Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Geestelijke Oefeningen - Begeleiden / De Vierde week van de Geestelijke Oefeningen. Enkele kanttekeningen

De Vierde week van de Geestelijke Oefeningen. Enkele kanttekeningen

Redactie Cardoner on 26/04/2016 - 9:55 am in Geestelijke Oefeningen - Begeleiden

door Piet van Breemen S.J.

De verrijzenis van Christus staat centraal in de laatste week van de Geestelijke Oefeningen. Vreugde, troost en zending zijn de vruchten waar om gebeden wordt in de Vierde Week van de Geestelijke Oefeningen van Sint Ignatius, aldus de Nederlandse auteur van bestsellers over het geestelijk leven.

De Vierde week van de Geestelijke Oefeningen gaat over de verrijzenis, en daarmee over het centrale geheim van ons geloof. Daar ligt het kernpunt en de levensbron van de verkondiging van de oerkerk. Paulus zegt het onomwonden: “Als Christus niet is opgewekt, is onze verkondiging zonder inhoud en uw geloof zinloos” (1 Kor 15,14). Niet de menswording van Jezus, niet zijn leven hier op aarde, ook niet zijn lijden en zijn dood waren voor de eerste christenen het belangrijkste, maar wel het geheim van zijn verrijzenis. Er volgen dan later eeuwen waarin het aardse leven van Jezus – en dikwijls vooral zijn lijden – het belangrijkste geloofsthema worden en de verrijzenis soms tot een apologetisch onderwerp wordt afgezwakt. In de vorige eeuw komt daar gelukkig een verandering in en rukt de verrijzenis van Jezus weer meer in het centrum van onze liturgie en geloofsbeleving. Er zijn niettemin ook nu nog heel wat christenen die veel moeite hebben met dit geheim, en velen die er niet in (kunnen) geloven.

In zijn brief aan de Romeinen (6,9) geeft Paulus een kernachtige en exacte definitie van de verrijzenis: een leven waarin de dood geen macht meer heeft. Hoe zo’n leven eruit ziet weet niemand van ons, want al onze ervaringen gaan over een leven waarin de dood een rol speelt, en zelfs de uiteindelijk beslissende rol. De definitie van Paulus laat dus – zeer terecht – het geheim volledig intact, maar brengt het wel heel precies onder woorden. Dat houdt dus heel duidelijk in dat de verrijzenis geen terugkeer is tot het aardse leven, geen re-animatie. Lazarus (Joh 11) is niet verrezen en evenmin de jongeling van Naïn (Lc 7). Ons leven is dan ook niet slechts een voorbereiding op de dood, maar uiteindelijk juist een overwinning op de dood. “De laatste vijand die vernietigd wordt is de dood” (1 Kor 15,26). Heel de scheppingstheologie vindt haar bekroning en voltooiing in de verrijzenis van de Heer. Dat is het gezichtspunt van waaruit de wereld en de geschiedenis samenhang en zin krijgen.

In deze zin spreekt ook het Tweede Vaticaans Concilie in de laatste constitutie die het ons schonk, namelijk die over de kerk in de wereld van onze tijd, die begint met de woorden “Gaudium et spes”:

Er wordt ons geleerd dat God ons een nieuwe woonplaats en een nieuwe aarde zal toebereiden, waarin gerechtigheid zal heersen en waarvan de gelukzaligheid alle vredewensen die in de harten van de mensen opkomen, zal vervullen, en meer dan dat. Wanneer dan de dood is overwonnen, zullen de kinderen Gods in Christus ter verrijzenis worden gewekt en wat in zwakheid en bedorvenheid gezaaid werd, zal met onbederflijkheid worden bekleed; de liefde en haar werken zullen blijven, maar die gehele schepping, die God omwille van de mens geschapen heeft, zal bevrijd worden van de slavernij en de ijdelheid. (nr. 39)

