Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Geestelijke Oefeningen - Begeleiden / De oproep van de aardse koning (GO 91-99) – twee suggesties

De oproep van de aardse koning (GO 91-99) – twee suggesties

Redactie Cardoner on 18/03/2020 - 7:59 pm in Geestelijke Oefeningen - Begeleiden

door Eric Jensen S.J.

De Oproep van de Koning is één van de specifiek ignatiaanse meditaties van de Geestelijke Oefeningen. Is deze meditatie te actualiseren? En wat is de plaats van de Oproep in de dynamiek van de Oefeningen als geheel.

Het geven van de meditatie uit de Geestelijke Oefeningen, die in het Engels vaak “The Kingdom Exercise” (GO 91-99) genoemd wordt, brengt een aantal uitdagingen met zich mee. Het eerste gedeelte van de oefening, de parabel van de kruisvaarder-koning, is bedoeld om retraitanten voor te bereiden om Jezus op een nieuwe manier te ontmoeten. En toch, hoewel Ignatius van Loyola veel van zijn eigen idealisme in deze parabel verwerkt heeft – zijn dienst aan Katholieke Koningen, zijn bereidheid om te lijden en zijn leven te geven in de strijd, zijn fixatie op het Heilige Land –, “slaagt deze er niet in effectief te zijn op een manier zoals destijds het geval was toen het resoneerde in het collectieve onbewustzijn. Dit omwille van een aantal redenen.”

Jezus, de koning-messias

Sommigen hebben voorgesteld om de inleidende parabel over te slaan en ons “onmiddellijk in de aanwezigheid van Jezus te plaatsen… de eerstgeborene uit de dood, de eigenlijke messias…”, direct naar de oproep van de verrezen Christus, de eeuwige koning, te gaan. Maar in een poging om de a fortiori structuur te handhaven, geef ik een andere suggestie en vervang ik de mythische koning van de parabel door de historische Jezus tijdens zijn blijde inkomst in Jeruzalem op wat wij nu Palmzondag noemen.

Jezus koos weloverwogen deze dag om Jeruzalem (vanuit het oosten) binnen te gaan in het volle bewustzijn dat op diezelfde dag Pilatus, de Romeinse gouverneur, Jeruzalem zou binnenkomen vanuit het westen, vanuit Caesarea Maritima, waar hij leefde in het schitterende paleis gebouwd door Herodes de Grote. Jezus was zich bewust van het feit dat dit samenviel met het Joodse Paasfeest: terwijl gedurende een week de uittocht van Israël gevierd werd, ging Hij zijn eigen exodus en Pascha tegemoet. Hij koos ook de manier: Hij reed op een ezel, het lastdier van de arme, en niet een paard, het edele dier waarop Pilatus reed. Pilatus maakte zijn entrée met strijdwagens en zwaarbewapende soldaten, trompetgeschal en tromgeroffel, in een militair schouwspel om onmiskenbaar duidelijk te maken: Rome zal elke poging tot opstand tijdens dit feest neerslaan. Dit was een periode waarin pelgrims van over de hele wereld naar de Heilige Stad trokken om de bevrijding van Israël uit de macht van Egypte te vieren, en waarin een opstand tegen de Romeinse bezetter altijd reëel was.

Jezus trok de stad in door de Schaapspoort, na de Kedronvallei te zijn doorgetrokken tijdens zijn afdaling vanuit Betfage en Betanië en de Olijfberg. In de synoptische evangelies is dit de eerste keer dat Hij zijn volgelingen toestond om hem toe te juichen als Messias: “Hosanna! Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer! Gezegend het koninkrijk dat komen gaat van onze vader David! Hosanna in de hoogste hemel!” (Mc 11,9-10). Zijn processie staat in schril contrast met wat er gebeurt aan de andere kant van de stad. De intocht van Pilatus symboliseerde de macht, de glorie en het geweld van het rijk dat de wereld beheerste. Jezus bood een alternatief – het Rijk Gods. Dit contrast – tussen het Rijk van God en het rijk van Caesar – staat centraal, niet alleen in het evangelie van Marcus maar in de hele geschiedenis van Jezus en het christendom van de eerste eeuwen. De beschrijving van de Goede Week is het verhaal van deze confrontatie.

