Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Andere Bronnen van Inspiratie / Desiderius Erasmus. Voorloper van Ignatius.

Desiderius Erasmus. Voorloper van Ignatius.

Redactie Cardoner on 01/07/2008 - 3:42 pm in Andere Bronnen van Inspiratie

door  Jos Alaerts S.J.

 De “prins van de humanisten”, Desiderius Erasmus (Rotterdam 1467/69 – Basel 1536), was allereerst een groot wetenschapper. Hij verzorgde onder meer talrijke edities van kerkvaders. Met zijn kritische uitgave en zijn vertaling van het Nieuwe Testament was hij een wegbereider voor de moderne Bijbelwetenschap. Maar de wetenschap was voor hem geen doel op zich; zoals elke menselijke bezigheid moet zij gericht zijn op dit ene doel: Christus kennen en liefhebben. De teksten van Erasmus in deze bijdrage werden vertaald door de auteur.

 De spiritualiteit van Ignatius is niet in het luchtledige ontstaan. Zij is onder meer de vrucht van de geestelijke stromingen van zijn tijd. Een van de grootste schrijvers van die tijd was Erasmus van Rotterdam, de “prins van de humanisten”. Ignatius kende de geschriften van Erasmus. Zij circuleerden in het geletterde milieu, waarin ook Ignatius zijn opleiding gekregen had. Het is waarschijnlijk dat bv. de volgende tekst uit het Handboek van de christen strijder (Enchiridion militis christiani) Ignatius heeft beïnvloed.

 “Plaats Christus voor je als het enige doel van geheel je leven; wijd aan Hem heel je aandacht, al je inspanning, al je tijd van rusten en werken. (…) Zo zul je niets liefhebben, niets bewonderen, niets verwachten dan Christus of voor Christus. (…) Het is al kijkend naar dit doel dat je nut of onnut van alle neutrale dingen moet afmeten. Je houdt van letterkunde? Een goede zaak, als het voor Christus is. Maar als je er alleen van houdt om geleerder te zijn, dan blijf je staan waar je moest verdergaan. Wanneer je erop uit bent om aan haar hand Christus in een voller licht te zien – Hem die zich verbergt in de mysteries van de Schrift – en om Hem grondig te leren kennen en lief te hebben en om Hem, eenmaal gekend en bemind, mee te delen of van Hem te genieten: rust je dan uit voor de studie van de letterkunde.” (Enchiridion, in de vierde canon)

 We beperken ons hier tot Erasmus’ parafrasen van het Nieuwe Testament. Om de kerk van Christus een dienst te bewijzen, deed de geleerde Erasmus namelijk iets heel pastoraals: door geleidelijk het hele Nieuwe Testament (behalve de Apocalyps) in gemakkelijk Latijn en met wat commentaar te herschrijven wilde hij zijn lezers overhalen om de “christelijke filosofie” aan te hangen. Deze uitdrukking bedoelt meer dan het kennen van de evangelische wijsheid, het gaat er ook en vooral om – in de lijn van de Moderne Devotie – de persoon van Jezus Christus toe te laten in het eigen leven. Het biddend omgaan met de Heilige Schrift ziet Erasmus als een zeer geëigend middel daartoe. De parafrase van het evangelie van Matteüs (1522) liet hij voorafgaan door een “Aansporing tot het lezen van het evangelie”. Uit deze inleidende tekst komt het volgende fragment. (De vertaling is gebaseerd op: Exhortation à la lecture de l’Evangile, I. Le texte latin, ed. A. Vanautgaerden, Brepols & Musée de la maison d’Erasme, 2005.)

 “Om het evangelie met vrucht te lezen, moet men ingetogen lezen; niet op een slaperige wijze zoals men een of ander verhaal over mensen leest dat u helemaal niet aangaat, maar geboeid en met niet aflatende aandacht. Men ga tewerk als een verknochte leerling van Jezus, die Hem langs alle mogelijke wegen tracht te bereiken. Hij zal gadeslaan wat Jezus doet, wat Jezus zegt: hij wil het allemaal naspeuren, opsporen en doorvorsen. In die zeer eenvoudige en ongekunstelde Schrift zal hij dan de onuitsprekelijke raad vinden van de hemelse Wijsheid: hij zal – als we het zo mogen uitdrukken – in die op het eerste gezicht lage en verwerpelijke dwaasheid van God iets vinden dat veel hoger is dan alle menselijke wetenschap, hoe subliem en wonderbaar deze ook moge zijn. Niets gebeurt daar wat niet dagelijks in ons leven gebeurt: weliswaar op een meer geheime, maar ook op een echtere wijze. Christus wordt in ons geboren.” (o.c., p. 80-82, r. 314-332)