Maria

Ignatius begint de Vierde week van de Geestelijke Oefeningen met een meditatie over “hoe Christus onze Heer aan Onze-Lieve-Vrouw verscheen” (218-225). Hij is zich goed bewust dat dit niet in de evangelies staat (299). Hij heeft het gelezen in de twee enige boeken die in de burg Loyola voorhanden waren, toen hij daar in 1521/1522 ongeveer negen maanden lang ziek lag. Uit verveling is hij toen begonnen die boeken te lezen. Het waren het Leven van Christus van de kartuizer Ludolf van Saksen en de Gouden legenden van de dominicaan Jacobus de Voragine. Beiden vermelden de verschijning van de verrezen Heer aan zijn moeder Maria. Daarmee staan zij in een solide traditie samen met o.a. Ignatius van Antiochië, Ambrosius, Anselmus, Albertus Magnus en Bernardinus van Siëna. Later, in de lange reeks van de geheimen van het leven van Christus, komt Ignatius er nog eens heel laconiek op terug:

Jezus verscheen aan de Maagd Maria. In de Schrift wordt dit wel niet gezegd, maar men beschouwt het als verondersteld, want zij zegt wel dat Hij aan zoveel anderen verschenen is. De Schrift veronderstelt immers dat wij verstand hebben, zoals er geschreven staat: “Zijn ook jullie zonder verstand?” (299)

Ook paus Franciscus sluit zich daarbij aan, als hij in zijn rondzendbrief aan de religieuzen van 2 februari 2014 schrijft:

Aan de voet van het kruis is Maria de vrouw van smarten en tegelijkertijd degene die in waakzame verwachting uitziet naar een mysterie dat veel groter is dan het lijden dat op het punt staat zich te voltrekken. Alles lijkt waarlijk beëindigd; alle hoop is bij wijze van spreken vervlogen. Ook zij had op dat ogenblik, toen ze zich de beloften van de annunciatie herinnerde, kunnen zeggen: “Zo is het niet gebeurd; ik ben bedrogen.” Maar ze heeft dat niet gezegd. En toch ziet zij, die zalig verklaard werd omdat zij heeft geloofd, vanuit dat geloof een nieuwe toekomst ontstaan en wacht hoopvol op Gods morgen. Vaak denk ik: Zijn wij in staat Gods morgen te verwachten? Of willen wij het heden? Gods morgen is voor haar de dageraad van paasmorgen, de dageraad van de eerste dag van de week. Het zou ons goed doen om bij de contemplatie aan de omhelzing van de Zoon met de moeder te denken. De enige lamp die brandt bij het graf van Jezus, is de hoop van de moeder die op dat ogenblik de hoop is van heel de mensheid. Ik stel mezelf en jullie de vraag: “Brandt die lamp nog in de kloosters? Verwacht men in de kloosters nog Gods morgen?”

Vreugde

Ignatius laat de retraitant niet mediteren over de verrijzenis zelf, althans niet direct, maar over de verschijningen van de verrezen Heer. Hier ligt hij helemaal in de lijn van alle vier evangelies. En zoals altijd wordt de retraitant uitgenodigd om aan het begin van de overweging te bidden om wat hij of zij verlangt (“petere id quod volo”). Hier doet Ignatius het voorstel om te “bidden om de genade mij intens te verblijden en te verheugen over zoveel vreugde en heerlijkheid van Christus onze Heer” (221).

* Bidden: zoals Jezus ons daartoe aanmoedigt in de Bergrede: “Vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. Want ieder die vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt zal worden opengedaan” (Mt 7,7-8).

* om de genade: ik kan het me zelf niet verschaffen; ik kan het niet maken; het moet me gegeven worden; het is een geschenk van de Heer.

* van een intense blijdschap en vreugde: Jezus is gekomen om ons de Blijde Boodschap te verkondigen en om ons zijn vreugde door te geven, zodat onze vreugde volkomen zal zijn (Joh 15,11). “Tot nu toe hebben jullie niets in mijn naam gevraagd, maar vraag het en je zult het ontvangen. Dan zal je vreugde volmaakt zijn” (Joh 16,24). En in het hogepriesterlijke gebed bidt Jezus tot de Vader: “Ik zeg dit terwijl Ik nog in de wereld ben, opdat zij vervuld worden van mijn vreugde” (Joh 17,13). Of zoals paus Franciscus het formuleert in zijn apostolische exhortatie Evangelii gaudium (24 november 2013): “Niemand is uitgesloten van de vreugde die de Heer brengt” (nr. 3). Die intense vreugde hoeft overigens niet plotseling te komen, maar kan ook heel goed langzaam en gestadig groeien.