De menigte was zich bewust van de situatie en van haar betekenis. “Toen Hij Jeruzalem binnengetrokken was, was de hele stad in beweging… Jezus ging de tempel binnen, joeg alle mensen weg die daar kochten en verkochten…” (Mt 21,10-12). In een groots profetisch gebaar daagde Jezus zowel de politieke macht van de vergoddelijkte Caesar en de religieuze macht van de door de politiek benoemde priesters uit. Hij deed wat zijn volgelingen al heel lang gehoopt hadden dat Hij zou doen, maar Hij deed het op zijn eigen, niet-militaire manier.

Wat Jezus zo’n aantrekkelijke leider maakt op dit moment is de duidelijkheid en de intentionaliteit waarmee Hij handelde, in het volle bewustzijn van de verschrikkelijke gebeurtenissen die zouden volgen. Wat hem zo’n overtuigende leider maakt is de passie waarmee Hij te werk ging. Het woord passie heeft associaties met enthousiasme, liefde, inzet, maar ook lijden: “In deze betekenis is de passie van een persoon dat waar hij of zij gepassioneerd over is… De belangrijkste passie van Jezus was het Rijk Gods… Het was deze eerste passie voor de distributieve rechtvaardigheid die onvermijdelijk leidde tot de straffende rechtvaardigheid van Pilatus” (Borg and Crossan, Last Week, viii).

Indien deze profetische Jezus, gepassioneerd door het Gods Koninkrijk, de mythische figuur in het eerste gedeelte van deze oefening vervangt, wie zou hem dan niet willen volgen? Het is ongetwijfeld deze passie, dit verlangen, dat mensen voor hem op de been brengt op die eerste Palmzondag. Het is deze passie die ook vandaag mensen naar de kerk kan trekken, in de eerste plaats vanuit een vernieuwd begrip van de liturgie van Palmzondag, en dan vanuit een vernieuwd en dieper verlangen om Jezus te volgen in het dagelijks leven. Terwijl Jezus op Palmzondag zijn aanspraak doet gelden op Jeruzalem, de stad van David, de stad van de messiaanse hoop, vervult Hij Gods “hoop voor de wereld, Gods droom voor de wereld”; en door gebruik te maken van de kruisvaarder-koning van de parabel deed “Ignatius bewust een beroep op dromen” (Borg and Crossan, Last Week, x). De Jezus van Palmzondag, echter, is een droom die in vervulling is gegaan – de droom van een langverwachte messias-koning. Het volk volgde hem toen met vreugdevol enthousiasme; vanuit een vernieuwd begrip kunnen ze de verrezen Christus vandaag volgen in een toekomst hoe onzeker en dreigend die ook mag zijn.

Nieuwe mogelijkheden

Wat met betrekking tot het tweede deel van deze meditatie, de Oproep van Christus? Ook daar dienen we opnieuw naar te kijken. Monika Hellwig heeft overtuigend bepleit dat “de bekering van de wereld tot rechtvaardigheid en vrede een totaal nieuwe blik op de mogelijkheden en actualiteiten in politieke, economische, sociale en culturele aangelegenheden met zich meebrengt.” Ik zou willen suggereren dat deze nieuwe blik voorgesteld wordt aan de jezuïeten in het eerste decreet van de 36e Algemene Congregatie, “Gezellen in een missie van verzoening en gerechtigheid”. Paragraaf 29 verdient het om in zijn geheel geciteerd te worden:

Paus Franciscus heeft de fundamentele verbinding benadrukt tussen de ecologische crisis en de sociale crisis waarin we vandaag de dag leven. Armoede, sociale uitsluiting en marginalisering zijn verbonden met de aantasting van het milieu. Dit zijn geen aparte crises, maar één crisis die een symptoom is van iets veel diepers: de gebrekkige manier waarop we onze samenleving en economie organiseren. Het huidige economische systeem met zijn roofzuchtige oriëntatie die inhoudt dat we slecht omgaan met onze natuurlijke hulpbronnen en ook met mensen. Om deze reden dringt paus Franciscus erop aan dat de enige adequate oplossing een radicale oplossing moet zijn. We moeten de richting van onze ontwikkeling veranderen als we willen dat deze duurzaam wordt. Wij jezuïeten worden geroepen om te helpen een gebroken wereld te helen door een nieuwe manier van produceren en consumeren te bevorderen die Gods schepping in het centrum plaatst.

