Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Andere Bronnen van Inspiratie / Leren van onze boeddhistische broeders.

Leren van onze boeddhistische broeders.

Redactie Cardoner on 03/05/2013 - 5:59 pm in Andere Bronnen van Inspiratie
De Filippijnse scholastiek Mark Lopez deelt zijn ervaring van een boeddhistische retraite in Thailand onder leiding van de eerwaarde abt Piyatassi Bhikku. De retraite maakte deel uit van een programma van een maand dat jezuïeten in de vorming de gelegenheid biedt om hun dialoog met andere godsdiensten, in het bijzonder het boeddhisme, te verdiepen, en aldus hun inzicht in theologie in Azië te verrijken. De tekst werd september 2012 geplaatst op de website van de Jesuit Asia Pacific Conference.

“Vijf dagen lang geen God”, dat was de voorwaarde. Gedurende heel de boeddhistische retraite mochten we niet spreken tot, contact zoeken met of denken over God. Dat zei ons de eerwaarde abt bij het begin van de retraite. En daardoor voelde zelfs de minst vrome van ons jezuïeten-scholastieken en -broeders zich een beetje ongemakkelijk. Maar de abt, die onze twijfel zag, voegde er snel aan toe: “Na vijf dagen mag je weer alles wat je hier leert aan je God aanbieden.”

“Akkoord!” Het was een goede ruil, dacht ik, en de monnik was een goede verkoper, net als de handelaars die ik had ontmoet op de markt op weg naar onze cursus in Thailand.

Van de retraite hadden we grote verwachtingen, maar er was ook veel wat ons ongerust maak-te. We zouden verblijven in een klooster. Het was gelegen midden in een prachtig bos. Een gemeenschap van theravada-boeddhistische monniken zou onze gastheer zijn. We keken uit naar hun nobele stilte. Maar we zouden ook alleen maar hun vegetarisch eten krijgen. Geen vast voedsel na de middag, elke ochtend om vier uur opstaan, en tenminste acht periodes van een uur meditatie per dag. Wij, vijftien jezuïeten, hadden ieder onze eigen vragen, maar we deelden allemaal in een en dezelfde diepere bezorgdheid: Konden we onze God echt vijf volledige dagen loslaten? Zou het allemaal de moeite waard zijn?

Op het eind van de retraite was het helder voor ons, en waren we eensgezind. We hadden allemaal veel mooie dingen ervaren in dat klooster, geheimzinnig, diep persoonlijk en op verborgen wijze omvormend. En ironisch genoeg voelde ieder van ons, op zijn eigen persoonlijke manier, zich nader tot God gekomen – na vijf dagen lang God op afstand te hebben gehouden. Hoe kwam dat?

Meditatie

De richtlijnen voor de meditatie waren simpel. Na onze ideale lichaamshouding gevonden te hebben (in mijn geval de lotuszit), moesten we ons eerst scherp bewust worden van onze adem. We ondervonden hoe de lucht rondom ons door onze neusgaten en langs de luchtwegen in onze longen drong, en het middenrif en de rugspieren deed uitzetten, en terug.

Na enige tijd onze ademhaling aandachtig te hebben waargenomen, kwamen er willekeurige gedachten naar boven. Het was een stroom van herinneringen en verwachtingen, die zich soms krachtig een weg baande als een snelle bergrivier, soms voortkabbelde als een zacht vlietend beekje. We moesten al die gedachten maar gewoon door ons heen laten gaan en toekijken: Waren het gedachten uit het verleden of plannen voor de toekomst? Vonden we die herinneringen en gedachten fijn of niet?

Heel interessant was wat onze eerwaarde leraar vertelde, namelijk dat zodra wij ons bewust werden van deze gedachten, en heel kalm deze vragen konden beantwoorden en de gedachten ordenen, zij begonnen te verdwijnen en hun greep op onze geest leken te verliezen. Als dat gebeurde, moesten we terugkeren naar het bewustzijn van onze adem. Altijd en in alles gold de gouden regel om rustig en liefdevol met onszelf om te gaan. De zin van deze handelwijze ontsnapte mij aanvankelijk, maar na enige dagen van proberen bracht de abt licht in het duister. Hij legde ons uit dat wij aan het leren waren neutrale waarnemers van onze gedachten en zelfs van onze gevoelens te zijn.