* over zoveel vreugde en heerlijkheid van Christus onze Heer. Het gaat om een vreugde om zijn vreugde. Dat is een hoge vorm der liefde. De volksmond zegt: in de nood leer je je vrienden kennen. En daar steekt veel wijsheid in. Wie mij dan niet in de steek laat, is een echte vriend. Maar de chassidim zeggen het anders en eigenlijk nog beter: in de voorspoed leer je je vrienden kennen. Wie dan jaloers wordt of ervan wil profiteren, is geen echte vriend. Maar wie zich dan onbaatzuchtig en waarachtig kan verheugen, die is een waarachtige vriend. Zo zouden wij een waarachtige vriend(in) van Jezus willen zijn. Dat is onze bede.

Die vreugde om Jezus’ vreugde is een stevig fundament voor een leven volgens de Blijde Boodschap. Moeder Teresa van Calcutta stuurt haar missionarissen der naastenliefde naar de armsten der armen, waar ze met veel leed, onrecht en ellende geconfronteerd worden. Zij geeft hun echter de raad mee: “Laat niets jullie zozeer met droefheid slaan dat jullie daarbij de vreugde om de verrezen Heer zouden vergeten.” De vorige bisschop van Aken, Klaus Hemmerle, wenst zijn gelovigen in zijn laatste vastenbrief, die hij schreef in een vergevorderd stadium van kanker, “paasogen”. Die omschrijft hij als ogen die in de dood tot aan het leven, in de schuld tot aan de vergeving, in de scheiding tot aan de eenheid, in de wonden tot aan de heerlijkheid, in de mens tot aan God, in God tot aan de mens, in het ik tot het jij kunnen zien. En hij wenst hun allen met de “paasogen” ook “paaskracht.”

In de overweging over de verschijning van de verrezen Heer raadt Ignatius ons aan, zoals hij dat gewoonlijk doet, om te beginnen met de personen te zien die aanwezig zijn, en met te horen wat zij zeggen en te zien wat zij doen. En dan iedere keer “tot mijzelf inkeren om er enig voordeel uit te trekken” (222). Dan wijst hij er heel uitdrukkelijk op hoe de godheid, die zich in het lijden scheen te verbergen, nu in de verrijzenis zo wonderbaar verschijnt en zich laat zien (223). Misschien kunnen we het paasgeheim in het beeld van een tunnel aanschouwelijk maken. Een tunnel heeft altijd twee kanten, en het is wezenlijk dat die twee doorverbonden zijn. De ene kant van het paschageheim is de kruisdood en de andere kant is de verrijzenis. Maar die twee zijn doorverbonden en vormen een eenheid. Het paschageheim stelt ons in staat om vanaf de Calvarieberg reeds het glinsteren van de verrijzenis te zien, en omgekeerd vanaf de plaats waar de verrezen Heer verschijnt nog altijd het silhouet van het kruis te ontwaren. De dood van Jezus en zijn verrijzenis vormen samen één geheim.

Troost

Ignatius doet nog een bijzondere suggestie: “Kijken naar de taak van het troosten die Christus onze Heer op zich neemt, en dit vergelijken met de manier waarop vrienden gewend zijn elkaar te troosten” (224). Troost is voor Ignatius een heel belangrijke werkelijkheid. In het doen van de Geestelijke Oefeningen moet de retraitant na iedere overweging zorgvuldig nagaan hoe en waar hij of zij troost of troosteloosheid heeft ervaren. Die troostervaringen stippelen als het ware de weg uit die de retraitant moet gaan. En in het eerste ontwerp van de constituties voor de Sociëteit van Jezus (de Formula Instituti van 1540, en ook in die van 1550) wordt reeds in de eerste paragraaf onder de doelstellingen van de nieuwe orde genoemd: “de geestelijke vertroosting van de gelovigen”. Trouwens, Paulus in zijn tweede brief aan de Korintiërs schrijft al meteen in de aanhef: “Geprezen zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader die zich over ons ontfermt, de God die ons altijd troost en ons in al onze ellende moed geeft, zodat wij door de troost die wijzelf van God ontvangen, anderen in al hun ellende kunnen troosten” (1,3-4). En een weinig verder: “Ik bedoel dit: wij willen niet over uw geloof heersen, maar juist bijdragen aan uw vreugde” (1,24). Troost is bij uitstek een gave van de Heilige Geest, de “Consolator optime” uit het Veni Sancte Spiritus. Jezus heeft ons deze Geest in zijn afscheidsreden meerdere malen beloofd. Deze Geest is het grootste geschenk van de verrezen Heer aan zijn kerk, aan ons gelovigen. Het is de Geest van Jezus die ook ons bezielt. In deze Geest wordt ieder van ons tot een gezondene.