 De laatste zinnen laten zien hoe Erasmus het Boek relativeert. De Heilige Schrift moet wijken voor het concrete leven van de gelovige met de levende Christus. Wat in het Boek gebeurt is minder geheim en ook minder reëel! Merkwaardig, maar niet echt nieuw. De hele Moderne Devotie, die het milieu vormde waarin Erasmus is opgegroeid, heeft nooit iets anders verkondigd.

Nog uit de Aansporing tot het lezen van het evangelie komen deze instructies over de lezing van de Schrift.

 “In de evangelieboeken daalt de goddelijke Wijsheid op een wonderlijke wijze af tot het niveau van de allerkleinsten: iemand mag nog zo weinig onderlegd zijn, voor de evangelische filosofie is hij vatbaar. Het volstaat dat zijn geest ervoor openstaat, hoe onkundig die ook is – als hij maar eenvoudig is, zuiver en vrij van zorgen en verlangens die zelfs de geleerdsten hardleers maken voor Christus. Vooraleer het evangelieboek ter hand te nemen, zal de eenvoudige zich met een kort gebed op de lezing voorbereiden. Hij zal vragen dat die onovertroffen Jezus, die ook voor de meest misprezen mensen gestorven is, zich zou verwaardigen zijn Geest mee te delen. Deze rust alleen op de nederige en zachtmoedige, en op wie beeft voor de woorden van Jezus.” (o.c., p. 68-70, r. 153-167)

 “Een gelovige nieuwsgierigheid is hier wel op haar plaats, evenzeer als een nieuwsgierig geloof. Maar hier is geen plaats voor onbezonnenheid, noch voor een voorbarige en eigenzinnige overtuiging dat men het al weet. Wat je leest en inziet, geef er je aan over met een diep geloof. Jaag de banale vraagjes weg, ook nieuwsgierige die van ongeloof getuigen; jaag ze weg, als ze toevallig opkomen in je geest. Zeg bij jezelf: wat ons geheel overstijgt gaat ons niet aan. Debatteer niet over de wijze waarop het lichaam van Christus uit het gesloten graf is gekomen: voor jou is het voldoende dat het eruit is gekomen. Onderzoek niet hoe zich op de heilige altaartafel het lichaam van Christus bevindt, daar waar brood werd neergelegd; voor jou volstaat het te geloven dat daar het lichaam van de Heer is. De wijze waarop de Zoon een andere is dan de Vader, terwijl ze één enkele natuur hebben, tracht het niet te doorvorsen; voor jou is het voldoende te geloven in Vader, Zoon en Heilige Geest als drie personen en toch één God. Maar zie er vooral op toe dat je de Schrift niet probeert om te buigen naar eigen neigingen en standpunten: neem haar veeleer als richtsnoer voor je meningen en levenswijze. Anders zullen bronnen als de Schrift aanleiding geven tot hardnekkig affirmeren, tot twist, onenigheid en haat, tot ketterijen – allemaal gif voor de christelijke eendracht.” (o.c., p. 78-80, r. 278-304)

 Erasmus was de eerste moderne theoloog. Zijn vele reizen en relaties hebben hem geholpen om de handschriften van het Griekse Nieuwe Testament en van de “beste bijbelverklaarders”, de kerkvaders, te bestuderen, en om zo de eerste kritische uitgave van het Nieuwe Testament (1516) en van vele kerkvaders uit te geven. Maar hoe belangrijk deze wetenschappelijke publicaties ook waren, Erasmus vond dat er nog iets anders nodig was voor een theoloog. Een echte theoloog moest “pius et doctus” zijn, dus niet alleen onderlegd, maar ook diep gelovig. Een persoonlijke relatie met Christus maakt volgens Erasmus deel uit van de theologische methode zelf. In het biddend lezen van de Schrift treden we in relatie met de Heer, laten we zijn blik op ons rusten.