Het versterken van ons vermogen tot bewustwording werd de sleutel tot de ontwikkeling van de innerlijke ruimte en vrijheid waarin we meer het “ik” werden dat alleen maar deze gedachten waarnam (en er niet op reageerde of erover oordeelde). Dit komt overeen met wat ik zelf heb ervaren in geestelijke begeleiding. Zowel bij het begeleiden als bij het begeleid worden heb ik gezien hoe de eenvoudige praktijk van het regelmatige open gesprek met iemand over onze innerlijke strijd en onze troosteloosheid iets in ons binnenste ontwikkelt en sterkt dat ons helpt om deze moeilijkheden te boven te komen.

Liefde en mededogen

Interessant genoeg, na de eerste paar dagen van de vipassana-retraite, nam dit spelletje van het observeren van de gedachten en wat dat opleverde, een opmerkelijke wending. Ik stootte op gedachten die hardnekkiger en krachtiger leken dan andere. Ze schenen meer greep op mijn geest te hebben en wilden maar niet weg. Soms was het angst voor op te nemen verantwoordelijkheden. Soms waren het plannen die mij vreugde gaven. Toen ik over de aard van deze vasthoudende gedachten begon na te denken, realiseerde ik me dat zij uiting gaven aan mijn diepste gehechtheden, dingen die ik echt, echt wilde. Niet zozeer materiële dingen, maar din-gen waar ik echt behoefte aan had – aandacht, waardering. Meester Ignatius zou ze misschien mijn “ongeordende verlangens” noemen. Aldus werd de vipassana-methode een krachtige manier om deze dingen naar boven te laten komen en er licht op te laten schijnen. Tegelijkertijd werd deze wijze van mediteren een oefening die in mij een innerlijkheid ontwikkelde die mij in staat stelt om deze gehechtheden te boven te komen.

Op de eerste plaats namelijk was ons gevoelen van nader tot God te komen een gevolg van het feit dat wij een nieuw pad naar grotere innerlijke vrijheid vonden. Uit de ignatiaanse traditie weten wij dat het deze vrijheid is die ons in staat stelt God te dienen met grotere edelmoedigheid en beschikbaarheid. Dat is ook wat God ten diepste voor ons verlangt, zodat Hij ons vollediger kan liefhebben. Op de tweede plaats stelde deze boeddhistische wijze van mediteren ons in staat om toe te groeien naar twee echt christelijke deugden: liefde en mededogen. Deze deugden werden expliciet gedragen door een prachtig zegengebed dat ons werd aangeleerd om te bidden bij het begin en einde van elke meditatieperiode: “Mogen alle schepselen gezegend worden met liefde en mededogen.”

Naarmate we er door de meditaties (binnen en buiten de formele gebedsperiodes) beter in slaagden neutrale waarnemers te zijn, werd de kracht van deze zegening meer en meer voel-baar. Soms, wanneer ik in de meditatie dacht aan mijn geliefden, was deze zegening een manier om voor hen om liefde en mededogen te bidden, en tegelijk dankbaarder te worden voor de liefde en het mededogen die zovelen van hen mij gedurende mijn leven hebben betuigd. Soms, wanneer ik hard werd voor mijzelf en ongeduldig met de meditaties die nergens toe schenen te leiden, herinnerde deze zegenbede mij eraan dat ik vriendelijker moest zijn voor mezelf en niet te veel moest afdwingen. Als ik dacht aan mensen over wie ik ontstemd of gefrustreerd was, werd het uitspreken van de zegenbede een uitdaging. Maar als ik dan de moed en de kracht opbracht om dat te doen, vond ik tot mijn verrassing dat het mij hielp om mijn pijn te boven te komen en mijn boosheid te laten varen, en dat het mij sterkte in mijn overtuiging dat ik er misschien in zou slagen die mens meer vriendschap te tonen als ik hem of haar weer eens tegenkwam. “Mogen alle schepselen gezegend worden met liefde en mededogen” – soms werd dat gezegde een bron van hoop, soms ook van genezing, soms een aanmaning, soms een uitdaging, maar altijd een waar gebed.

