Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Andere Bronnen van Inspiratie / Geestelijk leven op het ritme van een seculiere wereld.

Geestelijk leven op het ritme van een seculiere wereld.

Redactie Cardoner on 01/06/2012 - 1:36 pm in Andere Bronnen van Inspiratie

door Sophie Tremblay, doctor in de theologie en docent aan het Pastoraal Instituut van de dominicanen in Montréal,

Hoe wordt de huidige wereld voor ons een plek van spiritualiteit?  Wij, leken, wonen immers sociaal en ruimtelijk in een geseculariseerde maatschappij. En daarvan bewonen wij ook de tijd. De maatschappelijke indeling van de tijd en de collectieve beeldvorming die daar niet van losgemaakt kan worden bepalen onontkoombaar ons dagelijks leven, maar zij doen dat op een onduidelijke manier.

Charles Taylor spreekt over die situatie als van een “sociale beeldvorming”. Het gaat om

 manieren waarop mensen hun sociaal bestaan beleven, zich aan elkaar aanpassen, hoe de dingen zich onderling en tot huns gelijken verhouden, de verwachtingen waarop zij uitlopen en de begrippen en normatieve beelden waarop die verwachtingen stoelen. (A Secular Age, Cambridge Mass., 2007, blz. 171, vrije vertaling)

 Ofschoon resultaat van een historische constructie lijkt ons sociaal besef van de tijd dus heel normaal, duidelijk, natuurlijk, alsof het tot de gegeven werkelijkheid behoort. Hoe zouden wij dan het tijdskader kunnen beschrijven waarin ons leven zich afspeelt? Om daarop te antwoorden zullen wij een kort moment onderzoeken wat ons dagelijks leven onmerkbaar beïnvloedt.

Elementen van onze sociale beeldvorming

Om uit te drukken hoe wij samen ons de tijd voorstellen, hebben ontelbare dichters rake woorden en sterke beelden weten te vinden, zoals Francis Cabrel wanneer hij zingt:

 Nauw begint de dag
Of ik ben reeds op
En reeds loopt een traan over mijn wang
De dampende koffie
De lift die op me wacht
En de motor die ik start
Helpen mij om langzaam te nemen
Te nemen mijn plaats in het verkeer.

(Ma place dans le trafic, 1981)

 Deze woorden van Cabrel roepen een tijd op die in hoge mate afgemeten is, georganiseerd, geordend, beheerst. Minuten en dagen volgen elkaar op zonder zich iets van onze gemoedstoestanden aan te trekken, zonder onderbreking. Zowel de tijd van de chronometer, de kalender of de tijdzones als de mechanische impulsen die ons bestaan regelen, nemen afstand van de bewegingen van de kosmos, de natuur en de lichamelijkheid. De geordende tijd structureert alles, maar het is moeilijk om eraan te ontsnappen, en de discipline die hij eist kan een gevangenis worden, zoals hetzelfde chanson vervolgens uitdrukt:

 Ik zou wel willen dat iemand mij komt bevrijden
Maar hem die ik daartoe zojuist uitkoos
Gaf mij net genoeg om te overleven
En te weinig om weg te vluchten
En ik blijf de gevangene van mijn beloften
Aan al die brutale scharrelaars
Die me laten slapen op dikke wol
En die mij na elke nacht verplichten
Om mijn plaats in het verkeer te nemen.

 Luisteren wij nu naar Sylvain Lelièvre:

 Vroege ochtend zonder horizon, kopje koffie fabrieksrook
Ik kijk naar de achterzij der huizen, de vrouwen zijn in hun keuken
Vogels maken elkaar het hof op de telefoondraden van Bell
En in het holle oog van mijn binnenplaats een 747 die gromt
Die duwt een grote transformator in wat eens een eik was
Op de ruit teken ik een hart dat door de wasem haast niet wordt vastgehouden
In het wilde weg open ik de krant, crime passionnel in de Lacordairestraat
Het lijkt dat het met de aardappeleters steeds slechter gaat
Het lijkt ook dat de president heel graag gokt
Tussen twee advertenties op bladzijde 100, met wat overblijft van de planeet.