 “Gelukkig het volk waarop Jezus zijn blik wil laten rusten! Zijn blik is niet werkeloos. Hij heeft geen ogen die door een duistere macht schade toebrengen, maar ze zijn heilzaam door een goddelijke kracht. Hij zag de loochenaar Petrus aan, en deze kwam tot inkeer. En toen Hij hem de eerste keer aankeek en hem een nieuwe naam gaf, voorspelde Hij hem een stevig geloof. Op de berg keek Hij zijn leerlingen aan, en de hemelse leer drong door tot in hun geest.
Wat zullen wij nu, broeders? Laten we ons inspannen om schapen te zijn door ons te ontdoen van alle boosheid, hoogmoed en toorn – niets hiervan hoort bij de schapen. En bidden we de zeer welwillende Jezus, dat Hij zijn ogen ook naar ons wil keren. Hij is de goede Herder: Hij zal zich over ons ontfermen. Zo zal Hij, zoals we bij Matteüs lezen, ofwel geschikte arbeiders naar zijn oogst sturen als we het maar dringend vragen aan de Heer van de oogst; ofwel zal Hijzelf ons onderrichten, zoals Marcus schrijft: ‘En Hij begon hen vele dingen te leren’ – en Hij onderrichtte niet alleen, maar verzadigde ook met broden heel die massa in de woestijn, mensen die door de tirannie van de Farizeeën omkwamen van honger.” (o.c., p. 104-108, r. 615-669)

 Tot slot nog een citaat uit het voorwoord tot de Johannesparafrase (1523; de Latijnse tekst staat eveneens in de vermelde editie van 2005). De lezer die vertrouwd is met de Geestelijke Oefeningen van Ignatius, zal hierin vele gelijkenissen aantreffen met de Overweging over twee standaarden.

 “Hij (Johannes) stelt als het ware twee rijken voor ogen, het ene hemels en geestelijk, het andere aards en vleselijk – dit laatste noemt hij ‘wereld’. Geen van de twee rijken kan men met de vinger aanwijzen, maar ze bevinden zich in de innerlijkheid. Soms echter laten ze zich zien door de feiten zelf, tenzij sommige feiten gesimuleerd worden. Het hele verschil is hierin gelegen dat nabootsing niet consequent gebeurt en dat ze ook niet blijft duren. In het hemelse rijk plaatst hij God de Vader, hoogste bron van alle goed; hij voegt de Zoon erbij, door wie de Vader alles geschapen heeft, door wie deze alles bestuurt, door wie deze alles heeft hersteld; en de Geest die beiden gemeen hebben – door Hem voltooit de Vader alles. Dit heilige trio, dat intiem verbonden is en altijd naar zichzelf terugkeert, is het eerste voorbeeld van absolute liefde en eendracht.” (o.c., p. 132, r. 47-62)

 “Zeker, er is het andere rijk, dat het grootste deel van de mensheid omvat. Het maakt Satan tot zijn leider, een soort van middelpunt. Deze heeft zijn engelen-bedriegers, zoals God zijn engelen heeft om de vroomheid te bevorderen. Hij heeft geen trio, want hij is een tiran die van alleen zijn houdt en geen mederegent toelaat. Hij heeft ook zijn apostelen en zijn bondgenoten door wie hij actief is, zoals Christus door zijn heiligen werkt.” (o.c., p. 134, r. 74-84)

 “Elk van de twee rijken heeft zijn middelen en zijn vertroostingen. De wereld heeft rijkdom, eer, macht, troepen, verbanningen, kerkers, doden. Het evangelische rijk heeft een recht geweten, de Geest van troost, en de liefde die alles – wat voor akeligs zich ook voordoet – verlicht. Elk van de twee heeft zijn beloningen. Behalve dat de wereld schijngoederen belooft – dikwijls bedriegt hij hierin het eigen volk – hij kan nochtans niets beloven voor na dit leven. Christus belooft deelneming aan het eeuwige leven, en vanaf nu meer echte rust dan de wereld aan de zijnen zou kunnen bezorgen.” (o.c., p. 136, r. 106-117)

Print Friendly, PDF & Email