Sommige dagen, als wij door de kloostertuin liepen, vlogen er vogels tussen de bomen om ons heen, en begonnen te zingen. Op die ogenblikken riepen ook zij, met de hele schepping, die liefde en dat mededogen op. Als ik de schoonheid van de natuur bewonderde, gaf mijn hart vanzelf uiting aan dezelfde zegenbede. “Mogen alle schepselen worden gezegend met liefde en mededogen.” Op andere dagen, als slangen ons pad kruisten of bijen onze meditatie verstoorden, was het een uitdaging om hetzelfde gebed te bidden voor die dieren! Maar uiteindelijk leerden we ook dat. De boeddhistische zegen herinnerde er ons voortdurend aan en daagde ons uit om die liefde en dat mededogen en een onvoorwaardelijke positieve blik uit te breiden tot alle schepselen zonder uitzondering.

Uiteindelijk kwam ik tot de bevinding dat deze zegenwens direct verbonden was met onze toeleg om neutrale waarnemers te zijn van alle dingen. Neutraal blijven en de dingen alleen maar zien en aanvaarden zoals ze waren, en niet zoals wij vonden dat ze moesten zijn, was bij uitstek een niet-oordelende, zich niet opleggende en niet-eisende manier van zijn en zich tot mensen en dingen verhouden. Het was mededogen en liefde in actie (of niet-actie!). Ik denk dat ik me dat bewust werd toen ik me de vele malen te binnen bracht dat ik een snel oordeel klaar had en namen en etiketten plakte op mensen en ervaringen. Ik zag in dat ik daardoor anderen geweld aandeed, liefdeloos was en onzorgvuldig luisterde, dat ik tekortschoot in menslievendheid. Neutrale waarneming was in feite zelf een manier van liefde en meededogen. En toenemen in deze deugden was dichter bij God komen, de bron en het hoogtepunt van deze deugden, wiens natuur liefde is.

Ten slotte denk ik dat wij door middel van de meditatiehouding die de eerwaarde abt ons leerde, en zijn instructie om tijdens die vijf dagen niet te denken aan God en ons niet tot Hem te richten, een weg vonden om aanwezig te zijn voor de Heilige en tot Hem te komen zonder eisen of verwachtingen. Zoals die bijzondere ogenblikken wanneer tussen geliefden of vrien-den geen woorden nodig zijn, wanneer alleen al de tegenwoordigheid en nabijheid van de ander vreugde en vrede geeft, zo voelde de nobele stilte aan. Door mijn stilzwijgen en door dit tijdelijke loslaten van God voelde het alsof ik mijn God had bevrijd – bevrijd van al mijn gezeur en gevraag, mijn de baas willen spelen en mijn opdringerige noden.

De Mello

Na mijn retraite kwam ik toevallig in aanraking met het boek Bewustzijn van wijlen de grote Anthony de Mello. Ik werd diep geraakt door de volgende regels, die mij hielpen om te begrijpen hoe het kon dat mijn “God vaarwel zeggen” mij leek te brengen tot een andere, vrijere manier van omgaan met God:

Denk aan iemand of iets waaraan je gehecht bent; met andere woorden iets of iemand zonder wat of wie je niet gelukkig kunt worden. Het kan je werk zijn, je carrière, je beroep, je vriend, je geld of wat dan ook. En zeg tegen dit object of deze persoon: “Ik heb je echt niet nodig om gelukkig te zijn. Ik bedrieg alleen maar mezelf als ik geloof dat ik zonder jou niet gelukkig kan zijn. Maar ik heb je werkelijk niet nodig voor mijn geluk, ik kan gelukkig zijn zonder jou. Je bent mijn geluk niet, je bent mijn vreugde niet.” Als je aan een persoon gehecht bent, zal hij of zij het niet prettig vinden om je dit te horen zeggen, maar ga er toch maar mee door. Je kunt het zeggen in het diepst van je hart. Hoe dan ook, je komt in contact met de waarheid; je slaat door een fantasie heen. Geluk is een staat waarin je je geen illusies maakt, waarin je illusies laat vallen…