(Petit matin, 1975)

 Dit tweede chanson wijst op het horizontale, eendimensionale, lineaire karakter van de huidige tijd. Alles staat er naast elkaar op een rijtje, maar niets krijgt een bijzonder reliëf. De meest banale details en de grootste drama’s raken elkaar nauw maar verworden tot anekdoten, al naargelang van de blik van de toeschouwer. De auteur tracht er zin aan te geven als hij van zijn eenzaam ochtendje zingt, maar zijn tekst eindigt met spijt dat hij daar niet echt in slaagt.

Ten slotte, ons gezamenlijk tijdsbesef flirt met de leegte. De absurditeit van die leegte kan aanvoelen als duizelingwekkend, zoals Luc Plamondon dat in meer dan één chanson uitzingt:

 Wat ga ik vandaag doen?
Wat ga ik morgen doen?
Dat zeg ik tot mijzelf elke ochtend
Wat ga ik maken van mijn leven?
Mijn leven lijkt niet op mij
In mijn ondergronds heelal
Lijken alle dagen op elkaar
Voor mij dient het leven tot niets
Ik ben als een uitgedoofde neonbuis.

(La complainte de la serveuse automate, 1978)

 Maar er bestaat ook de mogelijkheid om die leegte te bewonen, als je in je persoon flink investeert. Dan schep je een ruimte voor je vrijheid, je verantwoordelijkheid, je zoeken naar zin. In dit verband citeer ik een chanson van Jean-Jacques Goldman:

 Weer een ochtend, een ochtend voor niets, leem in mijn handpalm
Weer een ochtend zonder reden of doel als niets je weg baant
Ochtend om te geven of ochtend om te nemen, om te vergeten of om te leren
Ochtend om te beminnen, om te verwensen of te minachten
Om te laten vallen of te weerstaan
Weer een ochtend die zoekt en die twijfelt
Verloren ochtend die een weg zoekt
Weer een ochtend waarin het ergste of het beste geschiedt
Om het vuur te doven of aan te steken
Een ochtend, dat dient tot niets
Een ochtend waar geen handje geholpen wordt
Die ochtend, die is van mij, die is van jou
Een ochtend van niets om er later van te dromen
Weer een ochtend rechter of schuldige, slachtoffer of dader
Weer een ochtend vriend, vijand, tussen rede en lust
Ochtend om te handelen of je kans af te wachten
Of om tegen heilige huisjes te schoppen
Argeloze ochtend, wijze ochtend
Jij bent het die beschikt over de zin.

(Encore un matin, 1984)

 Gelovigen, ongelovigen, agnosten van alle slag, wij wonen samen op een bepaalde plaats en in een bepaalde tijd die onze huidige seculiere maatschappij bepalen. Allen moeten wij positie kiezen tegenover dat sociale tijdsbeeld. Maar hoe kun je dan een geestelijk leven leiden in de concrete levensomstandigheden welke die moderne tijd je hier en nu oplegt?

 Tijdscycli van de christelijke traditie

Ik ga eerst uitleggen wat ik onder christelijke spiritualiteit versta. Ik zou die willen definiëren als de innerlijke, persoonlijke toe-eigening van het geloof in Vader, Zoon en Geest, als een geleidelijke bekering van je persoon tot het evangelie. Ik heb een voorkeur voor de uitdrukking “geestelijk leven” om die lange weg van omvorming in de kracht van de Geest aan te duiden, want ons leven moet dagelijks gevoed en herbrond worden en gestimuleerd door belevingen waarin je jezelf overstijgt.

Wie vandaag die weg volgt, zal proberen om op de een of andere manier te putten uit de ruime voorraad praktijken die wij geërfd hebben van de gelovigen van vroegere eeuwen. Op het eerste gezicht voegde de christelijke traditie zich vooral door de liturgie in het verloop van de tijd: het liturgisch jaar en zijn grote jaarlijks terugkerende kringen, de cyclus van de weken die door de zondagse eucharistie bekroond worden, en het dagritme dat bepaald wordt door het getijdengebed. Dat zijn even zoveel gelegenheden om de tijd te maken tot een gezamenlijke en individuele weg om Christus te volgen en om voortdurend het evangelie tot leidraad te nemen voor je leven. Maar tenzij zij leven in een religieus huis of in een regelmatig “praktiserende” communauteit of familie, voelen gelovige mensen zich niet meer geleid door dergelijke bakens. De tijdscycli van de liturgie, die vroeger aan het hele sociale leven ten grondslag lagen, ontvouwen zich nu aan de rand van het alledaagse leven van de leken.