Ik heb de laatste regel schuin afgedrukt omdat ik meen dat deze op een nieuwe manier de oproep van Christus, de eeuwige koning, voor onze tijd verwoordt. Jezuïeten, en al onze medewerkers, moeten een manier vinden om deze nieuwe oproep op te nemen in de manier waarop wij de Oefeningen geven: we moeten Gods schepping in het centrum plaatsen. Dit doen betekent niet dat we Jezus van zijn voetstuk halen, maar dat we hem willen vinden in de hele schepping en in het centrum van alle dingen (GO 235-236). En daarom stel ik voor dat we de woorden die de oproep van de eeuwige koning inleiden (“Het is mijn wil de hele wereld te veroveren en alle vijanden te overwinnen…” – GO 95) op een nieuwe manier te lezen: “Het is mijn wil de aarde te redden en al haar vijanden te overwinnen en zo de glorie van mijn Vader binnen te gaan…”.

Als zij die Jezus volgen in deze oefening bereid zijn om met hem op te trekken terwijl Hij Jeruzalem binnengaat en hem te begeleiden terwijl Hij onvermijdelijk richting het kruis gaat (vooruit kijkend naar de dynamiek van de derde week), hoeveel te meer zouden zij bereid moeten zijn om de verrezen Christus te volgen wanneer Hij hen roept om met hem te zwoegen in de cruciale onderneming van onze tijd: de aarde te redden van de vernietiging. Een dergelijke opvatting van de tekst zou een beweging van de taal van verovering en oorlog naar compassie met zich meebrengen (vooruitlopend op de genade van de derde week). Wij (“de hele wereld… (en) ook eenieder in het bijzonder” – GO 95) worden nu opgeroepen om met onze moeder de aarde en haar kinderen – alle schepsels – in hun lijden te zijn en dit verlossend te maken door het te verbinden met het lijden van Christus die op een mysterieuze manier nog steeds aan het kruis hangt, nog steeds lijdend met allen die door de wereld gekruisigd worden.

Deze theologie van het kruis die impliciet is in de samenspraak aan het einde van de eerste oefening van de eerste week (GO 53) wordt op een buitengewoon mooie manier gevisualiseerd in het kruis van San Damiano, van waaraf Christus sprak tot Sint-Franciscus en hem opriep zijn kerk te herbouwen. Daar zien we Christus niet dood, maar levend; niet hangend aan een kruis, maar staand op een klein platform; zijn ogen niet dicht, maar open. En om zijn hoofd is een aureool van glorie, geen doornenkroon. Boven hem, in een cirkel, draagt Christus zijn kruis naar de hemel, waarbij de hand van de Vader zich naar beneden uitstrekt om hem te verwelkomen. Op die manier worden alle betekenissen van de woorden van Jezus: “zo moet ook de Mensenzoon omhoog worden geheven” (Jn 3,14) iconografisch vastgelegd. In dit complexe beeld wordt Christus opgeheven in de kruisiging, opgeheven in de verrijzenis, opgeheven in de hemelvaart, opgeheven in de glorie, en toch blijft Hij aan het kruis, lévend.

In een op die manier vernieuwde meditatie zouden we Christus op een nieuwe manier kunnen ontmoeten, met zijn compassie niet alleen voor de armen, maar voor de hele aarde: “de barmhartigheid van de Heer gaat uit naar alles wat leeft” (Sir 18,13). Christus is met ons en lijdt met ons en met alle levende dingen mee, terwijl we ons bij hem aansluiten in onze strijd om ons huis, de aarde, te redden van een catastrofe die een eind zou kunnen maken aan het goddelijke experiment dat begon in de Hof van Eden. Er is, natuurlijk, een reële mogelijkheid dat, indien God zijn Zoon niet zou sparen van de dood aan het kruis, God de aarde zelf zou toestaan om de dood te ondergaan om zo een nieuwe hemel en een nieuwe aarde voort te brengen (Apk 21,1). Wanneer we hem vragen niet doof te zijn voor zijn oproep, zouden we moeten vragen om indrukwekkende moed, groot geloof en voortdurende liefde, evenals het vertrouwen dat Christus met ons zal zijn tot het einde der tijden (Mt 28,20). Dit toekomstbeeld kan apocalyptisch overkomen en dat is het ook, tenzij we ons herinneren dat het Boek Openbaringen niet eindigt met een begrafenis maar met een trouwfeest (Apk 21,2). En dit huwelijk wordt gevolgd door een aankondiging:

“Dit is de tent van God bij de mensen!
Hij zal bij hen wonen.
Zij zullen zijn volk zijn,
en Hij, God-met-hen, zal hun God zijn.
Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen,
en de dood zal niet meer bestaan;
geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn,
want al het oude is voorbij” (Apk 21,3-4).

