Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Andere Bronnen van Inspiratie / De jachthond uit de hemel – gedicht van Francis Thompson

De jachthond uit de hemel – gedicht van Francis Thompson

houndh
Redactie Cardoner on 04/12/2016 - 10:21 am in Andere Bronnen van Inspiratie

door Hugo Roeffaers S.J. en Paul Verdeyen S.J.

Veel teksten sporen de mens aan om God te zoeken, maar zo weinig mensen beseffen dat God ons meer zoekt dan wij Hem. Een mystiek gedicht dat in 1893 in Engeland verscheen wordt hier ingeleid en in Nederlandse vertaling gepresenteerd. 

Korte biografie van Francis Thompson (1859-1907)

Francis Thompson werd geboren te Preston, Lancashire, op 16 december 1859. Zijn vader, Charles Thompson, was arts en bekeerde zich tot het katholieke geloof, nadat zijn broer Edward hetzelfde had gedaan wegens zijn vriendschap met kardinaal Manning. Francis werd opgevoed in het college van Ushaw bij Durham en begon daarna medicijnen te studeren aan de universiteit van Manchester. Hij was geen goed student en begon nooit een artsenpraktijk. In het jaar 1885 verhuisde hij naar Londen, hij wou daar schrijver worden. Hij was zo arm dat hij lucifers en kranten ging verkopen om in leven te blijven.

In Londen begon hij opium te gebruiken: hij had dit product leren kennen als een medicijn voor zijn slechte gezondheid. Hij begon te leven als een zwerver en sliep onder de bruggen van de Theems. De universiteit weigerde hem wegens zijn verslaving. Op een moment van uiterste wanhoop begon hij aan zelfmoord te denken, maar hij werd weerhouden door een soort visioen van de jonge dichter Thomas Chatterton, die een eeuw vroeger uit het leven was gestapt. Hij maakte kennis met een prostituee, die hem onderdak gaf en haar inkomsten met hem deelde. Francis beschreef haar later als de vrouw die zijn leven redde. Wij kennen haar naam niet. Zijzelf zweeg omdat zij zijn groeiende reputatie niet wou schaden.

Vanaf het jaar 1888 begon hij zijn gedichten te publiceren in het tijdschrift Merry England. De uitgevers van deze publicatie, Wilfrid en Alice Meynell, erkenden de waarde van zijn werk, gaven hem een onderkomen en zorgden voor de publicatie van zijn eerste bundel Poems in het jaar 1893. In deze bundel verscheen het gedicht The Hound of Heaven. Vanaf dat ogenblik werd hij een alom gewaardeerd dichter.

Omdat de Meynells bezorgd waren over zijn verslaving, deden zij hem opnemen in de priorij Our Lady of England te Storrington in Kent. Toch stierf Francis op de leeftijd van 47 jaar. Hij werd begraven op het katholieke kerkhof van Kensal Green. Zijn grafsteen werd gesierd met een van zijn bekende verzen: “Look for me in the nurseries of Heaven.”

Naast verscheidene bundels met gedichten schreef Thompson ook een essay over de dichter Shelley en een leven van de heilige Ignatius van Loyola, beide postuum gepubliceerd. Hij schreef ook een klein traktaat On Health and Holiness, gepubliceerd in 1905. Grote bewonderaars van Francis Thompson zijn G.K. Chesterton en J.J.R. Tolkien.

The Hound of Heaven – een mystiek gedicht

In 1917 werd het gedicht van Francis Thompson The Hound of Heaven opgenomen in The Oxford Book of English Mystical Verse, dus tien jaar na het overlijden van de dichter. Laten wij proberen duidelijk te maken dat dit een terechte keuze was. Al vlug na het overlijden van deze poète maudit werd het mystieke karakter van dit gedicht onderkend.

Omdat het woord “mystiek” in onze tijd geen duidelijk begrip is, willen wij eerst een mogelijke definitie geven van wat hier wordt bedoeld. Een mysticus of mystica is een persoon die een directe, passieve en bewuste ervaring kreeg van Gods tegenwoordigheid. Deze lange definitie bevat minstens vijf belangrijke elementen. Het belangrijkste element is het laatste. Het gaat steeds om een sterke tegenwoordigheid van God. Deze is bijzonder duidelijk aanwezig in het gedicht van Thompson. De Jachthond uit de Hemel is de voornaamste handelende persoon, precies omdat hij telkens weer wordt miskend en afgewezen. Hij geeft de hemelse jacht nooit op. Integendeel, zijn aanwezigheid wordt steeds intenser naargelang hij meer wordt afgewezen. Daaruit kan men opmaken dat de hemelse Hond geen gemakkelijke of voorbeeldige slachtoffers zoekt, maar integendeel lastige en zelfs hardnekkige zondaars. God komt geen gezonde en gelukkige mensen zoeken, maar veeleer zieke mislukkelingen: in één woord het uitschot van de maatschappij. Mystiek en een goed zedelijk leven hoeven niet altijd samen te gaan. Men kan hier denken aan de mondaine vrouw Catharina van Genua (+1510).

