevenheid: ons temperament en onze geschiedenis. Wij kunnen niet alles, maar wij kunnen wel zin en een eigen gestalte geven aan wat anders maar een loutere lotsbestemming zou zijn. Bij onze inspanning een persoonlijke beslissing te willen nemen als antwoord op de roepstem van God, komt de Geest ons ter hulp, niet als een externe kracht die zich aan ons zou opdringen, maar als een innerlijke kracht die in ons wordt opgewekt door het aanvaarden van Gods woord en het deelnemen aan het leven van de kerk.

Het evangelie zal ons geen keuze voorschrijven, maar het zal wel voor ons verlangen nieuwe perspectieven openen: “Jullie hebben gehoord… Maar ik zeg jullie… Zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid” (Mt 5,43–6,33). ”Ja, ik moet weggaan en voor jullie een plaats gereedmaken… en ik heb jullie de taak gegeven erop uit te gaan en vruchten te dragen, vruchten die blijvend zijn” (Joh 14,3-15,16). Het evangelie zal ons niet voorschrijven wat wij moeten doen, maar telkens opnieuw zal het ons oproepen tot de volmaakte liefde: “Wees onverdeeld goed, zoals jullie hemelse Vader onverdeeld goed is… Dit is mijn opdracht: dat jullie elkaar liefhebben met de liefde die ik jullie heb toegedragen… Zo zal ook mijn hemelse vader met jullie doen, als niet ieder van jullie zijn broeder van ganser harte vergeeft” (Mt 5,48; Joh 15,14; Mt 18,35).

Ook de kerk kan ons oproepen… voor een taak, voor het religieuze leven, voor een of andere vorm van dienstbaarheid. Maar hoe groot de nood hier ook moge zijn, zij zal nooit iemand voor een bepaalde taak aanvaarden zonder zich van zijn of haar vrije toestemming te verzekeren. Om ons bij ons antwoord te helpen, brengt zij ons in contact met een enorme menigte getuigen en daar leert zij ons tochtgenoten kennen. Hun levensverhalen, hun keuzes staan daar klaar voor onze ogen, niet om ze na te bootsen, maar om ze na te volgen. Franciscus van Assisi, Ignatius van Loyola, Theresia van Lisieux… zijn uniek en niet na te bootsen, maar het leven van ieder van hen is voor ons telkens een uitnodiging om op onze beurt ons antwoord te vinden dat God tot glorie strekt. En zo wij enige moeite doen om na te gaan hoe hun leven is gelopen, dan zullen we zien dat er niets minder te voorzien of geprogrammeerd was dan hun leven.

Met heel hun hart hebben zij naar Gods wil gezocht. Zij waren er zich zeer helder van bewust dat zij door Gods liefde waren geraakt, dat God hen het eerst had liefgehad met een liefde die zij in hun dankgebed telkens opnieuw herkenden.

Bij het maken van hun keuze hebben ze als blinden in het rond getast, geaarzeld, soms getwijfeld, om zich uiteindelijk toe te vertrouwen aan de Geest die hen naar het Koninkrijk leidde. In de meest verscheiden gebeurtenissen wisten zij een reden tot dank te vinden, God verheerlijkend zowel in de beproeving als in het succes. De ononderbroken samenhang die wij in hun levensloop bewonderen, heeft zich maar achteraf geopenbaard, toen we hun zoektocht in zijn geheel konden overzien, omvatten en begrijpen. Denken wij bijvoorbeeld aan de opeenvolgende keuzes die op de geestelijke levensweg van Charles de Foucauld hun stempel hebben gedrukt. Veel meer dan door een strakke programmatie wordt het leven van de heiligen gekenmerkt door de kwaliteit van hun geestelijke reactie op welke gebeurtenissen ook, zelfs de meest onverwachte.