Ons huis, de aarde, is het huis van God. We zijn geroepen om, met de Christus van de Oefeningen, mee te helpen dit huis te genezen en te redden.

Een nieuwe lens

Wat zijn de implicaties van deze veranderingen voor het geven van de Geestelijke Oefeningen. De Kingdom Exercise omvat “belangrijke elementen van spirituele doctrine en geeft een lens waardoor je de oefeningen die volgen, kunt interpreteren“. Hoe zou een vernieuwde Kingdom Exercise een nieuwe interpretatieve lens met zich meebrengen, en zou dit een lens kunnen zijn die een vertekend beeld geeft?

Op het eerste gezicht lijkt het erop dat het gebruik van Jezus’ blijde inkomst inhoudt dat je materiaal onttrekt aan de derde week. De derde week begint echter met de voorbereidingen voor het laatste avondmaal (GO 190) en niet met Jezus’ intocht in Jeruzalem. Palmzondag (GO 287) wordt genoemd als slechts een van de vele “Geheimen van het leven van Christus onze Heer” waar de begeleider gebruik van kan maken indien nodig. Wanneer de glorievolle intocht een belangrijk onderdeel wordt van de vernieuwde Kingdom Exercise en extra gewicht krijgt door een nieuw en dieper begrip van deze historische gebeurtenis, dan onttrek je niets aan deze passage, maar wordt ze een voorbereiding van iets – en wel een krachtige voorbereiding van de beschouwingen van de derde week. Dat is, in feite, de bedoeling van de oefening: het is niet de bedoeling dat ze vervangt wat erop volgt; het is zelfs niet de bedoeling dat ze een volledige meditatie of contemplatie wordt. Dat neemt niet weg dat, aan het begin van week drie, de intocht van Jezus toch als een volledige contemplatie gegeven kan worden om zo tot een verdieping te komen van het passieverhaal en meer betrokken te raken bij de bewondering van de leerlingen voor Jezus en bij hun liefde voor hem.

Met de acceptatie van de gevolgen van Jezus’ intocht in Jeruzalem zou een vernieuwde Kingdom Exercise ons, opnieuw, meer direct kunnen leiden in de passie van de derde week voordat we de tijd gehad hebben om de genade van de tweede week in ons op te nemen: een “innerlijke kennis van de Heer (…) om Hem meer lief te hebben en te volgen” (GO 104). Maar deze genade van de tweede week wordt gevraagd, in wat nog maar de tweede oefening van deze week is, door te reflecteren over Gods bedoelingen bij de geboorte van Jezus: “… (dat) de Heer moest geboren worden in uiterste armoede, om na zoveel honger, dorst, hitte en kou, beledigingen en aanvechtingen te hebben doorstaan, te sterven aan het kruis. En dat alles voor mij” (GO 116). Aangezien Jezus’ dood aan het kruis expliciet genoemd wordt in de contemplatie van zijn geboorte is een “spoiler alert” niet nodig omdat we de geschiedenis van Jezus al kennen en weten hoe deze eindigt. De retorische techniek is niet anders dan die in het evangelie van Matteüs, waar in de verhalen over Jezus als kind verwijzingen naar het Oude Testament met betrekking tot Jozef, Mozes en Balaam verwerkt zijn in een “samenhangende vooruitblik op het verhaal van de passie en de opstanding”. Het effect van deze techniek, zowel in het evangelie als in de Oefeningen, is dat ons begrip verdiept wordt en dat onze gevoelens geïntensifieerd worden.

De derde week is impliciet in de tweede; de tweede week loopt vooruit op de derde en bereidt ons erop voor. Maar de functie van de Kingdom Exercise, als een soort voorwoord of inleiding op de tweede week, is om ons voor te bereiden op alles dat volgt – de geboorte en de zending, het lijden en de glorie (GO 95). De focus ligt boven alles op de messias-koning, op de historische Jezus, om onze bewondering voor hem op te wekken. De Kingdom Exercise is “de plaats waar enthousiasme en persoonlijke loyaliteit voor Jezus Christus, wat dat ook mag kosten,  wordt opgewekt. Dat is waarom deze oefening zou moeten worden gedaan met vreugde en opgetogenheid.”