De mystiek veronderstelt een directe en dus een sterke ervaring. Ik herinner mij het verhaal van een vrouwelijke arts met een drukke praktijk. Zij kreeg een dergelijke intense godservaring op een ogenblik dat zij telefonische afspraken maakte met verschillende patiënten. Die ervaring kwam dus zeer onverwacht en ook ongelegen. Wekenlang zocht zij naar de bedoeling van dit onverwachte bezoek. Ik bleef zelf het antwoord schuldig, maar ik stelde een tegenvraag: ik vroeg of zij die ervaring liever had gemist. Het antwoord kwam meteen en zonder aarzeling: “Neen, zeker niet. Het is het mooiste wat ik in mijn leven ooit heb gekregen!” Deze vrouw heeft een goede man en drie zeer lieve kinderen.

De mystieke ervaring is passief en kan niet met menselijke middelen worden gekregen of vernieuwd. Men kan er zich niet op voorbereiden en het is een grote vraag of men ernaar moet verlangen. Er bestaan zoveel andere vormen van Gods tegenwoordigheid waaraan de meeste mensen zo weinig aandacht schenken. De mystieke ervaring is dus een gratis gegeven geschenk. Ook dat is zeer duidelijk in het gedicht van Thompson. De zwervende dichter is die Jachthond uit de Hemel liever kwijt dan rijk, maar de Achtervolger gunt hem nauwelijks enige rust of afleiding.

De mystiek heeft het over een bewuste ervaring, niet over hemelse visioenen of over een ver nirwana. De dichter zoekt allerlei wegen om die machtige voetstappen kwijt te raken. Zijn geest zoekt zijn toevlucht en heil in de kosmos, in onschuldige kinderogen, in de natuur en in het heelal. Maar deze vluchtwegen geven geen voldoening en het geluid van de machtige voetstappen komt terug. De koppige en lastige Minnaar komt steeds weer aankloppen en ten slotte, na meer dan honderd verzen, beseft de dichter dat die Minnaar liefde zoekt, maar ook liefde brengt.

De woorden “God” en “Christus” komen niet voor in het gedicht. Toch beschrijft de dichter hoe dikwijls de hemel zich aandient en om de hoek komt kijken. De zondige en vluchtende mens blijkt bij voorkeur de aandacht te wekken van de Jachthond uit de Hemel. Dit is ongetwijfeld een zeer evangelische gedachte. “Wie zich klein en gering maakt als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk der hemelen” (Mt 18,4). Is het daarom dat zijn grafschrift luidt: “Look for me in the nurseries of Heaven”?

 

The Hound of Heaven – De jachthond uit de hemel

Francis Thompson

Ik vluchtte voor Hem, nachten lang en dagen lang.

Ik vluchtte voor Hem, onder een galerij van vele jaren.

Ik vluchtte voor Hem, langs alle doolwegen van mijn geest.

Ik vluchtte voor Hem in de nevels van mijn tranen,

ik vluchtte ook in de echo van een schaterlach.

Haastig zocht ik een weids vergezicht,

maar aangeschoten stortte ik neer in een titanische afgrond van vrees.

Vrees voor die machtige Voeten die mij achtervolgden, steeds verder,

in een wilde jacht zonder haast, met ongestoorde tred,

met bezonnen spoed en plechtige aandrang.

Die voetstappen klinken mij luid in de oren,

maar luider nog klinkt volgende Stem:

“Alle dingen verraden je, omdat jij Mij verraadt.”

 

Als een vogelvrij en dolend man begon ik te pleiten

bij menig open hart, bij menig open raam met een rood gordijn,

bij een traliewerk van goddelijke en menselijke liefde.

(Hoewel ik de liefde kende van Hem die mij achtervolgde,

was ik toch vol grote vrees: als Hij mij te pakken kreeg,

kon ik niets anders meer bezitten dan Hem alleen.)

Maar als onverwacht één enkel klein luikje zich opende,

deed een windvlaag van zijn komst het meteen dichtklappen.

“Vrees kan niet zo ver vluchten als liefde weet te achtervolgen.”

 

Naar het uiteinde van de wereld sloeg ik op de vlucht;

ik bracht onrust in de gouden kringloop van de sterren.