Wij hebben de volgende zin van Pascal niet altijd goed begrepen: “De gebeurtenissen in ons leven zijn leermeesters die God ons schenkt om ons te helpen in zijn dienst.” We mogen hem niet meer doen zeggen dan wat Hij wil zeggen. De gebeurtenissen van ons leven zijn geen geschenk waarin God ons opsluit, het zijn trouwens niet de gebeurtenissen die een heilige van ons maken. Zij zijn wel het materiaal dat ons wordt gegeven om ons antwoord op te bouwen. Het antwoord zal wel een spoor van het gebruikte materiaal laten zien, maar veel meer het spoor van de architect die wij zijn en die er de verantwoordelijkheid voor dragen. Men kan niet alles maken van alles, maar wij kunnen altijd een eigen leven opbouwen. De liefde kan heiligheid doen groeien in de ergste menselijke omstandigheden. Het getuigenis van hen die hun leven hebben gewijd aan de vriendschap met de marginalen van onze maatschappij, met wie misdeeld en uitgesloten zijn, herinnert ons daar voortdurend aan.

Wij vragen ons af of wij mogen spreken over een heel specifieke wil van God voor ieder van ons. De kerk die ons laat leven in de gemeenschap van de heiligen, herinnert ons eraan dat het juister zou zijn te spreken over een persoonlijk antwoord van ieder van ons op het verlangen van God.

Voor een dialoog tussen twee soorten van vrijheid

God heeft ons het eerst liefgehad: wij zullen dit nooit voldoende beseffen en er gepast dankbaar voor zijn. Maar, zoals Paulus zegt: Deze liefde “heeft zichzelf ontledigd” (Fil 2:7) voor onze liefde door voor eeuwig de gestalte van een slaaf aan te nemen. Dit wil zegen dat God, als Hij ons oproept tot gemeenschap met hem, niets anders verlangt dan onze vrijheid te heiligen, haar een horizon te bieden die zich tot in het oneindige uitstrekt. “Laten we met elkaar verbonden blijven, jullie en ik… Dit alles heb ik jullie gezegd om jullie deelgenoot te maken van mijn eigen vreugde, en zo jullie vreugde volkomen te maken” (Joh 15,4.11). Als God omtrent ons één verlangen heeft, dan is het ij onsHij voor alles ons vruchten te zien dragen: “Niet jullie hebben mij uitgekozen; nee, ik heb jullie uitgekozen en ik heb jullie de taak gegeven erop uit te gaan en vruchten te dragen, vruchten die blijvend zijn” (Joh 15,16). Duidelijker kunnen wij er niet de nadruk op leggen dat Gods liefde er het eerst is én dat het tegelijkertijd zijn diepste wens is te mogen zien hoe wij onze vrijheid ten volle opnemen. Zoals liefde wederliefde opwekt, zo roept ook vrijheid vrijheid op: die van God roept die van de mens op.

Om de spirituele kwaliteit van mijn antwoord aan God te kennen, moeten we het herlezen vanuit het standpunt van de eigen vrijheid: is mijn antwoord echt de vrucht van mijn diepste vrijheid, betekent het een leven dat zich echt voor zichzelf verantwoordelijkheid voelt? Hieraan herken ik dat mijn beslissing met die van God samenvalt, dat ik kan zeggen dat zij mij vrijer maakt, dat ze zin en eenheid in mijn leven brengt en dat ze mijn verleden samenhang geeft door het een toekomst te bieden. Wij raken hier een van de diepste karakteristieken van een geestelijke beslissing. Ze brengt samenhang in wat in mijn verleden maar losse aanzetten waren. Ze begint in mijn geheugen een net van draden te weven dat ik nog niet gemerkt had, en zo brengt ze samenhang in het schijnbare losse verband tussen mijn ogenblikken van genade en zwakheid. En tegelijkertijd opent mijn beslissing een toekomstperspectief, het tot eenheid gebrachte verleden biedt nieuwe mogelijkheden. Wat onmogelijk leek of onzinnig wordt iets gewoons. Op zijn terugreis van Jeruzalem neemt Ignatius de beslissing te gaan studeren. Deze beslissing brengt alle momenten van genade samen rond één innerlijke beweging die hij als fundamenteel had ervaren: zielen helpen. Zo opent Ignatius voor zijn leven tezelfdertijd een nieuwe toekomst, die hij nog niet ziet, maar die in de lijn ligt van zijn beslissing: de stichting van de Sociëteit van Jezus.