Zelfs als er nog vrije dagen bestaan die met de voornaamste feesten verbonden zijn, verdwijnt de religieuze betekenis ervan langzamerhand uit het collectieve geheugen. Als bewijs daarvan citeer ik de column van Denise Bombardier met Pasen 2009:

“De kalender die ons leven regelt en die wij erven van onze christelijke cultuur, Allerheiligen, Kerstmis, Besnijdenis, Hemelvaart, zijn niet meer dan vrije dagen zonder andere betekenis dan dat ze ons uit de routine van het werk halen. En heimwee helpt in genen dele” (Le Devoir, 11-12 april 2009).

 De liturgische tijden gaan niet zo gemakkelijk samen met het ritme van het werk, van het gezinsleven in enge en brede zin, van vrije tijd, vriendschappen, huiselijke taken, enzovoort. Wie ’s avonds of ’s nachts, ’s zondags of op ongewone uren werkt kan zich zelfs schuldig voelen tegenover de traditionele christelijke tijdsbepaling. Zo wordt het beleven van de liturgische tijden de vrucht van een individuele keuze en persoonlijke verbintenis. Dit is zowel een voordeel als een beperking van de horizontale, open tijd die tegenwoordig de onze is.

Behalve de liturgie biedt de christelijke traditie een brede waaier van praktijken die het geestelijk leven kunnen ontwikkelen. De meeste daarvan berusten op de gewoonte om van tijd tot tijd te “stoppen”, dat wil zeggen om tijden in te ruimen waarin men zich wijdt aan de inwendigheid, het gebed, de reflectie. Denken wij bijvoorbeeld aan het traditionele morgen- en avondgebed, het rozenhoedje, de regelmatige lezing van Bijbelteksten, de zogenaamde lectio divina, of ook aan het eenvoudige stille gebed.

Dat lijkt zo gemakkelijk. Toch ben ik veel leken tegengekomen die spijt hadden van hun gebrek aan volharding of regelmaat om tijd vrij te maken om hun dagelijkse beslommeringen even te laten rusten. Die mensen kampten geregeld met conflicten over hun prioriteiten. Hoevelen voelden zich daarin heel ongemakkelijk: verscheurdheid, schuld, ontmoediging. Onregelmatig deelnemen aan de liturgie voert overigens tot dezelfde reacties. Vaak verklaren mensen die niet regelmatig aan liturgie deelnemen hun gedrag met een impliciete norm die hun een gevoel van ontoereikendheid geeft; ze geven er zichzelf de schuld van. En, toppunt van ironie, deze obsessie om zich even vrij te maken betekent voor sommigen werkelijk de domper op hun geestelijk leven en een extra druk op hun dagindeling.

Zou men zo’n situatie, als ze algemeen is, niet kunnen beschouwen als teken van een belangrijke verschuiving, waarvan de gevolgen zich verder uitstrekken dan de individuele grens? Die normen komen uit een vroegere periode, die zich de tijd totaal anders voorstelde dan wij. Ze komen bovendien voort uit een soort collectieve achtergrond die tot het verleden behoort: de christenheid en de klassieke vormen van het religieuze leven. Moeten wij ons onttrekken aan de hartslag van de seculiere tijd om ons beter in die traditionele vormen te voegen? Of worden wij, integendeel, geroepen om – geïnspireerd door onze creatieve voorouders in het geloof – nieuwe manieren te ontdekken om het christelijke spirituele leven op een nieuw spoor te zetten: dat van een sociale tijd die de onze is?

 Steunpunten in de dagelijkse tijd

Tachtig jaar geleden maakte Pierre Teilhard de Chardin zich tot de spreekbuis van de inwendige verscheurdheid waarin de gelovige mensen van zijn omgeving leefden:

 Niet werken is onmogelijk: dat is duidelijk. Maar onmogelijk is het ook om het diep religieuze leven te willen leiden dat voorbehouden is aan hen die de hele dag tijd hebben om te bidden of te preken. In het leven kunnen wij enige minuten voor God inhalen. Maar de beste uren worden opgeslorpt of ten minste afgeprijsd door materiële zorgen. Beheerst door deze gevoelens leidt een massa katholieken een bestaan dat praktisch dubbel of gehinderd is: zij moeten hun kleren als mens afleggen om zich christenen te wanen, en slechts inferieure christenen. (Le Milieu Divin. Essai de vie intérieure, Paris, 1957, blz. 46)