Op zoek naar een schuilplaats beukte ik tegen hun kletterende kluisters,

geërgerd door hun zachte dissonanten

en door het zilveren gekakel in de poorten van de maan.

Tot de dageraad schreeuwde ik: Kom meteen;

tot de avondstond: Kom maar vlug,

wanneer de bloesem van de nieuwe hemel mij overstelpt,

gezonden door die vreeswekkende Minnaar.

Laat de vale sluier van de nacht wapperen over mijn leven,

zodat Hij me niet langer kan zien!

Ik stelde al Zijn dienaars op de proef,

maar ontdekte alleen mijn verraad tegenover hun trouw,

in hun vast geloof in Hem, hun wantrouwen tegenover mij,

hun verraderlijke trouw en hun loyaal bedrog.

Ik zocht naar vlugheid in alle vliegensvlugge dingen.

Ik zocht steun in de fluitende manen van elke wind.

Of die wind nu waaide als een zachte bries,

over de lange savannes van de blauwe hemel,

of gedreven door de Donder zijn strijdwagen hemelwaarts deed galmen,

met flitsende bliksems kletterend boven zijn aanstormende hoeven.

“Vrees kan niet zo ver vluchten, als liefde weet te achtervolgen.”

 

Nog steeds in een wilde jacht zonder haast, met ongestoorde tred,

met bezonnen spoed en plechtige aandrang,

naderden die achtervolgende Voeten

en ik hoorde een Stem luider dan hun gedruis:

“Niets biedt jou een schuilplaats, jou die Mij niet laat schuilen in jou.”

 

Wat ik in mijn dooltocht verlangde,

zocht ik niet langer in het gelaat van man of meid.

Maar in de blik van kleine kinderogen is er heel af en toe

iets wat een antwoord lijkt.

Zij ten minste kijken mij aan, kijken mij recht in de ogen.

Vol smachtend verlangen wendde ik mij naar hen toe.

Maar op het ogenblik dat hun jonge ogen begonnen te glinsteren

en ik daarin een dagend antwoord zag,

plukten hun engelen hen weg van mij, hen grijpend bij het haar.

“Komen jullie dan, alle andere kinderen van moeder Natuur,

laat ook mij deelhebben aan jullie fijn gezelschap.

Laat mij jullie begroeten, lip op lip.

Laat mij jullie aaien en omstrengelen,

prettig stoeiend,

met de wilde vlechten van onze Meesteres en Moeder,

in een heerlijk feestmaal

in haar paleis met muren van wind,

onder haar hemelsblauwe baldakijnen,

drinkend aan de grote kelk, want dat is jullie onschuldige gewoonte,

de grote kelk die het licht van de dageraad als tranen uitgiet over de wereld.”

En zo geschiedde.

 

Ik was een deelgenoot in dit fijn gezelschap –

ik trok de grendel open naar alle geheimen van moeder Natuur.

Ik herkende al haar vluchtige boodschappen

op het eigenzinnig gelaat van alle luchten.

Ik wist hoe de wolken opkomen;

zij lijken op het schuim van wild blazende zeepaarden.

Alles wat geboren is of sterft,

rijst op of kwijnt met hen; zij lijken de makers

van mijn eigen stemmingen, soms jammerend, soms goddelijk –

in hen vond ik zowel vreugde als zwaar verlies.

Ik was soms even zwaarmoedig als de hemel,

als hij zijn glimmende toortsen aansteekt

rond de heilige en dode mysteries van de dag.

 

Ik lachte met de ogen van elke dageraad.

Ik triomfeerde en werd bedroefd bij elk ander getij.

De hemel en ikzelf, wij weenden samen;

zijn zoete tranen werden zilt door mijn sterfelijk geween.

Ik liet mijn hart kloppen tegen het bonzend hart van elke zonsondergang,

om zijn stralende warmte samen te delen.

Maar op die manier werd mijn menselijk leed niet geheeld, niet in het minst.

Tevergeefs rolden mijn tranen op de grijzende wangen van de hemel.

Want helaas! wij weten niet wat ieder tot de ander zegt,

deze wolken en ikzelf; ik spreek met een duidelijke stem,

hun stem is slechts een licht getril, zij spreken door hun zwijgen.

De natuur, arme stiefmoeder, kan mijn dorst niet lessen;

laat zij, als zij mij als haar kind erkent,

de blauwe boezem-sluier van de hemel verwijderen

en mij haar tedere borsten tonen, die bronnen van tederheid.

Nooit werd mijn dorstige mond gelaafd met een druppel van haar melk.