Men zou kunnen zeggen dat deze stichting geheel en al het werk was van God die de liefde van Ignatius was vooraf gegaan en die hem op alle etappes van zijn leven heeft geleid. Maar wij kunnen ook zeggen dat deze stichting het werk van Ignatius was, van zijn edelmoedigheid, van zijn trouw, van zijn klaar inzicht: zij is toch getekend door zijn vrijheid? Kunnen wij dan nog spreken over een wilsbeslissing van God? Wij voelen aan dat iedere andere uitleg van dit soort de diepste waarheid achterwege laat: die van een ontmoeting, van een samengaan van twee vrijheden die elkaar in een gemeenschappelijk werk terugvinden.

Voor het welzijn van het gehele volk

Praten over een particuliere wilsbeschikking van God voor ieder van ons vraagt dus enige nuancering. In de Bijbel is iedere roeping geïndividualiseerd: het gaat om die man, dat volk. Maar Paulus herinnert ons eraan dat iedere genade gegeven is voor het welzijn van het hele volk. Als we de grote etappes van de heilsgeschiedenis oproepen, dan zien we namen van mensen naar voren komen: Abraham, Mozes, David, de profeten, Jezus. Het zijn eigennamen met ieder zijn heel eigen bestemming, maar wij kunnen niemand van hen begrijpen zonder te verwijzen naar zijn plaats in de geschiedenis in haar geheel. Er bestaan geen heiligen buiten de gemeenschap van de heiligen, buiten het op weg zijn van Gods volk naar het Koninkrijk. Gods plan over mijn leven willen onderscheiden, betekent altijd de vraag stellen waar mijn plaats is in het Lichaam van Christus. Niet een plaats die mij wel zal aangeduid worden, maar de plaats die ik kan, die ik wil innemen. Welk lid zou ik kunnen zijn voor het welzijn van het gehele Lichaam? Ook hier komt het antwoord mij toe en God verwacht dit ook van mij. Hij verwacht een edelmoedig, nieuw antwoord om zich over mijn solidariteit te verheugen, zoals Hij zich over mijn vrijheid verheugde.

Zijn wij het voorwerp van een particuliere wilsbeschikking van God?

Wij moeten in ons leven de oproepen van God onderkennen en het zou dwaas zijn te zeggen dat die er niet zijn. God schept ons voortdurend door zijn Woord, wij bestaan maar dankzij dit Woord. Het roept ons ook vandaag tot leven. Het is aan ons om de verscheidene oproepen – voor ons een vertaling van het scheppende Woord – te herkennen, zoals een kind langzaam aandacht krijgt voor de woorden die het oproepen uit zichzelf te treden. Dikwijls is het zo dat wie zijn leven tracht te herlezen vanuit Gods oogpunt en zich zijn liefde en trouw herinnert, dan ook gevoelig kan worden voor die oproepen die God tot hem richt. Meer dan een duidelijk plan of een uitdrukkelijke levensregel, leren deze oproepen ons het verlangen van God te herkennen, zijn verwachting en zijn hoop. Langzaamaan gaan wij zo ons antwoord vinden. Wij mogen dus alle twijfels, alle mislukkingen en onduidelijkheid in ons keuzeproces zonder angst tegemoet gaan. Emmanuel Mounier zei: “God is groot genoeg om zelfs van onze mislukkingen en roeping te maken.”

In het huis van de Vader zijn er verschillende woningen. God verwacht dat wij het onze bouwen en Hij blijft met ons aan het werk.

uit: Christus, nr. 153 (1992) 

vertaling: Guido Cornelissen S.J.

 

 

Print Friendly, PDF & Email