 In de ogen van Teilhard blijft het verlangen van de leken om momenten van inwendigheid te leven niet beperkt tot het onderhouden van een regel. Het komt voort uit een werkelijke behoefte om zich het evangelisch geloof eigen te maken:

 In onze dag komen natuurlijk bijzondere, kostbare minuten voor: die van het gebed en de sacramenten. Zonder die meer efficiënte en expliciete momenten van contact zouden de stroom van goddelijke alwetendheid en het zicht dat wij daarop hebben, spoedig zwakker worden, totdat onze beste menselijke ijver, zonder absoluut verloren te zijn voor de wereld, voor ons zonder God blijft. (Ibid., blz. 47)

 Deze opmerking van Teilhard lijkt mij een terrein voor reflectie en voor experimenten open te leggen dat tot nu toe nog al te weinig ontgonnen is. Hoe kunnen wij onze erfenis van tweeduizend jaar spirituele praktijken op een nieuwe manier interpreteren om er voor ons, leken, duidelijke bakens uit te halen? Hoe “uit onze schat nieuw en oud tevoorschijn halen”, om de uitdrukking van het Matteüsevangelie te gebruiken (13,52)?

Er bestaan al veel pogingen tot herinterpretatie in die zin, met name een stroming om de Regel van Benedictus te lezen in samenhang met het actuele christelijke bestaan. Die stroming verspreidt zich over de grenzen der denominaties heen. Monniken en monialen schrijven boeken om te antwoorden aan leken die hun raad vragen. Bij de protestanten gaat het heel anders; hun dominees komen in de abdijen verblijven en proberen op hun manier de Regel van Benedictus of het getijdengebed in een seculier kader opnieuw uit te denken. Of het resultaat van die pogingen nu slaagt of niet, staan blijft in elk geval dat dit alles getuigt van een volop ontluikende beweging.

En wij, wat zouden wij ons in dit opzicht kunnen voorstellen? Welke praktijken uit verleden eeuwen zouden nieuw leven kunnen inblazen aan ons dagelijks levensritme, zonder het nodeloos te verzwaren? Opnieuw opent Teilhard de Chardin een weg tot reflectie in die richting:

 Maar moet je wel bang zijn dat de meest banale of de meest concentratie vergende of de meest aantrekkelijke bezigheid je van God wegtrekt? Krachtens de Schepping, en nog meer krachtens de Incarnatie, is er in dit ondermaanse voor iemand die zijn ogen opendoet toch niets profaans. Integendeel, alles is heilig (…). Werkelijk, door de almaar voortdurende werking van de Incarnatie doortrekt het Goddelijke de energie van ons, schepselen, zó intens dat wij, om het te ontmoeten en te omhelzen, geen geschiktere ruimte zouden kunnen vinden dan ons werken zelf. In dat werken ben ik verenigd met Gods scheppende macht; ik word er niet alleen het instrument van, maar het levende verlengstuk. (Ibid., blz. 47 en 42)

 Steunend op die slotsom bevestigt Teilhard vervolgens dat God ons naar zich toe trekt door onze actie en ons dagelijks labeur zelf, via gehechtheid en onthechting. Deze weg, waarvoor Teilhard het beeld van de bestijging van een ladder gebruikt, “bestaat erin dat je klimt door steun te zoeken bij al wat je omringt” (blz. 113). Hij denkt aan “steunpunten waarop je je verheft, schakels die je gebruikt, voedsel dat je eet, sap dat je zuivert, elementen die je in je opneemt of met je meeneemt” (blz. 114). Die steunpunten, die sporten, die ons zowel vermoeien als voortstuwen, worden door Teilhard dus niet als specifiek religieuze of mystieke gebeurtenissen erkend (zoals een periode van twijfel, gebedsmoeilijkheden), maar als simpele feiten van een gewoon bestaan.

In dit perspectief dienen zich nieuwe wegen aan om ons dagelijks leven te gaan leiden op het ritme van een seculiere wereld. Het gaat er minder om gevestigde praktijken aan te passen dan om praktijken aan het licht te brengen die, naar ik weet, in het hedendaagse leven van gelovige mannen en vrouwen wel degelijk bestaan. Die praktijken blijven gemakkelijk onopgemerkt, ze zijn bescheiden, en hebben soms zelfs nog geen naam.