 

Dichter en dichter nadert de Achtervolger,

met ongestoorde tred,

met bezonnen spoed en plechtige aandrang.

En boven het geluid van die Voeten,

klinkt een Stem steeds sneller en hoger –

“Ziedaar! niets geeft jou voldoening, omdat je Mij geen voldoening geeft.”

 

Naakt wacht ik op de dreigende klap van Uw liefde!

Stuk voor stuk hebt Gij mijn harnas weggerukt,

en mij op mijn knieën neergeworpen.

Ik ben nu volslagen weerloos.

Het lijkt me dat ik in slaap viel en ontwaakte.

Traag tot bewustzijn weergekeerd,

voel ik mij volkomen uitgekleed in mijn slaap.

In de vlugge wellust van mijn jonge krachten

schudde ik de pijlers van die uren van mij af

en trok mijn levensdeken over mij, met modder bevuild.

 

Ik stond tussen het stof van opgehoopte jaren –

mijn verknoeide jeugd ligt dood onder hun gewicht,

mijn dagen werden verscheurd en gingen op in rook,

zij ploften neer en barstten als zonnevlekken in een stroom.

Jazeker, voortaan krijgt de dromer geen dromen meer

en de luitspeler verliest zijn luit.

Zelfs mijn gebundelde fantasieën,

in wier bloemrijke kronkels ik de aarde deed wentelen

als een ketting om mijn pols, zij werden slappe koorden

met te weinig sterkte voor deze aarde, door zoveel smarten overladen.

Ach, is Uw liefde inderdaad een onkruid,

een onkruid van amarant dat nooit verwelkt

en dat geen andere dan de eigen bloesem laat ontstaan?

Ach, eeuwige Ontwerper van heel de wereld,

moet Gij alle hout tot kool laten verschroeien,

eer Gij ermee kunt tekenen?

Mijn jeugd verspilde zijn weifelende waterdruppels in het stof

en heden is mijn hart een gebroken fontein,

waarin mijn vallende tranen moeizaam stagneren.

Tranen verspild aan wazige gedachten,

die huiverend hangen aan de zuchtende takken van mijn geest.

Dit is mijn verhaal, wat zal de toekomst brengen?

Als de pulp zo bitter is, hoe zal de bast dan smaken?

Ik heb een vaag vermoeden van wat de Tijd nog in zijn nevels hult.

Maar steeds opnieuw weerklinkt een luide trompet

van op de verborgen kantelen der Eeuwigheid:

de geschrokken nevels zijn een korte tijd in de war,

maar komen weer samen, zeer traag, rond half zichtbare torens.

Maar niet aleer ik eerst de torenwachter heb gezien op de spits,

gewikkeld in een schitterend purperen gewaad, met een cipres gekroond.

Ik ken zijn naam en ik weet wat de trompet verkondigt.

Maar welke oogst het hart en het leven van een mens ook opbrengt,

moeten de velden van Uw oogst eerst worden gemest met rottende dood?

 

Nu wordt het geraas voelbaar van die lange achtervolging.

De bekende Stem klinkt rondom mij als een onstuimige zee:

“Is jouw wereld zo erg bedorven,

zo gebroken in vele scherven?

Kijk nu toe: alle dingen slaan voor jou op de vlucht, omdat jij Mij ontvlucht!

Eigenaardig, ellendig en futiel wezen,

waarom zou iemand voor jou een speciale liefde koesteren?

Niemand buiten Mij is in staat iets uit het niet te scheppen,

want menselijke liefde veronderstelt menselijke verdienste;

hoe heb je dan liefde verdiend –

jij de goorste kluit die ooit uit menselijke klei werd geklonterd?

Helaas, jij beseft niet hoe weinig je enige liefde waardig bent!

Wie kan je vinden die je verachtelijk wezen wil beminnen,

buiten Mij en Mij alleen?

Alles waarvan Ik je beroofde, roofde Ik niet om jou te schaden,

maar met dit enige doel: dat jij het zou komen zoeken in Mijn armen.

Al wat je verkeerde kinderlijke fantasie als verloren beschouwt,

heb Ik veilig opgeslagen in mijn huis.

Sta op, grijp Mijn hand, en kom!”

 

De voetstappen achter mij verstommen.

Is mijn duisternis, ten slotte,

slechts de schaduw van Zijn vriendelijk uitgestoken hand?

“Ach, dwaas, blind en zwak mens,

Ik ben het die jij zoekt!

Het is de liefde die je afwijst, jij die Mij afwijst.”

 

De vertaling van en het commentaar op dit mystieke gedicht werden verzorgd door de jezuïeten Hugo Roeffaers en Paul Verdeyen.  

Print Friendly