De oproep van Christus, de eeuwige koning, is er een om hem na te volgen in nederigheid, ruimhartigheid en armoede – daadwerkelijke zowel als spirituele armoede, op voorwaarde dat Hij “mij wil kiezen en mij wil opnemen in zo’n levenswijze en levensstaat” (GO 98). In de Oefeningen dienen deze eigenschappen niet gezocht te worden in een of andere persoonlijke zoektocht naar perfectie maar “in relatie tot de oproep die gericht wordt aan elke christen om het koninkrijk te dienen; een dienst die inhoudt dat je de nog altijd voortdurende zending van Christus zelf in de wereld deelt”. Het betreft een oproep aan eenieder individueel en aan iedereen gezamenlijk. “De ecologische bekering die nodig is om een blijvende verandering tot stand te brengen is ook een gemeenschappelijke bekering.”

De goddelijke personen zijn subsistente relaties en de wereld, geschapen naar het goddelijke model, is een web van relaties. Dit maakt dat wij ons niet alleen verwonderen over de verbanden die er bestaan tussen schepsels, maar ook dat wij onze eigen vervulling ontdekken. Menselijke personen groeien meer, komen meer tot wasdom en worden meer geheiligd al naar gelang zij meer in relatie komen te staan, relaties die van henzelf uitgaan om in communie te leven met God, met anderen en met alle schepsels.

Bekering is niet alleen het doel van de eerste week, maar van de Oefeningen in hun geheel; tijdens het doen ervan worden we meer en meer bewogen tot liefde. Hoewel dit op verschillende niveaus tot stand kan komen, is het “een proces van genade van persoonlijke integratie, een proces dat Ignatius begrijpt in termen van de theologiefaculteit van zijn tijd”, maar dat, in moderne termen, wordt begrepen als “een transformatie van hem of haar die de oefeningen doet en van zijn of haar wereld (…). Het is alsof je ogen geopend worden en je oude wereld vervaagt en wegvalt.”

Bekering komt tot stand op verschillende niveaus van bewustzijn. Op het niveau van de liefde kan een religieuze bekering het gevolg zijn van verliefd worden op Jezus, maar het is op het niveau van beslissen en handelen dat de morele bekering om de hoek komt kijken en het is op dit niveau dat de ecologische en gemeenschappelijke bekering tot stand moet komen. Op dit niveau overleggen we, kiezen en handelen we op een verantwoordelijke manier, als individuen en als gemeenschappen, en wat we kiezen zijn wat Bernard Lonergan “terminal values” noemt: een concreet voorbeeld van een bepaald goed, een bepaalde schaal van preferenties met betrekking tot waarden en genot.

Keuzes en beslissingen staan centraal in de Oefeningen, die als doel hebben “om zichzelf te overwinnen en zijn leven te ordenen zonder zich te laten leiden door een ongeordende gehechtheid” (GO 21). Het is ook voor een dergelijke beslissing dat de Kingdom Exercise een voorbereidende functie heeft aan het begin van week twee. Zowel kennis als affect worden ingeschakeld vanaf het begin van de Oefeningen. Ze vloeien samen bij de keuze waar kennis van de wil van God wordt omgevormd tot een impuls van de wil van de retraitant die zich hiertoe verbindt.

Voor iemand die zich bewust is van de ecologisch-sociale crisis en die probeert zijn roeping te onderscheiden of probeert uit te zoeken waaraan hij zijn energie wil besteden, kunnen de Oefeningen een krachtig middel zijn om te komen tot de zo noodzakelijke vrijheid bij het nemen van een goede beslissing. Des te meer kan dit het geval zijn dankzij een vernieuwde Kingdom Exercise.

uit: The Way, april 2018 (57/2)

vertaling en bewerking: Rita Vandevyvere en Wiggert Molenaar S.J.

De auteur (*1936) is een Canadese jezuïet die na vele jaren in middelbare scholen gewerkt te hebben nu begeleider is in een retraitehuis. In zijn vrije tijd schildert en schrijft hij; in 2018 kwam zijn Ignatius Loyola and You: Learning to Become a Reflective Christian uit. In Cardoner 2019-2 verscheen al “De eerste week anders” van deze auteur.

 

 

 

 

Print Friendly, PDF & Email