Sommige van die praktijken betreffen het verlangen om de dagelijkse tijd zo te beleven dat je weer op adem komt en je je de zin van je handelen meer bewust wordt. Niet alleen christenen verlangen natuurlijk boven het horizontalisme van de moderne tijd uit te komen. Sociale stromingen als de Slow Food en vrijwillige soberheid laten een vergelijkbaar verlangen zien bij velen, los van alle vragen over religieuze kleur. Het woord “bewustzijn” (awareness) spreekt er op een andere manier over; het wordt vaak gebruikt en is een echt leidmotief van moderne boeken over spiritualiteit. Het chanson Le quotidien (Dagelijks bestaan) van Marie-Claire en Richard Séguin vertolkt welsprekend dit verlangen:

 Spreken van de boom en van de beek
Van het ruime, rustige huis
Van de tafel en de stoel
Van de rozenstruik die moet worden geknipt
Het heden weer uitvinden
De eeuwigheid van elk moment
Met wat aan geduld nodig is
Om ieder ding gedwee te maken
Eindeloos weer uitvinden
De gebaren van elke seconde
En de simpele woorden en de tederheid
Om hen die men bemint gedwee te maken
En naar de avond te kijken die valt
In het ruime, rustige huis
En met vrienden te sprekenOver de rozenstruik die je hebt geknipt.

(Le quotidien, 1975)

 Dit verlangen om in een dagelijks ritme te leven dat langzamer verloopt en zinvoller, wordt beleefd midden in de christelijke traditie. Het wordt beleefd in verbondenheid met Gods vrijgevige liefde die wij ontvangen, met het oog op de medemensen die als tekens van die liefde worden beschouwd; men beleeft het in de beschouwing van de schepping, in de onderscheiding van het wezenlijke door zijn levenskeuzen. Talrijke gelegenheden om aan dat verlangen gestalte te geven kunnen in de dagelijkse activiteiten herkend worden: rustig een trede opgaan, een baby wiegen, je ogen sluiten in bus of tram, een afspraak maken om samen een kopje koffie te drinken, met elkaar praten in het schemerdonker voor het slapengaan. Plotseling stokt de tijd, zijn gejaagde of zuiver rechtlijnige voortgang wordt onderbroken. Hij wordt nu gestructureerd door momentjes die tot sporten worden, dagelijkse of wekelijkse steunpunten op de klimtocht waarover Teilhard spreekt, in de innerlijke omvorming door de adem van Gods Geest. Verdienen die korte tijden van kalmte en inwendigheid niet beschouwd te worden als echt geestelijke praktijken?

Andere dergelijke praktijken ontstaan op de meest vervelende, moeilijke of saaie momenten van ons dagelijks ritme. Ziehier enige voorbeelden: sikkeneurige klanten bedienen, je met de kinderen bezighouden na een uitputtende werkdag, een huishoudelijke taak oppakken waaraan je een hekel hebt, voor iemand zorgen die heel traag is, wachten tot de badkamer vrijkomt. In een maatschappij die de waarde van succes, plezier en rendement overschat, dreigt dat soort irritaties ronduit stomvervelend, zinloos, onverdraaglijk te worden. Maar er bestaan gelovige mannen en vrouwen die deze gelegenheden tot steunpunten maken om het evangelie midden in hun leven te plaatsen; zij vinden er dagelijkse bakens in op hun weg ter bekering en zo veranderen zij ze in spirituele praktijken.

Zou het niet vruchtbaar zijn om al die bescheiden praktijken die in het ritme van de seculiere tijd verborgen liggen, uit de schaduw te halen? In dit opzicht is het nodig dat leken, mannen en vrouwen, over hun eigen spiritualiteit het woord nemen. Dat is tot nu toe alleen nog maar gestamel. Maar hoeveel stemmen zouden geroepen zijn om zich te laten horen en om openlijk te getuigen van het werk dat de Geest van de verrezen Christus diep in ons hier en nu verricht.

 In 2009 organiseerde het spiritualiteitscentrum Manresa in Québec samen met de Laval Universiteit een colloquium over lekenspiritualiteit onder de titel “Notre spiritualité autrement”.   Sophie Tremblay,  hield daar het bovenstaande referaat.

 uit: Cahiers de spiritualité ignatienne, 126 (2009)  ;   vertaling: Frans Kurris S.J.

 

Print Friendly, PDF & Email