Op de avond van paasdag waren de leerlingen bij elkaar (Joh 20,19-23). De deuren waren op slot, want ze waren bang voor de Joden. Jezus had hun dikwijls en met nadruk gezegd dat ze niet bang moesten zijn. En nu, uitgerekend op de dag van zijn grootste triomf, geven ze weer toe aan de angst. Het mooie is dat Jezus hun nu geen verwijten maakt, maar zelf door de gesloten deuren heen binnengaat in die angst, die Hij beslist niet wil, om dan van binnenuit die angst te veranderen in vrede en vreugde. Dat is typerend voor de stijl van het verlossingswerk van Jezus. Hij heeft dat niet tot stand gebracht door in zijn heerlijkheid te blijven en vandaaruit hier op aarde onze verlossing te regelen. Neen, Hij is een van ons geworden. Hij heeft de vreugde en het leed van het mens-zijn aan den lijve ervaren, tot het bittere einde toe. Zó heeft hij ons verlost! En zó doet hij het nu weer op deze paasavond. Te midden van de zijnen verandert Hij hun angst in vreugde.

Zending

Dan komt het hoogtepunt. Hij zegt hun: “Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik jullie” (20,21). Zijn zending, die de inhoud van zijn leven vormde, waarvoor en waarvan Hij geleefd had en waarvoor Hij ook gestorven is, geeft Hij nu aan zijn leerlingen door. Zij moeten zijn zending voortzetten. En dat kunnen zij natuurlijk alleen maar in zijn kracht en zijn geest. Hij wil in hen voortleven en voortwerken. Zoals Paulus het later bijna extatisch uitroept: “Ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij” (Gal 2,20). En dat geldt niet alleen voor de leerlingen die op paasavond daar samen waren, maar dat geldt voor alle christenen. Het is een wezenlijk element van de doopgenade van ieder van ons: gezonden om de zending van Jezus voort te zetten. Om dat te bekrachtigen en om dat mogelijk te maken, blies Jezus over ieder van hen en zei: “Ontvang de Heilige Geest.” Zoals God de Heer bij de schepping de mens vormde uit stof, uit aarde, en hem de levensadem inblies en hem tot een levend wezen maakte (Gen 2,7), zo maakt Jezus op paasavond en in ieder doopsel van zijn leerlingen nieuwe mensen, die in zijn naam zijn zending levend houden. Zij belijden zo, niet slechts met woorden, maar met heel hun leven, dat Jezus de Heer is. Zoals Paulus zegt: “Niemand kan ooit zeggen (en beleven): ‘Jezus is de Heer’, tenzij door toedoen van de Heilige Geest” (1 Kor 12,3).

Bij de overgang van de Eerste naar de Tweede week van de Geestelijke Oefeningen had Ignatius daar reeds op gezinspeeld. Hij geeft daar eerst een beschouwing over de oproep van een  aardse koning die de hele wereld wil veroveren en daartoe alle mensen van goede wil oproept, om dan deze parabel toe te passen op Christus onze Heer. Daarbij zegt Christus, minder militaristisch, maar niet minder radicaal: “Het is mijn wil de hele wereld te veroveren en zo de heerlijkheid van mijn Vader binnen te gaan” (95). Ieder mens wordt uitgenodigd aan deze zending deel te nemen en zich daar honderd procent voor in te zetten. Daarmee beginnen dan in de Geestelijke Oefeningen de beschouwingen over het leven van Jezus, vanaf de menswording tot en met de verschijningen van de verrezen Heer, die uitmonden in de zending van de leerlingen, en daarmee ook van ieder van ons. Ignatius formuleert aan het eind een gebed tot de verrezen Jezus, dat onze bereidheid voor deze zending uitdrukt:

Neem, Heer, en aanvaard heel mijn vrijheid, mijn geheugen, mijn verstand en heel mijn wil, alles wat ik heb en bezit. U hebt het mij gegeven, aan U, Heer, geef ik het terug. Alles is van U, beschik erover geheel volgens uw wil. Geef  dat ik U mag liefhebben, die genade is mij genoeg. (234)

 

Print Friendly, PDF & Email