Ik was bang om dit te zeggen, maar ik sprak met God en zei Hem dat ik Hem niet nodig had. Mijn eerste reactie was: “Dit gaat zo in tegen alles waarmee ik ben opgevoed.” Het is wel zo dat sommige mensen een uitzondering willen maken voor hun gehechtheid aan God. Ze zeggen: “Als God de God is die ik denk dat Hij moet zijn, dan zal Hij het niet prettig vinden als ik mijn gehechtheid aan Hem opgeef!” Oké, als jij denkt dat je niet gelukkig zult zijn tenzij je God hebt, dan zal die “God” waaraan jij denkt niets te maken hebben met de echte God. Dan denk je aan een droomtoestand. Je denkt over jouw concept van God. Soms moet je afstand doen van God om God te vinden. Dat zeggen een heleboel mystici ook.

Terwijl geen gelovig mens zal betwisten dat wij God echt nodig hebben, denk ik dat de Mello’s idee veel te maken heeft met het feit dat wij ons er niet van bewust zijn dat de manier waarop wij over God denken en ons tot Hem verhouden vervuld is van onze angsten, onze hebberigheid en onze klitterigheid. En zoals in onze menselijke relaties, zo zijn ook hier deze zaken hinderlijk voor onze groei en volwassenheid in onze verhouding met God. “Wij zijn zo verblind door alles, dat we de grondwaarheid niet hebben ontdekt dat gehechtheden onze relaties meer kwaad dan goed doen… Het is heerlijk om met [onze vrienden of God] te zijn als dat gebeurt op grond van een niet-vastklampende houding”, schrijft de Mello.

De lezer kan hieruit nu wel opmaken dat er sterke gelijkenissen bestaan tussen de ignatiaanse en de boeddhistische spiritualiteit. Geestelijke vrijheid, onthechting, onverschilligheid, welwillendheid, mededogen, liefde die zich uit in daden. Het bewustzijn van wat ons bezighoudt, waar we ons toe aangetrokken voelen of waar we afkeer van hebben, onze troost en troosteloosheid. Soms voelden de meditaties in feite aan als lange gewetensonderzoeken. En een snelle terugblik op de Mello’s geschriften bevestigde al vlug mijn vermoeden dat de Mello alles wat onze eerwaarde abt ons geleerd had, reeds had opgenomen in de ignatiaanse context.

Door het bovenstaande te delen hoop ik niettemin diegenen te sterken en aan te moedigen die op bepaalde ogenblikken het verlangen gevoeld hebben om hun persoonlijke spiritualiteit te verkennen en te verdiepen door meditatieve praktijken als yoga, pilates, tai chi of vipassana, die steeds populairder en toegankelijker zijn geworden in de Filippijnen. Als men bang is af te wijken van de christelijke traditie, dan hoop ik dat mijn ervaringen kunnen helpen deze vrees te beteugelen. Ik geloof echt dat wat ik geleerd heb van onze boeddhistische broeders in staat is om van mij een betere christen te maken. Leren over de boeddhistische traditie heeft mijn waardering verdiept niet alleen voor de boeddhistische, maar ook voor onze eigen spiritualiteit. Reizen naar het buitenland hebben mij duidelijker doen zien wat Filippijns is in mij, en hoeveel er is in onze eigen cultuur en ons eigen land om van te houden. Op dezelfde manier kom ik uit mijn boeddhistische ontmoetingen als iemand met een grotere liefde en een sterker verlangen om alles te beleven wat ignatiaans is.

door Mark Lopez SJ

bron: www.sjapc.net
vertaling: Ernst Bolsius S.J.

Print Friendly, PDF & Email